Humphrey Carpenter, The Angry Young Men

Hedonisten en opportunisten

In Engeland leek in de jaren vijftig de revolte van de jeugd zich ook in de letteren te voltrekken. Kingsley Amis, John Osborne en anderen vormden korte tijd zowaar een beweging. Humphrey Carpenter schreef over die periode de literaire komedie ‹The Angry Young Men›.

Ik weet niet of de bijvoegsels, de fotoboeken en de studies al op stapel staan, maar binnenkort is het een halve eeuw geleden dat jongelieden zich begonnen te roeren met een soort opstand en de ontwikkeling van een eigen cultuur. Misschien dat ze bij de redacties en uitgeverijen nog brainstormen over de kwestie: ja, maar waar leggen we het begin? Bij de nozems, de teddyboys, de Halbstarken? Het geluid van de rock-’n-roll kwam als een klaroenstoot, maar vlak ook het effect niet uit van een cultfilm als The Wild One, vooral van de ogenblikken dat je meemaakt hoe een motorbende, aangevoerd door de in leer gestoken jeugdige Marlon Brando, bezit neemt van een stadje. Of de verschijning van James Dean in (de titel is al een programma) Rebel Without a Cause. En zo zijn er veel meer momenten.

d leek het er halverwegeleek het er halverwege de jaren vijftig zowaar even op dat de revolte van de jeugd zich ook in de letteren ging vol trekken. Plotseling beheersten ze de kunst pagina’s, de «Angry Young Men». Het object van hun boosheid en rebellie is misschien het duidelijkst geschilderd door de romanschrijfster Doris Lessing. Lessing, nadien uitgegroeid tot een icoon van de vrouwenbeweging, was destijds niet te beroerd zich te solidariseren met boze jongemannen: «Het lijkt me dat het werk van al de nieuwe jongere schrijvers in wezen een protest is tegen de kleingeestigheid en bekrompenheid van wat hun wordt aangeboden. Van Jimmy Porter tot Lucky Jim zeggen ze: ‹Ik ben te goed voor wat ik krijg aangeboden.› En dat zijn ze ook. Het Britse leven is op het ogenblik onbetekenend en frustrerend.»

De verwijzing naar Jimmy Porter, hoofdpersoon van John Osbornes toneelstuk Look Back in Anger (1956) en naar Lucky Jim (1954), de roman van Kingsley Amis, was even trefzeker als de kenschets van het Engelse leven waarin het genoemde duo, als de woordvoerders van een witte-boorden proletariaat, een plek opeiste. Met John Wain, schrijver van de roman Hurry on Down uit 1953, vormden Amis en Osborne de drie musketiers van wat korte tijd toch heus de aanblik van een «beweging» bood. Ieder van hen schiep een held, of antiheld, die geen genoegen wenste te nemen met wat Engeland halverwege de jaren vijftig voor hem in petto scheen te hebben.

Het was een tijd van armoede en schaarste (de voedseldistributie kwam pas in 1954 tot een einde), een tijd waarin Ideal Home kon scoren met een artikel over «een vierkamer flat maken uit één kamer». Margaret Drabble beschreef de toenmalige hospita’s: «Het waren de dagen van Geen zwarten, Geen Ieren, Geen studenten, Geen vrouwen, en een shilling extra voor ieder bad.» De klassen waren overzichtelijk gescheiden, tot in de pub toe (de «Public Bar» voor het gewone volk, de «Saloon Bar» voor de betere standen) en het leven van alledag was gelijkmatig en grauw. Een van de bezielde boutades van Jimmy Porter luidt niet voor niets: «Waarom doen we geen spelletje? Laten we net doen of we menselijke wezens zijn en werkelijk leven.»

De essayist A. Alvarez noemde in zijn memoires de naoorlogse jaren «grimmig en armoedig». Om warm te blijven «verpakte je jezelf in dikke truien» en echte weelde bestond uit «een runderlapje, een banaan of een kop echte koffie». Maar als onafhankelijk criticus doorzag Alvarez ook het voze karakter van veel van het protest dat de angries in de samenleving slingerden, waarbij hij wees op het conventionele slot van Lucky Jim. De moraal van Amis’ als een bom inslaande romandebuut lijkt te zijn dat boosheid en protest vanzelf verdampen als je jezelf maar een goeie baan en een leuke levenspartner hebt bezorgd.

