Essay: Over zachte journalistiek & het succes daarvan

Hebbedingetjes, tranen & achterklap

Geen beelden, maar plaatjes. Geen analyse maar roddel. Geen hard maar zacht nieuws. Roem, liefde, verdriet, ziektes, gadgets, mode, gezondheid – de lifestylejournalistiek brengt ons een oeverloze aaneenschakeling van hetzelfde. Dat weten we inmiddels. Maar wat betekent het voor ons leven?

Het gaat slecht met de geschreven pers. Geen onderzoek of het bevat een treurzang, geen tabel of er wordt een neergaande trend geconstateerd. Dit laatste geldt zelfs de markt van de publiekstijdschriften. Grote titels als Libelle, Margriet, Panorama, Privé, Nieuwe Revu en VT Wonen zagen hun oplagen in de afgelopen tien jaar met gemiddeld de helft teruglopen. Dat gebeurde op hetzelfde moment, vreemd genoeg, dat er tal van nieuwe titels bij kwamen, de totale oplage van de tijdschriftmarkt gelijk bleef en, opmerkelijkst van al, het soort journalistiek dat in genoemde bladen bedreven wordt in alle hoeken en gaten van de media doordrong. Teleurstelling bij specifieke, vaak klassieke titels ging zo hand in hand met succes van een vorm van journalistiek waarvoor diezelfde titels model staan. Dit laatste verklaart vermoedelijk ook waarom er in de afgelopen jaren aan dergelijke journalistiek zo veel aandacht wordt besteed.

Zo maakte het Persmuseum in 2004 een tentoonstelling over ­geïllustreerde vrouwentijdschriften, de Koninklijke Bibliotheek twee jaar later een grote tentoonstelling over 150 jaar publiekstijdschriften en het Stimuleringsfonds voor de Pers in 2011 een Handboek Tijdschrift. Hoewel in deze tentoonstellingen en publicaties heel wat gezegd wordt over inhoud en vorm van ‘lifestylejournalistiek’ ontbreekt het over het algemeen toch aan analyse. Dat is ook precies wat het tijdschrift Journalism Practice onlangs constateerde. Het maakte eind 2011 een special over het onderwerp en stelde om te beginnen dat het hoog tijd is dat deze vorm van journalistiek serieus bestudeerd wordt. Onderzoek is immers gereserveerd voor serieuze, ‘echte’ journalistiek. De plaatjes en praatjes over hebbedingetjes, tranen en achterklap zouden niet de moeite waard zijn.

Zelfs als dit laatste waar is, dan nog kan het geen reden zijn de lifestylejournalistiek links te laten liggen. Vooral niet omdat zij al lang niet meer alleen in Margriet, Libelle en VT Wonen te vinden is. Kijk maar eens naar de opiniebladen en zogenoemde kwaliteitskranten. Neem, willekeurig uit de stapel gepikt, de Volkskrant van zaterdag 14 april 2012. Hij begint al goed. De helft van de voorpagina bestaat uit kleurenfoto’s, met rechts een dame in bikini op een stretcher, bakkend in de zon, oogdopjes voor en zo gefotografeerd dat ze schaamteloos tussen de benen wordt gekeken. Links het portret van een auteur met daarbij een tekstje over zijn liefdesleven, en daarnaast de aankondiging van een boek over uitblinken. Onder die foto’s staat een artikel over huurverhoging, daaronder weer een aantal reclames plus een column. Al met al dus een pagina waarvan hoogstens een derde deel tot de klassieke journalistiek behoort en de rest in willekeurig elk publiekstijdschrift afgedrukt had kunnen worden.

Hoewel op de volgende pagina’s heel wat artikelen staan die vanouds de kranten sieren, is er minstens evenveel dat de kwalificatie nieuws of achtergrond niet of nauwelijks verdient. Bovendien valt op hoeveel ruimte er voor beeld is gereserveerd. De helft van pagina 6 wordt besteed aan een foto van het Palais de Tokyo in Parijs, meer dan een kwart van pagina 9 aan een prachtige foto van een uitbarsting van de Etna en een derde deel van pagina 10 aan een aardige foto van de elektrische vuilnisboot die de stad Utrecht in gebruik heeft genomen. Nieuws zijn laatstgenoemde onderwerpen nauwelijks, de informatie wordt vooral geleverd door de afbeelding, van duiding is geen sprake.

