Andrew Keen, De digitale afgrond

Hechten aan echt

De Engelse versie van De digitale afgrond heet Digital Vertigo, en de auteur wordt op het Engelse titelblad vermeld als @ajkeen. Deze @ajkeen is een influencer, een super node, een verkenner en kwartiermaker in de voorhoede die de digitale wereld van de 21ste eeuw zal gaan domineren.

Andrew Keen, Digital Vertigo, € 19,95

Althans: dat wás hij. In het boek beschrijft Andrew Keen, de mens achter het apenstaartje, een bezoek aan het gebalsemde lijk van de filosoof Jeremy Bentham. Bij zijn dood liet Bentham zijn lichaam (en zijn wandelstok) na aan University College Londen, onder voorwaarde dat het voor studenten zichtbaar zou worden opgesteld. En zo geschiedde: in een soort telefooncel in een gang is hij nog altijd zichtbaar aanwezig, met stok. Een passend monument, want Bentham was de vader van het ‘panopticon’, het model van de surveillance-staat waarin elk individu openlijk te kijk staat. Oog in oog met Benthams lijk, de Blackberry in de hand, klaar om de wetenswaardigheid met zijn volgelingen te delen, valt Keen in dat social media, ‘die permanente zelftentoonstellingszone van onze nieuwe digitale tijd’, niet de bevrijding van het individu betekenen, maar juist een bedreiging van die vrijheid. Hij grijpt naar John Stuart Mill, die in On Liberty (1856) afrekende met de denkbeelden van Bentham, zijn leermeester; Mill voorzag dat de technologische ontwikkeling van de negentiende eeuw, de komst van massamedia, massa-industrialisatie, miljoenensteden, niet tot bevrijding van de mens zou leiden, maar eerder tot beklemmende surveillance en verwoestend conformisme. Stalin en Hitler waren het logische vervolg, zegt Keen.

In onze tijd hebben togetherness en sharing een bijna religieuze betekenis gekregen. Digitale netwerken zijn de vrucht van een collectivistische visie die wel is aangemerkt als ‘digitaal maoïsme’: leiderschap, media, identiteit, cultuur, welstand, vrijheid, innovatie, motivatie, het brein zelf, alles wordt door de digitale revolutie veranderd, zeggen de gelovigen. De toekomst zal onvermijdelijk social zijn. Het internet is niet meer ons Second Life: het is ons eerste en enige leven.

Met dat evangelie verdiende Keen zijn brood, maar nu trekt hij aan de noodrem. In het met overtuiging en vlotte eruditie geschreven boek keert hij op zijn schreden terug. Aan Hitchcocks Vertigo ontleent hij zijn titel, en het motief van de hoofdfiguur, Scottie, die verliefd wordt op een vrouw die hij schaduwt, maar die niet is wie zij voorgeeft te zijn. Scottie’s hoogtevrees weerhoudt hem ervan om op het beslissende moment de waarheid te zien. Net zo zijn social media, aldus Keen, in allerlei opzichten een gevaarlijke illusie. ‘Zichtbaarheid’ is een val en de gedachte dat die honderden Facebook-vrienden van je ook échte vrienden zijn is vals, zegt hij. Onze primatenhersens kunnen sowieso maximaal 150 individuen uit elkaar houden. En dan: wat is er mis met alleen zijn? Sean Parker, mede-oprichter van Facebook, zei eens: ‘My pitch is to eliminate loneliness.’ Keen is dit alles opeens een gruwel. Wij zouden juist moeten leren ons terug te trekken. Alleen zijn is essentieel voor het menszijn, voor het begrip van ‘zelf’, zegt hij, en daarmee bevindt hij zich in het kamp van verwoede internetcritici als Jonathan Franzen (How to Be Alone) en Zadie Smith.

Ik vind het internet best leuk. Ik heb wel eens gelogeerd bij iemand in Parijs die ik via een site had ontmoet, en die ik toch gewoon vertrouwde. Een antiquaar uit Wisconsin heeft mij eens voor minder dan negen dollar een onvindbaar boek doen toekomen. Sterker nog, ik heb dankzij het internet wel eens best leuke seks gehad met iemand die ik anders nimmer had ontmoet. Ik maak me niet zo’n zorgen over mijn zichtbaarheid. Misschien is dat dom, misschien kan ik in mijn kleine pierenbad de gevaren van de diepzee niet goed bevatten, en Keen wel. Toch klinken er valse tonen in zijn alarm, denk ik.

Het belangrijkste risico van het internet 3.0 is Big Data: de opeenhoping van gebergten van informatie, waarin voor wie goed kan zoeken enorme hoeveelheden goud en zilver te winnen vallen. Over die opeenhoping hebben wij geen controle; met elke zoekopdracht voegen wij er kostbare data aan toe, en Joost mag weten waar dat allemaal heen gaat. Dat staat als een paal boven water, dat is zorgelijk, maar het lijkt me in essentie een probleem van wetgeving en regulering van de handel in informatie, niet van evolutionaire psychologie. De teloorgang van werkelijk menselijk contact, de devaluatie van vriendschap, het verschil tussen ‘like’ en ‘love’, dat is ook een kwestie, natuurlijk, maar de kern ervan is het belang dat je hecht aan ‘echt’. Daar bestaat niet, zoals Keen lijkt te denken, een neutrale, definieerbare basisvorm van. Het leven was altijd al onecht en identiteit altijd al een fictie. Duizenden jaren meenden ook heel verstandige mensen dat de maagd Maria hun beste vriendin was. Zij stond in effigie in de kamer en ze droegen een beeldje van haar om hun nek. Ze bestond natuurlijk niet echt, dat wisten die mensen best wel, maar ze was er toch maar, en een imaginary friend is óók een vriend, toch? De werking van die relatie in hun levens was heel reëel. Is er een wezenlijk verschil tussen een schietgebedje en een ‘like’? Kortom, is het kunnen leven in meerdere werelden tegelijk nou niet juist hét grote voordeel van de menselijke geest?

Andrew Keen

De digitale afgrond: Hoe de huidige sociale online revolutie ons eenzamer en hulpelozer maakt

Vertaald door Theo van der Ster, Meulenhoff, 288 blz., € 19,95