Hebzucht en schaamte

Jan T. Gross
Angst: Antisemitisme in Polen na Auschwitz
Vertaald door Corrie van den Berg,
De Bezige Bij, 384 blz., € 29,90

Het vorige boek van Jan T. Gross, het in 2001 verschenen Neighbours, zorgde in Polen voor veel tumult. Dat was niet vreemd, aangezien Gross hierin vertelde hoe in de zomer van 1941 de inwoners van het Poolse plaatsje Jedwabne hun joodse buren vermoordden. Vergeleken met de in totaal drie miljoen Poolse joden die omkwamen, leken de zestienhonderd slachtoffers uit Jedwabne niet veel voor te stellen, maar het feit dat in dit boek de Polen nu eens geen slachtoffers waren, veroorzaakte een enorme schok. Hoewel dit alles van nationalistische zijde werd ontkend, toonde verder historisch onderzoek aan dat Jedwabne allesbehalve een uitzondering was geweest.

Het Poolse antisemitisme was berucht, maar na het einde van de Tweede Wereldoorlog mocht men verwachten dat het zou zijn verdwenen. Negentig procent van de Poolse joden was vermoord, terwijl ook de niet-joodse Polen zwaar hadden geleden. Je zou denken dat gedeeld slachtofferschap verbroedert. Uit het nieuwste, niet minder huiveringwekkende boek van Gross blijkt dat dit een enorme misvatting is.

In Angst beschrijft hij het antisemitisme na de Duitse nederlaag. Hierbij ging het niet alleen om discriminatie en incidentele mishandeling, maar soms zelfs om regelrechte pogroms. Centraal in het boek staan de gebeurtenissen in Kielce, waar in juli 1946 tachtig joodse inwoners werden vermoord door een menigte die deels bestond uit politieagenten, soldaten en padvinders. Ook in dit geval ging het niet om een incident. In totaal zijn rond die tijd zo’n vijftienhonderd joodse burgers om het leven gebracht, terwijl een nog veel groter aantal werd mishandeld en beroofd. Veel joden vluchtten het land uit, waarbij een groot deel – o bittere ironie – in Duitsland een veilig heenkomen zocht.

Het ligt voor de hand om deze gruwelen toe te schrijven aan het aloude Poolse antisemitisme. Uiteraard speelde dat een rol, maar Gross laat zien dat er ook andere factoren waren. Om te beginnen was dat hebzucht. De bezittingen en banen van de drie miljoen vermoorde joden waren ingenomen door Polen. Degenen die de pech hadden dat uitgerekend ‘hun jood’ terugkwam om zijn huis, meubels of juwelen op te eisen, voelden zich het slachtoffer van een groot onrecht. Terwijl hun buren konden blijven genieten van hun spullen voelden zij zich ‘bestolen’.

Daarnaast wijst Gross op iets anders: de overgebleven joden herinnerden de Polen eraan dat zij getuige waren geweest van de shoah, dat ze de andere kant uit hadden gekeken, of zelfs hadden geholpen, en dus niet louter slachtoffers waren. Wanneer de joden zouden zijn verdwenen, zou ook deze schandvlek zijn uitgewist.