Zo gaat het door, sterker naarmate de krant vordert. Het betreft hier dan ook een zaterdageditie en die bestaat bij de meeste kranten grotendeels uit bijlagen die zich niet of nauwelijks onderscheiden van afzonderlijk uitgegeven publieksbladen – het grootste vrouwentijdschrift van Nederland is Vrouw, een bijlage van De Telegraaf. Vandaar ook de aankondigingen op de voorpagina van de Volkskrant. Twee ervan verwijzen naar de special onder die zaterdagse bijlagen, het magazine, gedrukt op afwijkend formaat en glanzend papier, uiterlijk geheel en al een publieksblad dus. Daarin vertelt journalist-schrijver Arthur van Amerongen zes pagina’s lang over zijn liefdesleven. Het interview had in elk blad kunnen staan – van Margriet tot Elegance en van Playboy tot Vrij Nederland. Het wordt gevolgd door even zovele pagina’s met grote foto’s van mensen op of bij het strand. Het enige wat deze serie eventueel onderscheidt, is de aankondiging: dat hij gemaakt is door een man die ‘al decennialang de frontlinies van de overconsumptie’ vastlegt.

Ironisch genoeg staat in de Volkskrant van 14 april ook een groot artikel over – wat genoemd wordt – de NRC-_metamorfose. _NRC Handelsblad is sinds lang het chique broertje van de Volkskrant, erfgenaam van twee oude (respectievelijk 1844 en 1828) en eerbiedwaardige kranten die de Nederlandse journalistiek in verregaande mate hebben bepaald. Vandaar de identificatie met het fenomeen ‘kwaliteitskrant’. Maar de door de Volkskrant beschreven en alom geconstateerde metamorfose toont een geheel andere krant: populairder, breder, gemakkelijker. Grootste voortrekker van de verandering is de in 2010 aangetreden Vlaming Peter Vandermeersch. Hij meende dat de krant leesbaarder moest worden, toegankelijker. ‘Het idee dat iemand die likkebaardend beschouwingen over het Midden-Oosten leest per definitie zijn neus zou ophalen voor artikelen over mode of eten, vindt hij achterhaald’, schrijft de Volkskrant. ‘Lifestyle-onderwerpen kregen hun plaats in het nieuwe weekeindkatern Lux en de glossy DeLuxe, vooral bedoeld om adverteerders te trekken… De rest van de zaterdagkrant ging ook op de schop, de voorpagina in het bijzonder. Omdat een zaterdagkrant vaker los wordt verkocht, werd de traditionele nieuwsuitstraling ingeruild voor een meer signalerend of trendmatig openingsverhaal met een spannende foto. Vorige week was dat een Barbiepop voor jongens, als illustratie bij een stuk over de (vermeende) sekseverschillen tussen jongens en meisjes.’ De belangrijkste reden voor deze en andere veranderingen, aldus Vandermeersch in de weergave van de Volkskrant, zijn ‘de cijfers’. Zij spelen in alle verhalen over veranderingen van de huidige media een doorslaggevende rol. Niet alleen omdat de media met investeerders te maken hebben en geld moeten verdienen, ook omdat een behoorlijke oplage de enige garantie is voor kwaliteitsbehoud. Dat zegt althans Vandermeersch – niet zonder argumenten. Oplagedaling betekent immers bezuiniging en bezuiniging kwaliteitsverlies. Zijn (vele) critici zijn het daar overigens niet mee eens en beweren dat het kwaliteitsverlies er nu ook is – niet gedwongen maar vrijwillig.

