Maar eerder heeft Vaessens het erover gehad dat geschiedschrijving vandaag de dag vaak niet meer wordt opgevat als het weergeven van de historische werkelijkheid zoals zij werkelijk geweest is, maar als het vertellen van een verhaal waarin de historicus eigenhandig een mogelijke samenhang construeert. Die verandering in de praktijk van de geschiedschrijving heeft alles te maken met het besef dat er geen objectiviteit bestaat. Iemand die zich daarvan bewust is, en die methode in zijn eigen boek ook toepast, zou toch hebben moeten weten dat ‘ontindividualisering’ en ‘de-personalisatie’ niet zozeer bedoeld waren om verstoppertje te spelen als wel om aan te geven dat met het wegvallen van objectiviteit (waarheid) ook de eigen identiteit een fictie was geworden. Het is niet dat de dichter zijn persoonlijkheid niet prijs zou willen geven; het heeft er juist mee te maken dat hij die persoonlijkheid niet als iets onomstotelijks ervaart maar als een serie maskers. De-personalisatie is geen doel, maar een gevolg van de (moderne) ervaring, de onbepaalde ruimte waarin de dichter begint. Vaessens weet dat heel goed, zo blijkt uit het vervolg van zijn boek, dat zich naarmate het vordert steeds meer ontpopt als een zeer erudiet en verfrissend verhaal over Nijhoff en Van Ostaijen, en vooral ook over de actualiteit van hun modernisme. In de eerste hoofdstukken wordt alleen maar het stof weggeblazen dat op beide dichters is neergedaald en wordt het beeld dat van hen bestaat omvergetrokken. Daarna is de weg vrij om te laten zien wat er onder verstofte begrippen als ‘zuiverheid’, ‘autonomie’ én ‘modernisme’ of ‘avantgarde’ werkelijk schuilgaat. De eerder geïntroduceerde begrippen ‘links’ en ‘rechts’ lossen op in het verhaal dat zich over beider werk laat vertellen, en bijvoorbeeld Nijhoffs de-personalisatie krijgt een nieuwe plaats. Nijhoff drukte inderdaad in zijn gedichten niet zichzelf uit en geeft inderdaad ‘de’ werkelijkheid niet zonder meer weer, stelt Vaessens dan, maar zijn gedichten gaan juist over ‘de totstandkoming van betekenis’. Zijn gedichten vertellen niet wát er te zien is, maar hóe er gekeken wordt. Dat is ook wat Vaessens zelf in dit boek blootlegt: hij laat zien hoe hij zelf kijkt en dus ook welke, vaak verkeerde vooronderstellingen aan het beeld van de beide dichters ten grondslag liggen. En daarbij laat hij niets onbesproken, zo lijkt het, en maakt hij ook geregeld uitstapjes naar onze eigen tijd. Circus Dubio & Schroom vertelt een nieuw verhaal en maakt op die manier van Nijhoff en Van Ostaijen weer tijdgenoten, en van het modernisme iets hedendaags.