Hedendaagse engelen

Hans Verhagen
Draak
Nijgh & Van Ditmar, 64 blz., € 15,-

Ik ben altijd bang geweest dat junks onze hedendaagse engelen zijn. Niet meer geliefd en niet begrepen, lopen ze met geknakte vleugels onder afgedragen kleding te zoeken naar middelen die ze dichter bij de hemel brengen. Ze zien je niet staan als je vlak langs ze loopt.

Soms hebben ze ook vleugels en altijd gonst het in hun buurt van de bedrijvigheid

maar je ziet er niets van –

iets wat je niet ziet en er toch is

tast het recht aan van de sterkte,

maakt de witte mannen bang.

Ik kan het idee niet van me afschudden dat de dichter hier een beeld schetst van junks. Maar ik besef dat het een hoogst persoonlijke invulling is. Want evengoed kan het gaan om engelen nabootsende mensen in de kerk, of laat de dichter zien hoe hij mensen waarneemt in het algemeen. Belangrijker dan het duiden van wie precies welke rol op zich neemt, is het mechanisme van de voortdurende machtsstrijd: in het universum van Verhagen zijn alle mensen bange, witte monsters, maar sommige monsters hebben meer macht dan andere.

Rond de ritueel misbruikte dennenboom

(als piek een doorgeprikt condoom)

zongen witte monsters troosteloos

(in de wandeling: kapotje)

de lof van de zojuist geboren mensenzoon

(half van de bevolking was een motje)

Een dag later slaan ze iedereen verrot en

alleen een enkel godshuis, bedoeld in vlammen op te gaan,

laten ze voorlopig staan, voor gebruik bij drugstransporten

neemt men aan

Een gedicht als Witte monsters is niet zomaar toegankelijk. Soms lijken het flarden van visioenen en door drugs ingegeven hallucinaties. Deze flarden zijn scherp beschreven, wat de verwarring zo mogelijk nog groter maakt: je wordt als lezer te serieus benaderd om de ontoegankelijke passages weg te wuiven als gekkigheid. Maar vaker is de dichter haarscherp en deelt hij onomwonden zijn afgrijzen met de lezer:

Je dacht dat dit de wereld was maar je waarneming wordt scherper,

het is moeilijk te doen of je neus bloedt

als je achter al die mensen op een mooie dag

een grote geopende groeve opdoemen ziet; en het vermoeden groeit:

dit is de wereld niet

Een regel als ‘dit is de wereld niet’ zet zich vast in je hoofd. Het heeft de kracht van een onvergetelijke melodie. Je zou het willen zingen als een universeel volkslied dat de mensheid van de ondergang moet redden. Hans Verhagen is een dichter die zich het leed van de wereld aantrekt. De dichter ziet het onrechtmatige en onverteerbare in alles, maar blijft zich er met enorme vitaliteit tegen verzetten. Hij maakt het lot waaraan de mensen zijn overgeleverd pijnlijk zichtbaar wanneer hij ze beschrijft als ‘bidsprinkhanen op de wind’. Het is zeldzaam dat een kritische houding niet leidt tot afstand nemen en arrogante bespiegelingen. Verhagen voelt zich niet verheven boven de ellende die hij beschrijft, hij maakt er altijd deel van uit.

Het tuig regeert!/ Het tuig regeert! opent de bundel met een motto van Bert Schierbeek. Het zet de toon voor de protestmars die Verhagen in deze bundel loopt. In het gedicht Bidsprinkhanen op de wind toont Verhagen hoe de macht in de wereld is verdeeld en hoe groot de rol is van hen die zich uit gemakzucht conformeren.

Dit gebeurt met veel gezever en getreuzel en gezeur,

de heren van de vrije wereld gaan gebukt

onder de terreur van eigen hebzucht

De bazen hebben zich geknecht

Snoezig geglaceerde baby’s worden vetgemest en vervolgens zwaar bewapend

voor een nobel en misdadig universeel streven ingezet

De enige uitweg uit dit lelijke machtsvertoon is er niet aan meedoen maar dan moet je jezelf wel eerst verminken, zoals jongens met dienstplicht in het verleden ziektes en gekten zochten om aan het leger te ontsnappen.

Wil men jou tot Leider bombarderen

duik je als het weerlicht in de grootste glasbak van de stad

zo verkwansel je je kansen

Doe het snel

Het Westen walst omdat het niet kan dansen

want dansen leer je in de hel.

Deze regels over hoe men danst zouden uit de mond van een charmante duivel kunnen komen, zo gewiekst als ze zijn. Net als ‘dit is de wereld niet’ hebben deze woorden de klank van eeuwigheid. Het is alsof ze er altijd geweest zijn en wie ze hoort zal ze nooit meer vergeten. Er wordt een beeld geschetst van het Westen als stijf en overgecultiveerd, en met grote angst voor wat vreemd is. Het is tegelijkertijd een primitieve blik die oordeelt dat blanken niet kunnen dansen, en kan haast niet de blik van de menslievende mensenhater Hans Verhagen zijn. Pas in de laatste regels van het gedicht blijkt in welke tongen de dichter sprak, en vernauwt de kritiek op het Westen zich tot een beeld van een eng Holland:

We leerden altijd het verkeerde

We wisten zelf niet wat we deden

We leefden in de greep van de gereformeerden

Je bent als lezer een bidsprinkhaan op de wind maar wel in gezelschap van Verhagen die op weg naar de ondergang zijn inzichten spuwt en de wereld in lichterlaaie zet.