Het zal niemand ontgaan zijn dat sinds 2004, Het Parool voorop, zo goed als alle Nederlandse kranten overgegaan zijn op tabloidformaat. Het begrip tabloid heeft in het Engelse taalgebied echter twee betekenissen. De ene is een neutrale en zegt gewoon iets over het papierformaat. De andere daarentegen is een kwalitatieve en zegt iets over de inhoud: de tabloids zijn in Engeland de kranten die overmatig veel aandacht besteden aan sensatie, roddel, sterren, wistjedatjes (junk food news), emoties, lichaam, seks, sport en hebbedingetjes. Vandaar dat in de Britse communicatiewetenschap sinds de jaren negentig regelmatig van tabloidization wordt gesproken, de neiging van de kwaliteitsmedia om in toenemende mate hetzelfde soort ‘nieuws’ te brengen als de publieksbladen en de commerciële televisie, met veel aandacht voor privé-leven, drama en vermaak en weinig aandacht voor publieke zaak, politiek, economie en sociale problematiek. Rommel zeggen de strengen, verscheidenheid de vrijzinnigen, eigentijdse journalistiek de revolutionairen. Maar wat het oordeel ook mag zijn, over het feit bestaat weinig verschil van mening. Dat ligt anders als het om de achtergrond en betekenis van de lifestylejournalistiek gaat.

Eerst die achtergrond. Om te beginnen is er het feit dat de belangstelling voor klein nieuws, groot geld, beroemderiken en alledaagsheden zo oud is als de wereld. Legio dan ook zijn de vroegmoderne pamfletten over monsters, vreemde voorvallen, vorstelijk vertoon, seks en gewelddadigheden. Geen wonder dat de alomtegenwoordige schaalvergroting de belangstelling voor dergelijke zaken slechts groter heeft gemaakt. Zo was een uitwas als de roddeljournalistiek in een ingetogen land als het onze tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw een ondergeschoven genre. Tegenwoordig wordt ze echter alom bedreven – op tv, in de bladen, ja zelfs in de kranten. Toch is dat niet de kern van de zaak, denk ik. Dat is dat het zachte nieuws niet alleen een plek heeft veroverd in álle media, maar daarover ook een schaduw werpt. Zie bijvoorbeeld de ongekende hoeveelheid aandacht voor ‘beroemde mensen’. Die was enkele tientallen jaren geleden beslist veel minder. Toen waren het in de kwaliteits­media overwegend zaken (kunst, politiek, sport) die aandacht kregen, met roem eventueel in het verlengde daarvan. Maar tegenwoordig is roem een thema op zich. Daarmee is de journalistiek meer en meer het terrein van personen en hun besognes, minder van de maatschappij en haar problemen. Het heeft haar subjectiever gemaakt: gericht op het subject, gemaakt door een herkenbaar individu (met de dominante columnitis als bewijs) en minder feitelijk of controleerbaar.

Voorstanders van popularisering zoals Vandermeersch stellen dat in de moderne krant alle onderwerpen, dus ook mode, hebbedingetjes, roddel en emoties, ter sprake moeten komen omdat dergelijke zaken de samenleving bezighouden. Een krant is immers de spiegel van zijn tijd. Het gaat er dan ook niet om wat maar hoe er gespiegeld wordt. In de kwaliteitskrant van nu, aldus de redenering, kan bij wijze van spreken hetzelfde staan als in de pulpbladen maar dan anders. Hoe anders, vraag je je af. Door bij een foto van een vol in het kruis geschoten vrouw te schrijven dat de fotograaf een criticus is van de consumptiemaatschappij? Door een kwalitatief hoogstaande foto van een modderschuit te publiceren (maar wanneer is zo’n foto kwalitatief hoogstaand en is het niet evident dat de publieksbladen juist vaak uitblinken in hun fotografie?). Door niet een voetballer, volkszanger of Miep van drie hoog maar een schrijver over zijn liefdesleven te laten praten? Of door niet direct maar indirect te roddelen, bijvoorbeeld door niet de roddel maar de roddelberichtgeving als onderwerp te nemen. Een aardig voorbeeld van dit laatste is het artikel dat de Spaanse kwaliteitskrant El País eind 2010 over Belén Esteban plaatste. Esteban was op dat moment ‘de heldin van de roze televisiewerkelijkheid. De koningin van de versmelting van genres. Iemand die altijd leeft tussen fictie en werkelijkheid. Die miljoenen kijkers fascineert… Zonder scrupules dramatiseert zij het leven van beroemdheden en maakt het tot een consumptieartikel… een show.’ Na deze vermeend intellectuele inleiding volgde een verhaal dat ook elders had kunnen staan, vol aanstellerij, achterklap en intieme wetenswaardigheden. Toen een flink deel van de lezers verontwaardigd reageerde – moest deze treurnis in hun krant? – had de ombudsman zijn antwoord klaar: Belén Esteban was een maatschappelijk fenomeen en hoorde dus in de krant. Klaar uit.

