Een actievoerder staat op tijdens een aandeelhoudersvergadering van BNP, 17 mei 2022 © Jeanne Accorsini/ SIPA / Anp

Nu de inflatie tegen de dubbele cijfers aanschurkt en huishoudens zuchten en steunen onder de gestegen kosten voor levensonderhoud is het intellectuele gevecht om de oorzaak van de prijsstijgingen losgebarsten. En wie gaat winnen is geen louter academische spielerei maar heeft grote en langdurige politieke gevolgen. Dat hebben de late jaren zeventig gevoeglijk aangetoond. Toen werden de looneisen van de vakbonden aangemerkt als het probleem en werd liberalisering van het kapitaalverkeer de oplossing, met mondialisering, stagnerende lonen en groeiende ongelijkheden tot gevolg.

Momenteel zijn er drie verklaringen in omloop die om de eer strijden. De eerste school – laten we ze de monetaristen noemen – ziet de oplopende inflatie primair als een monetair fenomeen. Centrale banken hebben in de vorm van kwantitatieve verruiming zoveel liquiditeit in het financiële systeem gepompt dat inflatie vrijwel onvermijdelijk is: steeds meer geld dat jaagt op een gelijkblijvende hoeveelheid goederen resulteert onvermijdelijk in hogere prijzen en dus in geldontwaarding. Stoppen met verruimen en een hogere rente vormen dan het medicijn. Net als in de vroege jaren tachtig, toen Fed-baas Paul Volcker de rente opjoeg naar dubbele cijfers en een monetaire recessie volgde: de zogenaamde Volcker-schok.

En inderdaad is het geen fraai gezicht als je naar de balans van de Europese Centrale Bank (ECB) kijkt – en datzelfde geldt voor die van andere centrale banken. Momenteel bedraagt die negen triljoen euro, pakweg negenhonderd procent meer dan in 2000. En de helft van die groei dateert van de laatste twee jaar.

Het probleem met deze verklaring is niet alleen dat die gebaseerd is op een verkeerd begrip van wat kwantitatieve verruiming inhoudt. Namelijk het vervangen van reeds geïnvesteerd kasgeld door nieuw kasgeld – de ECB gebruikt haar balans om obligaties in het bezit van beleggers op te kopen in de hoop dat het nieuw verkregen kasgeld opnieuw geïnvesteerd wordt en daarmee een impuls geeft aan de economieën van de eurozone. En dus zie je de extreme groei van de balans van de ECB niet of nauwelijks terug in de groei van de geldhoeveelheid, de voornaamste indicator voor inflatiegevaar.

Het probleem is ook dat de verklaring niet goed kan uitleggen waarom kwantitatieve verruiming eerst geen en nu wel inflatie veroorzaakt. Het voornaamste bezwaar tegen kwantitatieve verruiming was namelijk al die jaren dat het niet deed wat het moest doen – deflatie voorkomen en inflatie (gecontroleerd) aanjagen – en wel deed wat het niet moest doen: de prijzen van financiële bezittingen, waaronder huizen, steeds verder opjagen, waardoor starters geen woning konden vinden, huishoudens steeds hogere hypotheekschulden moesten aangaan en beleggers steeds rijker werden. Oftewel, de verstrekte liquiditeit bleef in het financiële deel van de economie hangen en bereikte de reële economie niet. Tot grote frustratie van de centrale bankiers.

Nou zou je natuurlijk kunnen tegenwerpen dat de liquiditeitsimpuls van de laatste twee jaar zo uitzonderlijk groot is geweest dat het eindelijk over de schotten tussen de financiële en de reële economie is geklotst en nu alsnog inflatie veroorzaakt. En dan niet op de gewenste en gecontroleerde manier die de ECB voor ogen had (tot maar niet gelijk aan twee procent, zoals de ECB haar eigen inflatiedoel beschrijft) maar plotseling, schoksgewijs en onbeheersbaar. En inderdaad zie je in 2020 plotseling de groei van de geldhoeveelheid omhoogschieten. Maar die stijging was beperkt (van vijf procent naar twaalf procent) en tijdelijk (in de loop van 2021 was de stijging weer normaal). En dus blijven de vragen waarom nu, waarom zoveel en hoe onbeantwoord. Tot zover de monetaristen.

