Heb je ‘t begrepen?

Bhagwan. Masra. Onze Lieve Heer. Allah. Jehovah. Jaweh. Ik leerde alle identiteiten van God kennen tijdens mijn jeugd in Suriname. Ik kende het onderscheid tussen mandir (tempel), kathedraal, moskee, synagoge, kerk en winti. Zelf werd ik geboren in een orthodoxe hindoefamilie.

De hindoegodsdienst heeft mooie rituelen, waarin vuur, aarde, water, voedsel, de natuur en geld altijd een rol spelen. Als kind hield ik van het gegoochel met vuur, het geurende water dat over ons werd gesprenkeld en de persad (gezegende zoetigheden), en ik vond het een eer om mee te mogen slaan op de koperen platen of de belletjes.
De voorbereiding van de kattha (religieuze dienst) was een ritueel op zich, waarbij met name meisjes en vrouwen het huis moesten laten blinken; met water, zeep en Dettol werd het huis tijdelijk verschoond van alle zonden. Koper werd gepoetst, inkopen werden gedaan en uitnodigingen verstuurd. Op de dag zelf stonden de verzamelde vrouwelijke familieleden voor dag en dauw op. De menstruerenden mochten de keuken niet in en zeker niet aan de persad komen.
Ik kende alle liedjes voor bruiloften en andere hoogtijdagen uit het hoofd. Maar ik verstond er geen jota van, aangezien wij thuis vooral werden gestimuleerd Nederlands te beheersen, in Suriname immers de taal om vooruit te komen. Nanie (oma) richtte zich tot ons in het Sarnami-hindi, doorspekt met Nederlands; wij antwoordden in het Nederlands. Ik leerde ook een beetje Hindi via de Indiase films en liedjes, waar bijna alle hindoestanen in Suriname zo verslaafd aan waren. Maar niet genoeg dus om te begrijpen wat de pandiet tijdens de kattha zei in het Hindi of Sanskriet. Als er werd gevraagd ‘Samajdhle?’ ('Heb je ’t begrepen?’), dan knikten we maar ja, anders kreeg je een hele preek over hoe de kinderen van tegenwoordig hun taal niet wilden leren.
De rituelen hadden iets magisch, maar ik begon me al gauw te vervelen. Geen enkele pandiet was bereid in het Nederlands uit te leggen wat hij zoeven in het Sanskriet had gepreveld. Het moest allemaal zo Indiaas, zo puur mogelijk zijn. Het bleek de beste manier om de jeugd van de rituelen te laten vervreemden. Ik was achttien jaar toen ik voor het eerst een progressieve pandiet meemaakte. Toen was het al te laat. Waarom zou ik geloven in de goedheid van de God van de witte mensen, die slavernij van zwarten had goedgekeurd? En waarom zou ik geloven dat Bhagwan goed was als mannelijke familieleden mij ongestraft konden verkrachten en hun vrouwen onderdrukten en mishandelden?
Het hindoeisme is (voor zover ik weet) de enige godsdienst met vrouwelijke godinnen - op zich dus progressief. Aan hindoevrouwen wordt voorgehouden dat ze gelijk zijn aan Laxmi-mata, de godin van het licht, en dat de moederfiguur goddelijk is. De praktijk bleek anders. Na een kattha mochten de vrouwen bijvoorbeeld pas aan tafel gaan als de mannen en de kinderen hadden gegeten, terwijl de vrouwen het hardst hadden gewerkt. Ik heb mezelf er nooit toe kunnen brengen om tot Bhagwan te bidden, omdat die net als De Heer een man was. Tot een man bidden, terwijl je in je dagelijks leven door mannen wordt vernederd?
In Suriname bestaat godsdienstvrijheid, maar wat echt niet kan, is hardop zeggen dat je denkt dat God niet bestaat. Het kan je op een gerechtelijke veroordeling wegens godslastering komen te staan. Mijn moeder kreeg dan ook pas na mijn twintigste door dat ik niet in God geloof. Deze (on)geschreven regel was een van de weinige waartegen ik niet openlijk rebelleerde. In de jaren zestig- zeventig was de tegenstand die je dan ondervond groter dan het verzet tegen Bouterse nu is.