Misschien heeft Vandermeersch gelijk, zijn alle onderwerpen, ook de meest platte, geschikt voor de (kwaliteits)journalistiek en is het niet de krant maar de samenleving (lezer, koper, abonnee) die uiteindelijk bepaalt wat gedrukt wordt. Moderne journalistiek is immers niet, zoals dat in economische termen heet, aanbod- maar vraaggericht. In dat geval ligt de uiteindelijke verklaring voor het succes van de lifestylejournalistiek bij de democratisering en de open samenleving zoals de vroegere dominantie van de kwaliteitsjournalistiek terug te voeren is op de hiërarchie van de gesloten samenleving. Anders gezegd, enkele tientallen jaren geleden waren hoge en lage cultuur nog in vergaande mate gescheiden. Die tijd is voorbij. De minderheid kan niet anders dan buigen voor de meerderheid, kwaliteit voor kwantiteit.

Vanzelfsprekend spelen ook andere, eenvoudiger aanwijsbare factoren een rol. Een daarvan is dat het echte, harde nieuws in de afgelopen decennia, eerst door de audiovisuele, daarna door de digitale media almaar sneller is geworden. Het is zoals het Amerikaanse satirische programma The Daily Show enkele jaren geleden in een kleine reportage over The New York Times spotte: dat deze icoon van de internationale journalistiek dag in, dag uit ‘aged’ in plaats van ‘real’ nieuws bracht. Alles wat in de zojuist verschenen krant stond, was op z’n laatst gisteren gebeurd.

De gedrukte media, kortom, kunnen de snelheid van de andere media niet bijhouden en zijn daarom verplicht te doen wat de opiniebladen altijd gedaan hebben: achtergrond brengen. Dat is echter niet eenvoudig, bovendien vul je met achtergrond geen tientallen pagina’s. Daarmee ligt de omschakeling naar zacht nieuws voor de hand. Een belangrijk verschil met hard nieuws is immers dat dergelijk nieuws maakbaar is. Hard nieuws komt van buiten. Je kunt het melden, becommentariëren, omschrijven, je kunt er veel mee doen maar bent uiteindelijk toch met handen en voeten gebonden aan de feiten. Zacht nieuws daarentegen biedt veel meer mogelijkheden. Zelfs de feiten, voorzover überhaupt vereist, zijn kneedbaar. Vroeger zeiden we dat kranten het nieuws ‘brachten’. We bedoelden: van buiten (de wereld) naar binnen (de lezer). Dat is tegenwoordig in veel mindere mate het geval. Vanuit een klassiek perspectief wordt veel van het huidige ‘nieuws’ niet gebracht maar gemaakt – en is dus geen nieuws maar, zeg, ‘lifestyle’, cultuur met een kleine c of (tot nieuws opgeklopte) alledaagsheid.

