Hebben en houden

Mijn ouderlijk huis dat ik een jaar geleden verliet, staat nu te koop voor tienduizend euro de vierkante meter; op het moment dat u dit leest, is het waarschijnlijk al verkocht.

De straat waar mijn moeder vijftig jaar geleden, gekleed in een kamerjas en met krulspelden in haar haar, op de hoek een paar flessen melk ging halen, is nu een van de duurste straten van Amsterdam geworden. In die winkel verkopen ze thans de lekkerste wijnen van de wereld.

Het is onmiskenbaar dat mijn generatie het beter heeft dan de generatie van mijn ouders.

Maar juist omdat we het beter hebben dan toen is het conservatisme een wenkend perspectief. Naar twee kanten.

Kant één: het zou zo prettig zijn als we het goede dat we nu bezitten, konden behouden. Mijn vrijheid, mijn gewone rijkdom, mijn visie over gelijkwaardigheid van mensen.

Kant twee: ik ontkom niet aan een hunkering naar vroeger; voor mij is er iets fout gegaan in de jaren zeventig toen de vrijheid maximaal was. Ik wil dat terug, hoewel ik weet dat dat niet kan. Ik heb Shangri La gezien, en nu ik ervan ben teruggekeerd, blijk ik honderd jaar oud te zijn.

Het is, vreemd genoeg, hetzelfde gevoel dat mijn ouders, vooral mijn vader, moeten hebben gehad. Zijn Shangri La was Indië waarna hij nooit meer zou terugkeren, omdat hij voorvoelde dat de teleurstelling die hij dan zou tegenkomen te groot zou zijn.

Maar wat ik nu bezit, wil ik houden – ik wil het wel enigszins delen, maar in feite alleen met mijn familie.

Mijn welzijn wordt bedreigd – ik roep het steeds om me heen, maar ik ben een oude man die schreeuwt tegen dove kinderen.

Ik ben uit linkse motieven rechts conservatief

Islam, immigratie en integratie zijn de bedreigingen die ik dagelijks meemaak, en ook daarin speelt mijn beperkte Indië-verleden een rol.

Mijn vader was islamoloog, omdat hij ook indoloog was – hij had niet veel op met de islam. De immigratie van Indo’s werd niet door iedereen met vreugde begroet, en misschien toevallig kwam ik in mijn jeugd ooms tegen die niet wilden integreren. Ik zie die ooms nog duidelijk voor me, en ik hoor ze nog praten. Ze wilden graag ‘Nederlander’ zijn, terwijl ze diezelfde Nederlander verafschuwden, want ongemanierd, saai, smakeloos… De Nederlander bezat niets aanbevelenswaardigs, er was niets waarmee je je kon identificeren. Dus behield je als Indo liever je eigen identiteit. Die tegenstrijdigheid – Nederlander willen zijn, maar de Nederlanders verafschuwen – merk ik nu constant om me heen. En ik denk dat al die nieuwkomers, al die asielzoekers, of ze nou economische vluchteling zijn of niet, die Heimwee, die Sehnsucht, dat verlangen naar vroeger, naar thuis, niet uit hun hoofd krijgen, net zoals mijn vader Malang 1925 niet uit zijn hoofd kreeg.

Ik wil wat ik nu heb behouden, want dat is het resultaat van de strijd die vorige generaties voor me hebben uitgevochten. Ik ben uit linkse motieven rechts conservatief; ook ik voel de paradoxen als maagpijn.

‘Wil je mij weg hebben?’ vraagt een Syrische vluchteling op een verjaardag van een familielid. Nee, natuurlijk niet. Kom hier. Schuil hier. Hier is geld. Van mij. Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat ik mijn rijkdom, die niet wordt uitgedrukt in geld, wil behouden.

‘Maar ik ben hier gekomen voor de vrijheid.’
‘Maar ik hou niet van de islam.’
‘Maar de islam is goed.’

Ik verlaat het gesprek.

Steeds de ‘maar’ die op een tegenstelling duidt. Iedereen begint steeds vaker een zin met maar.

Is het egoïstisch dat ik wil behouden wat verworven is? Is het moreel afkeurenswaardig? Blijkt mijn hart, dat ikzelf van fondant acht, van koud metaal?

‘Pap, ze vragen waar je bent?’
‘Ik kom er weer aan’, en verlaat de donkere kinderkamer.