Hurry on Down van John Wain kent een vergelijkbare afloop. De hoofdpersoon Charles Lumley ontsnapt aan zijn middenklassemilieu, waarin hij zich beklemd en gevangen voelt: eerst door af te zakken op de maatschappelijke ladder, ten slotte met een baantje als betaalde paljas bij de radio. Het boek bevat een agressieve parodie op pseudo-joyceaans modernisme («Ho, the slow foe! Show me the crow toe I know, a beech root on the beach, fruit of a ritch bitch, loot in a ditch, shoot a witch, which foot?») Kingsley Amis van zijn kant ridiculiseerde de voortbrengselen van een andere woordkunstenaar, Dylan Thomas, in zijn tweede roman That Uncertain Feeling: «I was Bowen Thomas, tailor of Llados (…). I was talking a mouthful of grass under the still hornbeam.» In hun verlangen naar onmid dellijke verstaanbaarheid en toegankelijkheid toonden de boze hemelbestormers van de jaren vijftig zich vooral conventioneel en provinciaal.

Al in het begin van zijn boek over de jonge schrijvers van die periode maakt Humphrey Carpenter duidelijk dat de term «Angry Young Men» is uitgevonden door literaire journalisten. Het lijkt erop dat men in het saaie Engeland van toen reikhalzend heeft zitten uitkijken naar de signalen van iets nieuws. Daaruit valt ook het immense succes te verklaren van The Outsider, dat toch niet veel méér biedt dan een verzameling lees rapporten over de wereldliteratuur. Toen zijn boek in 1956 verscheen, was Colin Wilson 24 jaar. De jubelrecensies van onder anderen Cyril Connolly en Philip Toynbee zijn later wel toegeschreven aan schuldgevoelens van deze vertegenwoordigers van de middenklasse jegens het werk van een autodidact. Overigens heeft Wilson na dat debuut zijn talenten in allerlei richtingen ontplooid. (Zijn autobiografische roman Adrift in Soho komt bij Carpenter maar heel kort voorbij, maar is een relaas dat het artistieke klimaat in het Londen van de fifties zeer geestig tot leven brengt en bovendien propvol ideeën zit.)

Ettelijke schrijvers die op iets te losse gronden (en vaak tegen hun zin) door de pers in de gelederen van de boze jongelieden zijn geduwd, hebben in hun latere doen en laten een Werdegang naar rechts laten zien. Blijkbaar hadden ze dus toch iets gemeen. Hun rebelse thematiek leek ze een plaats ter linkerzijde te bezorgen; bovendien liet zowel Amis als Wilson zijn eerste werken uitgeven door Victor Gollancz, die zichzelf «nagenoeg een marxist» noemde. Maar eigenlijk was reeds de Lucky Jim van Amis’ roman eerder een amorele hedonist dan een socialist. In de alter-ego’s die hij in zijn latere werken opvoerde, gaf Amis steeds onverbloemder uiting aan zijn politiek verre van correcte wereldbeeld. Wel bleef hij altijd humorist, zodat hij ten slotte samenviel met een geslaagde rol als rechtse hofnar.

John Braine, óók een angry met zijn roman Room at the Top uit 1957, schiep daarin een aartsopportunist wiens krachtige ellebogen in dienst staan van onverzadigbare maatschappelijke eerzucht. De auteur, begonnen als propagandist van de Labourpartij, bepleitte aan het einde van zijn leven de herinvoering van lijfstraffen en de doodstraf en verdedigde de Zuid-Afrikaanse apartheid. Met Amis maakte hij toen deel uit van de Fascist Beast Luncheon Group (de naamgeving moet zelfspot van Amis zijn), die wekelijks bijeenkwam in een Londens restaurant. Tot de boze oude disgenoten behoorden Anthony Burgess, Bernard Levin en Anthony Powell.

Een geval apart is dat van John Osborne. De kreet «there aren’t any good, brave causes left», in Look Back in Anger in de mond gelegd van zijn kankerpit Jimmy Porter, werd twee jaar later gelogenstraft, want in 1958 gingen in Engeland de fameuze antikernbommarsen van start. In Osbornes tweede toneelstuk, The Entertainer, bleek de stem van de boze jongeman vervangen door de jammerklachten van een oude beroepskomiek.

Met zijn «literaire komedie» over de jaren vijftig heeft Hum phrey Carpenter een zeer leesbare bijdrage aan de literatuurgeschiedenis geleverd. Zijn boek is minder een studie dan een staaltje hogeschooljournalistiek, maar dat is in overeenstemming met de aard van het onderwerp. Niet alleen was de Angry Young Men-gekte door journalisten in het leven geroepen, Fleet Street had de cultus ook al gauw weer afgeblazen. Aan het einde van het decennium was het epitheton «Angry» oude koek.

Het terrein was in gereedheid gebracht voor de grappenmakers van het tv-programma That Was The Week That Was (TW3) en van het satirische blad Private Eye. Heel ondankbaar richtten zij hun pijlen ook op de voorgangers die de weg hadden geëffend: «John Osbore» en de anderen. Bij Carpenter valt het allemaal nog eens na te lezen. Zijn boek is even amusant als instructief.

Humphrey Carpenter

The Angry Young Men: A Literary Comedy of the 1950’s

Penguin Books, 244 blz., € 16,56