De behoefte om nieuws te maken in plaats van te brengen is niet alleen het gevolg van de omloopsnelheid van het harde nieuws. Toenemende concurrentie speelt ook een rol. Ook deze is het meest eenvoudig bij de televisie te zien. Sinds de verschijning van de eerste commerciële omroep – RTL-Véronique in 1989 – is het aantal zenders en kanalen welhaast geëxplodeerd. Die explosie maakt dat er op de markt steeds meer gedrongen wordt. Iedereen probeert iets anders, verrassends, nieuws te brengen. Het gewone, harde nieuws leent zich echter slecht voor een creatieve aanpak (feiten zijn zoals gezegd feiten: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe), het andere, zachte nieuws is daarvoor veel geschikter. Honderd manieren om over boerenkool te schrijven, luidt een van de standaard­opdrachten in een boek dat bladenmaker Rob van Vuure publiceerde. Het is in de huidige journalistiek soms net alsof iedereen dag in, dag uit z’n best doet alle denkbare varianten van deze opdracht in praktijk te brengen.

Schaalvergroting, individualisering, democratisering, dominantie van audiovisuele c.q. digitale media én concurrentie zijn vermoedelijk de belangrijkste factoren bij een verklaring voor de opmars van de lifestylejournalistiek. Maar hiermee is het belangrijkste niet gezegd. Dat ligt immers niet bij de achtergronden maar bij de gevolgen oftewel bij de betekenis van de lifestylejournalistiek voor onszelf en de samenleving.

Lifestylejournalistiek confronteert ons voortdurend met berichten, verhalen en wetenswaardigheden die in het beste geval niets toevoegen en in het slechtste geval kwaad berokkenen. Dat miljoenen mensen het zo niet zien of hierover hun schouders ophalen, doet hier niets aan af. Onlangs hield ik een weekje vakantie in zo’n all-inclusive hotel aan een Zuid-Spaans strand. Aan het eind van de dag verzamelde ik de bladen die het hotelpubliek in de lobby en aan het zwembad had laten liggen. Duits (‘Victoria Beckham. Sie schmeisst ihre Nannys raus’, Lifestyle), Engels (‘Richard Judy. I’ve had enough’, Bella), Nederlands (‘Kristen Stewart, Mijn bff’s [Best friends] zijn alles voor me’, Cosmogirl), welk blad ik ook pakte, alle talen, wat ik ook las, ik heb er vele tientallen doorgebladerd, het gaat telkens en telkens om hetzelfde. Roem, liefde, verdriet, ziektes, gadgets, mode, gezondheid, een oeverloze aaneenschakeling van hetzelfde, zij het dat de herhaling gecamoufleerd wordt doordat zij in verband wordt gebracht met een volgende beroemderik (van wie althans ik in negen van de tien gevallen nog nooit had gehoord). En dat allemaal met heel veel foto’s (gemiddelde verhouding foto:tekst is circa 70:30), grote koppen, eindeloze pagina’s vol advertenties en in geëxalteerde taal.

Dat het nog erger kan, bleek overigens in de Nederlandse media, ook die van vermeend betere kwaliteit, tijdens de Friso-affaire. Het nieuws daarover was niet eens zacht of opgeblazen, het was twee, zo niet tien keer niets. Dat werd vooral op tv duidelijk. Avonden lang werd het publiek getrakteerd op het feit – inderdaad: feit – dat er niets te melden was. Omdat je dat moeilijk duizend keer kunt herhalen, moesten de verslaggevers wel iets te voorschijn toveren – al was het maar iemand die ooit gezien had dat een kennis van Friso een skischoen aantrok. Je kunt het hun en wellicht zelfs ook hun bazen nauwelijks kwalijk nemen. De publieke opwinding was zo groot dat men zich welhaast verplicht voelde nieuws te brengen. Dat was er dus niet. En dus bracht men net iets minder dan niets ofwel iets. Daarbij vergeleken is een journalistiek van hebbedingetjes, tranen en achterklap welhaast stevige kost. Klassiek ondertussen is de klacht dat dergelijk gekeutel het publiek dom houdt. Die klacht ligt in het verlengde van opvattingen die in de jaren zestig en zeventig bon ton werden en deels te omschrijven zijn met een weliswaar verlept maar nog altijd niet onbruikbaar begrip als bewustzijnsindustrie. Media vormen ons bewustzijn en lifestylemedia vormen dus een gemakzuchtig bewustzijn. Deze gedachte leefde destijds des te sterker omdat tegenover de bewustzijnsindustriekritiek en in de wirwar van de gebeurtenissen rond Vietnam en Watergate juist een verheven beeld van de journalistiek ontstond: zij zou de waakhond van de samen­leving zijn. Maar, aldus de redenering, dan moest zij wel haar tanden laten zien. Deed zij dat niet en gedroeg zij zich als schoothond, dan kweekte zij een publiek van ja-knikkers.

