Wat moet je als jong mens met je ouders? Ze willen zoveel van je en meestal doen ze gewoon raar. Om het nog ingewikkelder te maken: wat moet je met ouders die niet tot de norm behoren, die getraumatiseerd zijn bovendien? Als de een op regelmatige basis en zonder duidelijke aanleiding het servies aan diggelen smijt en de ander altijd en eeuwig bij de radio wacht, vaak met een drankje, op het beursnieuws dat nimmer komt? Een vader die een baan zegt te hebben die hij niet heeft – maar wat hij dan wel doet blijft voor iedereen onduidelijk – en een moeder die dingen zegt als: ‘Jij bent net zo’n ongedierte als je vader, de hele familie van je vader is ongedierte, en ongedierte eet maar van de grond.’ Om vervolgens jouw eten, biefstuk met brood, over het Perzische tapijt te gooien.

In Blauwe maandagen heeft de verteller, die net als de auteur van het boek Arnon Grunberg heet, weinig trek in school. Eigenlijk heeft hij nergens zin in behalve in wat rondhangen, drank en vrouwen. Hij zit in Amsterdam op het Vossius Gymnasium, spijbelt zich suf en brengt veel tijd door met zijn jeugdliefde Rosie. Ze gaan naar kroegen en restaurants om te drinken, zoveel als het budget toelaat. Maar de liefde tussen hen gaat over. Arnons verhouding tot vrouwen is op zijn zachtst gezegd problematisch en zo bezien is het een wonder dat het überhaupt tot een relatie is gekomen. ‘Het gebeurt weleens dat, als ik iemand lief vind, ik me opeens herinner dat je met een soeplepel zo de ogen uit het gezicht kunt lepelen.’

In Blauwe maandagen heeft hoofdpersoon Arnon Grunberg nergens zin in, behalve wat rondhangen, drank en vrouwen. Amsterdam, november 1994 © Klaas Koppe

Het onvermijdelijke gebeurt en Arnon wordt van school gestuurd. Daarna heeft hij baantjes als bezorger van medicijnen en als inpakker bij een uitgeverij, maar hij houdt het nooit lang vol. Hij bezoekt prostituees en ambieert een baan als gigolo.

Het zijn allemaal kleine en grote gebeurtenissen en ontmoetingen van een jong mens, zoals dat gaat in een coming-of-age-roman. Maar het echte verhaal wordt tussendoor verteld in kleine etappes; in tussenzinnen of verpakt in een grap of een kolderieke situatie. Zelfs als zijn vader ziek wordt en overlijdt, ontrolt zich dat in scènes waarin slapstick en toch ook liefde de boventoon voeren. Hij zorgt voor zijn vader, die door zijn ziekte niks meer kan, giet in het café bier in zijn mond, terwijl moeder denkt dat ze in het park wandelen. Ook met eten helpt Arnon zijn vader, die zijn hoofd afwendt. ‘Ik drukte gewoon net zo lang in zijn wang tot hij zijn mond opendeed en dan stopte ik vlug de lepel in zijn mond.’

Ik kon me niet meer herinneren dat het zo’n grappig boek was, maar ik begrijp meteen waarom het me een kleine twintig jaar geleden zo trof (en ervoor zorgde dat ik romans ging lezen). Als jongeren met een migratieachtergrond vragen welk boek ze moeten lezen, raad ik ze vaak Blauwe maandagen aan. Omdat ik denk dat ze zich kunnen herkennen in de jongen die steeds wordt aangesproken op zijn afkomst, die ouders heeft die anders zijn dan de ouders van veel vriendjes en die zich afzet tegen alles en iedereen.

Daar komt nog bij dat ze een wereld krijgen voorgeschoteld die ze niet uit eerste hand kennen. En dat het zeker voor jongeren een vrij hilarisch boek is. Veel grappen worden gemaakt in situaties waarin je normaal gesproken geen grappen maakt. Het werkt omdat de ironie wordt ingezet als reddingsboei en als zelfbescherming. Wat ik nog wel kon oproepen was het gevoel van eenzaamheid van de verteller, de schaamte voor thuis en het afzetten daartegen, van een door de stad slenterende jongen die niet wilde deugen en op zoek is naar een roes.