De tweede school – laten we ze de aanbodzijders noemen – ziet inflatie primair als een gevolg van gestegen productiekosten waardoor ondernemingen gedwongen zijn hun prijzen te verhogen om hun winstmarges te behouden. Die kostenstijgingen zijn van drieërlei aard. Ten eerste gestegen energiekosten. Vooral energie-intensieve activiteiten zouden hier last van hebben. Ten tweede gestegen voedselprijzen door de verstoring van graan- en kunstmestleveranties uit Oekraïne en aanpalende landen die voor hun export op de Zwarte Zee zijn aangewezen. En ten derde gestegen arbeidskosten. Om personeel na twee jaar lockdowns weer terug te lokken naar fabrieken en kantoren moeten ondernemingen steeds dieper in de buidel tasten: de fameuze post-covid-krapte op de arbeidsmarkt.

Merk op dat de eerste twee oorzaken leiden tot wat een prijs-loonspiraal genoemd zou kunnen worden en dat alleen de derde voldoet aan de kenmerken van een loon-prijsspiraal. In de eerste twee gevallen verhogen producenten hun prijzen om hun winstmarges te beschermen tegen duurdere grondstoffen (olie, gas, graan, kunstmest) en reageren vakbonden en werknemers daarop met hogere looneisen om de koopkracht van hun leden te beschermen tegen inflatie. Terwijl in het derde geval de spiraal begint bij de looneisen van werknemers waardoor de loonkosten van ondernemingen stijgen en deze, om hun winstmarge te beschermen, hun prijzen verhogen, waarna werknemers hun looneisen weer opschroeven. En zo ad infinitum, of in ieder geval steeds hoger.

Tot deze school behoort de Britse minister van Financiën en oud-zakenbankier Rishi Sinak. Afgelopen woensdagavond liet hij tijdens een diner van het Britse VNO-NCW weten dat het bedrijfsleven wat hem betreft kon rekenen op belastingverlagingen om de loon-prijsspiraal te doorbreken en er tevens voor te zorgen dat ondernemingen voldoende financiële ruimte overhielden om te investeren in nieuwe technologieën en scholing. De redenering erachter is dat lagere belastingafdrachten bedrijven de financiële mogelijkheid geven om hogere looneisen te absorberen zonder dat het ten koste van de winstmarge gaat, waardoor de prijzen niet hoeven te worden verhoogd en de loon-prijsspiraal dus tot stilstand kan komen.

Anno 2022 is het toch echt de doorgeslagen macht van de aandeelhouder die het grootste probleem is

Niet alleen is dit een fraai staaltje redistributie van arbeid naar kapitaal – de onderhoudskosten van de publieke infrastructuur komen daardoor namelijk nog zwaarder op de schouders van werkenden te rusten – ook geeft het blijk van een uiterst naïef (of cynisch) beeld van de kapitalistische werkelijkheid. Gelooft Sinak werkelijk dat zijn douceurtje door ondernemingen gebruikt zal worden om de consument ter wille te zijn? Want dat is waar dit op neerkomt: belastingverlaging in ruil voor het afzien van prijsverhogingen. En niet, zoals met alle voorgaande belastingverlagingen, om de zakken van aandeelhouders, waaronder de top van de ondernemingen zelf, verder te spekken?

Hier komt de derde verklaring om de hoek kijken. Laten we het de politiek-economische school noemen, die de onderneming vooral ziet als een arena van machtsverschillen en klassentegenstellingen. Zoals de historicus Adam Tooze deze week in zijn onvolprezen chartbook liet zien, zijn er de laatste tijd steeds gedetailleerdere data beschikbaar gekomen over de oorzaken van de sinds het najaar van 2021 (derde kwartaal) scherp opgelopen inflatie. Uit die data – zowel Amerikaans als Europees – blijkt dat een deel inderdaad toegeschreven kan worden aan gestegen grondstofprijzen: olie, gas, graan en kunstmest. En dat de geopolitieke crisis in Oost-Europa daar inderdaad mede debet aan is. Maar die bijdrage is beperkt. De Amerikaanse data leren dat die kosten de laatste twee jaar pakweg een kwart hoger waren dan ze in de twee decennia ervoor gemiddeld waren. En er is geen reden om aan te nemen dat het in de Europese Unie of Nederland anders zou zijn.