Het is een mening die langzamerhand achterhaald is, al is het alleen maar omdat ze een te eenvoudig beeld schetst van de verhouding tussen media en publiek. Dat publiek – wij dus – zijn niet als een wasbord waarin de media simpelweg hun afdruk achterlaten. Zelfs de minst ontwikkelde lezer, kijker of luisteraar selecteert. Bovendien is het aanbod dermate dat daaruit eenvoudig de gewenste krenten gepikt kunnen worden. Verreweg het meeste lees, kijk of beluister je niet. Het zou niet eens kunnen. Vandaar de veelgehoorde repliek dat het, als er al van overschaduwing door lifestylejournalistiek sprake zou zijn, niet deert. Toch bevredigt een dergelijke onverschilligheid slechts ten dele. Want naast een persoonlijke bestaat er ook nog zoiets als een publieke sfeer: cultuur, publieke opinie, openbaarheid oftewel de ongrijpbare gezamenlijkheid die als mist over de samenleving hangt. Wat een ieder doet, leest, kijkt of beluistert, moet hij of zij vanzelfsprekend zelf weten. Die erkenning is een van de verworvenheden van de moderniteit. Maar de persoonlijke sfeer is voortdurend lek naar de openbare. We leven in liquid times, zoals Zygmunt Bauman stelt. Vandaar ook dat je wel kunt denken dat de zachte journalistiek je niet raakt, het klopt niet. Onwillekeurig pik je ervan mee.

Welnu, die publieke sfeer is in de loop van jaren vervuld geraakt van een fenomeen dat een halve eeuw geleden voor het eerst beschreven werd in wat volgens mij een van de belangrijkste boeken van de twintigste-eeuwse mediakritiek is: The Image or What Happened to the American Dream van Daniel Boorstin uit 1961. Hierin wordt betoogd dat de media, de op dat moment in de Verenigde Staten sinds kort razend populaire televisie voorop, naast de tastbare een tweede werkelijkheid hebben geschapen en dat het die ‘werkelijkheid’ is die in toenemende mate het reilen en zeilen van de samenleving en haar burgers bepaalt. Boorstins mening staat in een oude traditie die door het werk van onder anderen Marshall McLuhan (The Gutenberg Galaxy uit 1962) en Lewis Mumford (The Myth of the Machine, 1967-1970) in de jaren zestig nieuw leven werd ingeblazen. Om het te zeggen in de woorden van een jongere aanhanger ervan, de vanwege zijn Amusing ourselves to Death (1985) beroemde Neil Postman: mensen maken instrumenten om vervolgens tot hun verbazing te ontdekken dat die instrumenten op hun beurt hen maken. De enkele jaren geleden gestorven communicatiegoeroe James Carey zei het net weer even anders – en subtieler: dat de wijze waarop wij met elkaar communiceren tot op grote hoogte ons bewustzijn vormt. Communication as culture, zoals de titel van zijn bekendste boek (1989) luidt.

Tot enkele generaties geleden, zo zou je de stelling van deze ‘media-ecologen’ kunnen parafraseren, vielen doen en denken van verreweg de meeste mensen samen. Je dacht wat je was en je was wat je dacht. Voor veel meer bestond geen tijd, geen gelegenheid en geen mogelijkheid. De betekenis van de media was betrekkelijk. De meeste mensen hadden er zelfs zelden mee te maken en indien wel, dan vervulden zij precies de functie die het begrip aangeeft. Ze waren middelen zoals journalisten inktkoelies of letter­knechten waren. Media en journalisten hadden geen andere taak dan het publiek melden wat er in de wereld omging, in het bijzonder wat de elite veronderstelde dat er omging.