De hoofdpersoon is nogal cynisch en grof in de mond, en ook dat sprak aan. Er is geen normaal personage in het boek, iedereen is op z’n minst eigenaardig of gewoon ronduit gek. Als Arnon gaat werken in een apotheek van een man die hij kent van de synagoge (‘Hij heette meneer Hausmann en spaarde smurfen’) brengt hij medicijnen rond. Bij een vrouw van wie hij geld krijgt als hij haar voedsel opeet, bij een kale man waar hij moet blijven tot zijn vogels zingen en bij een vrouw die bij binnenkomst meteen vraagt waar zijn kippa is om er vervolgens een te halen die hij op moet. Nooit bij iemand die de medicijnen vriendelijk in ontvangst neemt en een normaal gesprek aanknoopt. Hij komt ermee weg, omdat hij zichzelf niet spaart.

De Arnon Grunberg uit het boek is een jongen met joodse ouders die in Amsterdam woont. Zijn moeder heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog concentratiekampen overleefd, zijn vader zat ondergedoken, en die geschiedenis heeft niet alleen hen getekend maar ook de verhoudingen in het gezin; zijn zus is gevlucht naar Israël. De hoofdfiguur wordt overal aangesproken op zijn joodse afkomst en verzet zich er hevig tegen, in woord en meer nog in daad.

Jeugd in opstand

Steeds nadrukkelijker lijkt de jeugd tegenover de oudere generaties te staan – als het gaat om coronamaatregelen, de huizen- en arbeidsmarkt, liefde en seks. Of is die kloof van alle tijden? Deze zomer herleest De Groene boeken waarin de jeugd rebelleert, zoals De avonden, The Catcher in the Rye, Die Leiden des jungen Werthers en Red ons, Maria Montanelli.

Hij gaat tot afgrijzen van zijn moeder met rood geverfd haar naar de synagoge en drinkt bier tijdens seideravond. Dat doet hij overigens met iemand die wordt aangesproken als ‘de Pool’, net als de hoofdpersoon in Grunbergs roman Goede mannen. Als iemand bij die gelegenheid vraagt naar de soep van de dag, en als antwoord krijgt dat ze er alleen een soep van het jaar hebben en een soep van de eeuw, antwoordt Arnon: ‘En de soep van de eeuw is gaskamersoep. Hebben jullie in dit café ook gaskamersoep?’

‘Daar begrijp ik dus niets van, waarom mensen joods willen worden’

Uiteindelijk gaat hij die avond toch naar zijn moeder, die tijdens de feestelijke dag alleen is. Zij wijst dan naar een zwarte draaistoel en zegt dat zijn vader daar twee jaar geleden nog zat. ‘Ik had een hekel aan dat soort sentimentaliteit. Daarom zei ik: “Hij zat daar niet, hij hing er, en al het eten liep uit zijn mond, zijn hele lichaam liep leeg, uit alle gaten die het maar had.” “Doe toch niet zo cynisch”, zei ze, “daar houd ik niet van.” Ik zei niets cynisch, ik zei de waarheid. Het is alleen jammer dat de waarheid vaak zo cynisch klinkt, daarom kun je beter liegen.’

Arnon doet er in het boek alles aan om de geschiedenis en achtergrond van zijn ouders van zich af te houden, uiteindelijk wordt iedereen door hem op afstand gehouden. Maar zoals dat gaat met identiteit, is dat niet alleen hoe je jezelf ziet of wil zien, maar ook hoe anderen naar je kijken.