Korte metten maken die data bovendien met de vrees voor een herhaling van de loon-prijsspiraal van de jaren zeventig. Terwijl in de periode tussen 1979 en 2019 loonstijgingen 62 procent van de inflatie in de Verenigde Staten konden verklaren, is de bijdrage over de periode 2020-2021 een schamele acht procent. In de Europese Unie is het niet anders – zoals ECB-bestuurder Isabel Schnabel deze week in een verrassende draad op Twitter liet zien. Ook daar is de bijdrage van looneisen aan de inflatie tussen 2020 en 2021 beperkt gebleven.

Het heeft alles te maken met de scherp gedaalde macht van de vakbonden, die niet alleen steeds minder werkenden vertegenwoordigen maar er daardoor ook nauwelijks meer in slagen automatische inflatiecorrectie in hun looneisen gerealiseerd te krijgen, zoals een recente studie van de Bank for International Settlements laat zien. Tot zover de aanbodzijders en hun gitzwarte stagflatiescenario: de jaren twintig van de 21ste eeuw zijn pertinent níet net als de jaren zeventig van de twintigste eeuw en bevatten dus níet de juiste historische lessen voor nu.

Wat deze gegevens veeleer suggereren is dat de voornaamste verklaring voor de oplopende inflatie de doorgeschoten macht van de aandeelhouder is. Twee jaar van lockdowns en het afkopen van ondernemingsrisico’s door de staat heeft het beslag van aandeelhouders op de bedrijfsresultaten alleen maar verder vergroot. In de VS is hun bijdrage aan de inflatie van 2021 en 2022 ruim vijf keer zo groot als in de twee decennia ervoor. En in de Europese Unie is dat niet veel anders.

Het is de ongekende machtsverschuiving van arbeid naar kapitaal die aandeelhouders tot de dief heeft gemaakt die ongestraft de gelegenheid van de pandemie heeft kunnen gebruiken voor zo ongeveer de grootste diefstal bij klaarlichte dag uit de menselijke geschiedenis. Ooit was dividend een variabele post waarvan de hoogte werd bepaald door de andere kostenposten. Tegenwoordig is het een vaste post waar de andere kostenposten ondergeschikt aan zijn gemaakt. En – zoals de afgelopen twee jaar hebben laten zien – onvoorziene financiële meevallers verdwijnen als vanzelf in de zakken van hebberige aandeelhouders. Neem een bedrijf als KLM, waar ondanks miljardenverliezen en ongekende staatssteun miljoenen aan bonussen worden uitgekeerd. Voor die onverantwoorde en cynische hebzucht betalen huishoudens nu, in de vorm van scherp stijgende kosten voor het levensonderhoud, de bittere prijs.

Dat is de echte verklaring voor de absurde winsten die bedrijven als Shell en Ahold maken en in de vorm van bonussen en dividenden aan hun bestuurders en aandeelhouders uitkeren terwijl burgers krom liggen van de prijs die ze in supermarkt en aan de pomp moeten betalen. Het laat de diepe waarheid zien van boeken als Makers and Takers van Rana Foroohar, The Great Reversal van Thomas Phillipon en The Profit Paradox van Jan Eeckhout, die alle drie, ieder op eigen wijze, laten zien hoe de grote machtsverschuiving van de late jaren zeventig een soort omgekeerde redistributiemachine heeft gebaard. Van arm naar rijk, en niet van rijk naar arm.

Afgaand op haar timeline heeft onze eigen minister van Financiën zich tot nog toe vooral beziggehouden met het slavernijverleden van onze staatsbank, de 5-mei-speech van Gijs Tuinman, het overlijden van Mohammed Rabbae en de ramadan. Het is te hopen dat zodra zij zich eindelijk buigt over de bestedingscrisis van gewone Nederlanders, zij zich niet voor het karretje laat spannen van de monetaristen of de aanbodzijders maar haar oor te luister zal leggen bij de politieke economen die als enige de echte oorzaak benoemen.

Anno 2022 is het toch echt de doorgeslagen macht van de aandeelhouder die het grootste probleem is. Niet de terechte looneisen van danig verzwakte vakbonden die al decennia genoegen hebben moeten nemen met loonstijgingen ver onder de productiviteitsontwikkeling. Noch het monetaire beleid van een centrale bank die de mottige boedel van dertig jaar politiek falen – van ongebreidelde financialisering tot economisch funest versoberingsbeleid – heeft geërfd en het liquiditeitstapijt niet onder de Europese banken vandaan durft te trekken uit angst voor een financieel armageddon, omdat de politiek te laf was om banken te ontvlechten en te sluiten en buffers te verhogen.

Het is de aandeelhouder, suffie!