De grote doorbraak van de tweede helft van de twintigste eeuw – democratisering, individualisering, toenemende rijkdom, verdwijnen van zo goed als alle vaste verbanden, groeiende hoeveelheid vrije tijd en dergelijke – heeft hierin definitief verandering gebracht. De gemiddelde westerling werd vrijgemaakt van de omgeving waarin hij geboren was, van de klemmende zorg voor het dagelijks bestaan en van de greep van familie, elite, zuil, kerk, stand, beroepsgroep, dorp of wijk. Spoedig bleek echter dat de hierdoor ontstane vrijheid verre van absoluut is. Dat kan ook niet. Op zich betekent vrijheid immers niets. Eenmaal verworven (vrij van) dient zij meteen opnieuw ingevuld te worden (vrij om). Daardoor werden de welhaast onwrikbare en onbreekbare banden van weleer, zoals gevormd door afkomst, geografie en cultuur, onvermijdelijk vervangen door nieuwe banden, die van de moderniteit. In tegenstelling tot de oude zijn die echter veranderlijk, breekbaar, tijdelijk: meer beeld dan werkelijkheid. Afkomst (verleden) maakt plaats voor ideaal (toekomst), werkelijkheid (tastbaar) voor virtualiteit (schijn) en cultuur (wat je meekrijgt) voor lifestyle (wat je kiest). Beelden nemen de plaats van feiten en de vanouds belangrijkste brenger van die feiten, de journalistiek, wordt van nederige boodschappenjongen gezaghebbend leverancier – van beelden. Aldus in een notendop de belangrijkste verklaring voor, onder meer, de overmatige belangstelling voor beroem­deriken. Zij zijn immers beelden bij uitstek, voorbeelden. Iets dergelijks zou gezegd kunnen worden over de grote aandacht voor modes op gebied van kleding, hebbedingetjes, stijl en woninginrichting. Zij, die mode, is wat tijdelijk bindt. Om dezelfde reden zijn emoties geliefd. Ze zijn immers in de eerste plaats herkenbaar.

Je zou de huidige media-ecologische visie op de journalistiek een subtiele variant van de oude bewustzijnsindustriekritiek kunnen noemen. Zij weerspreekt de eenvoud van de media-invloed maar erkent dat beeld­vorming en werkelijkheid onlosmakelijk verbonden zijn, dat media belangrijke, zo niet de belangrijkste beeldvormers zijn en dat hun activiteit dus van groot belang is voor het functioneren van de samenleving. Vandaar ook de grote hoeveelheid aandacht op dit moment voor zogenoemde media-effecten: agenda setting, priming, hypes en framing. Zij raken echter nog niet de kern van waar het hier om gaat – de dominante aanwezigheid van lifestylejournalistiek. Die kern ligt veeleer in het verlengde van wat Boorstin wellicht wel suggereert maar als Amerikaan van twee generaties geleden onmogelijk kon doorzien c.q. voorzien. In het Europa van de 21ste eeuw daarentegen is het welhaast evident. Het is namelijk niet alleen zo dat in een wereld zonder vaste banden tijdelijke verbanden of beelden de plaats innemen en dat de media van die beelden de aangewezen leveranciers zijn, het is ook nog eens zo dat beelden moeten sporen met de dagelijkse praktijk – doen ze dat niet, dan blijven het schimmen. Welnu, die dagelijkse praktijk oftewel eerste werkelijkheid is voor een zeer groot deel van de huidige westerse bevolking en zeker voor de meer koopkrachtigen, het meest relevante deel van het mediapubliek dus, vervuld van overvloed en vrije tijd (om niet te zeggen verveling). Er lijkt weinig te wensen over. Het leven is goed zo. Je kunt dobberen op de tijd, kijkend naar steeds nieuwe beelden – beeldjes, plaatjes: lifestyle. Wat wil je nog meer?