‘hebbie hersens?’

‘KIJK, DAAR GAAT de kachelman. Waar gaat-ie heen? Bergen beklimmen, kapen ronden? Nee. De kachelman gaat naar de drankman. Maar wat een expeditie! Een wereldreis! Wind slaat hem in ’t gezicht, regen ranselt z'n hoed. Op slappe benen schuift hij langs de huizen. Het lopen valt hem zwaar.’

Zoals een wandelingetje naar de drankman soms een wereldreis is, zo zitten kleine levens boordevol grote drama’s. De ware tragiek vind je bij de onopvallendste mensen, ‘gewone’ mannen en vrouwen met 'gewone’ levens, vol onopvallende, op het eerste gezicht nietszeggende gebeurtenissen. Maar onder die grijze alledaagsheid gaat een bonte wereld schuil vol schrijnende ellende en bitter-grappige waanzin.
De tweede verhalenbundel van Aat Ceelen, De kachelman, wordt bevolkt door dergelijke figuren. Net als in zijn debuut, Hotel Kramoesie, gaat zijn hart uit naar de zonderlingen, de mensen die down and out zijn. Ceelen houdt van randfiguren, mislukkelingen, ontspoorden; die zijn stukken interessanter dan al die aangepaste, saaie mensen.
Neem nou Pjotr. In het gelijknamige verhaal moet hij een eind maken aan zijn innige, eeuwenoude verbond met de fles om met Marie te kunnen trouwen. Zij huwt Pjotr namelijk alleen als hij het drinken vaarwel zegt. Dan komt niet zijn toekomstige echtgenote maar vriend Negerhenkie de trap op stommelen, in het gezelschap van Veronika en Toos: 'Toos schildert en Veronika is van haar man af. Er flikkert een behoorlijke portie waanzin in de ogen van die Toos, ziet Pjotr, zwart geschminkt zijn ze, net als haar lippen. Ze draagt een armoejurkje, met daaronder een paar grote zwarte barrels zonder veters, zodat de tongen bij elke stap flappen. Veronika is al op leeftijd, maar in het bezit van een tijgerkop die door de jaren en de verloedering alleen maar geiler geworden is. Daar ploppen de eerste flessen al open.’ Terwijl de benevelende feestmuziek van The Pogues door de kamer dendert, stort het viertal zich in een uitzinnige orgie, vol prachtig plastisch beschreven seks. Uitgeput valt Pjotr in slaap, in de armen van de dronkenschap, en niet die van Marie.
Aat Ceelen (1950, acteur bij Orkater) heeft volgens mij vreselijk gelachen bij het schrijven van De kachelman, en dat plezier slaat direct over op de lezer. Of het nu een eenzame alcoholist is, een omroeper op de kermis, de lustkapper ('Ik zou de laatste druppeltjes pis uit uw talgige haartjes likken, ik zou de boel zwierig kwasten en u duchtig inzepen’) of de man die verliefd wordt op een vrouw die met een sprekend varken slaapt, ze worden allemaal met ontzettend veel humor beschreven, waardoor hun tragiek een tegenwicht krijgt. Bij vlagen wordt een hoog tragi-komisch niveau gehaald, met juweeltjes als 'De Zwijnenburg’, 'De varkenshoeder’ en 'Paard in de Wieg’. Soms is het ongelimiteerde kolder, soms is het surrealistisch en hilarisch, soms ingetogen en ontroerend, maar altijd haarscherp opgeschreven.
Ceelen bezit de gave om in een zin een personage neer te zetten. De verteller in het verhaal 'De Zwijnenburg’ wil matroos worden. Meneer Zwijnenburg, 'een man als een waterdruppel; smalle schouders en een lijf dat naar beneden steeds wijder uitliep, daarop een hoofd als een ei waar bij wijze van haar nog wat veertjes aan kleefden’, zegt dan: 'Natuurlijk, natuurlijk, maar dan zal dat verrekte schip toch eerst binnen moeten lopen, het is een trampboot, jongen, wilde vaart, maak je tot die tijd nuttig, gebruik je hersens, hebbie hersens? Eh? Hebbie hersens?’
Dat Ceelen soms enigszins doorschiet in zijn absurdisme en het verhaal over the top laat gaan doet niets af aan het feit dat De kachelman in zijn genre een aanstekelijk hoogstandje is.