Op school gaan ze dus ‘even’ Claude Lanzmanns Shoah kijken, de documentaire die werd geprezen als zeer aangrijpend omdat er geen archiefmateriaal werd gebruikt maar overlevenden en daders terugkeerden naar kampen om daar geïnterviewd te worden. Arnon wordt voorafgaand aan de film door de geschiedenisleraar bij zich geroepen. Als hij wil, mag hij wegblijven en hoeft hij niet te kijken. Dat terwijl Arnon net te horen heeft gekregen dat hij geschorst wordt omdat hij te vaak absent is. En dus gaat hij juist. ‘Ze zaten allemaal naar die slaapverwekkende film te kijken. Op het eind begon een trut zelfs te janken. Ik zweer het. Ze begon gewoon te janken.’

Rosie is de enige die hem niet voortdurend aanspreekt op zijn joods-zijn en bij wie dat ook geen rol lijkt te spelen.

In de synagoge waar hij van zijn moeder naartoe moet, komt een groep vrouwen ‘die joods wilden worden’ en die Arnon dus verafschuwt. Ze zien er in zijn ogen uit ‘alsof ze hun hele jeugd door de wc waren getrokken’, praten de hele tijd over dat ‘joden zo goed wisten wat lijden was’ en hoewel er ‘heel wat lelijke mensen’ op de wereld zijn, heeft hij ze zo lelijk als deze vrouwen niet gezien. ‘Als ik ergens een Uzi had gevonden, had ik ze neergeknald, gewoon uit medelijden. Natuurlijk ook vanuit een zeker esthetisch oogpunt.’ Vervolgens nodigt zijn moeder ‘twee van die nepjodinnen’ thuis uit voor de lunch. ‘Daar begrijp ik dus niets van, waarom mensen joods willen worden. Ze konden zich toch ook meteen ophangen, als ze het niet meer zagen zitten.’

En zelfs als hij voor het eerst een prostituee bezoekt, een vrij geestige scène, vraagt ze of hij joods is. Dat ziet ze niet aan zijn neus, maar meer aan zijn ‘manier van doen’. Zelf had ze een joodse grootvader. Als ze even later met hem bezig is, vraagt ze of het kietelt.

‘“Ja”, zei ik, “het kietelt een beetje.”

“Mijn grootvader is nooit teruggekomen”, vertelde ze. Ze was nu met mijn lid bezig. Ze kneedde het, en ook mijn ballen kneedde ze. Ik zei: “Het spijt me, reuze vervelend.”’

Je hoeft niet het werk van Freud tot achter de komma te kennen, of een door de hoofdpersoon geminachte psycholoog te zijn, om te zien dat de verstoorde relatie met vrouwen, de merkwaardige zoektocht naar liefde en zijn problemen met gezag met de gestoorde thuissituatie van doen hebben. Ergens in het begin van het boek zegt Arnon: ‘Ik wist ook een tijd zeker dat ik een kind wilde en met Rosie wilde trouwen. En ook dat ik in Berlijn wilde wonen. Er was zelfs een tijd dat ik zeker wist dat ik dood wilde. Maar nu denk ik dat de pijn niet komt doordat ze niet van jou houden, maar doordat jij niet van hen kunt houden, in ieder geval niet genoeg, niet zoals je zou willen, of zoals je zou moeten.’

In zekere zin proberen we allemaal natuurlijk de trauma’s van onze ouders te bezweren, en als ouder proberen we onze kinderen ervoor te behoeden. Alleen zijn er weinig gezinnen zo getroebleerd als dat waarin de Arnon Grunberg uit Blauwe maandagen opgroeit, en worden weinig mensen er ook door de hele buitenwereld constant op aangesproken.

Achteraf is het makkelijk om te zeggen dat Grunberg met dit boek al bewees een groot schrijver te zijn; toen ik het las was hij al all over the place, of zoals Radna Fabias in haar bundel Habitus het omschrijft: de alomtegenwoordigheid van Arnon Grunberg; het was de reden om het destijds te lezen. Maar het talent spat van de pagina’s, alsof hij van elke zin weet wat die met de lezer gaat doen.