Economie

Hedonomie

MATHIJS BOUMAN
Hedonomie
Ze zijn de afgelopen maanden een stuk negatiever geworden bij het Centraal Planbureau (CPB). ‘Een verdere terugval van de economische ontwikkeling’, luidt de meest recente voorspelling. ‘De economie is als een voetballer in de nadagen van zijn carrière’, schrijft een poëtische CPB’er in het laatste kwartaalbericht. ‘Er zijn schitterende acties die herinneren aan de gloriejaren, maar duidelijk is dat de beste tijd achter de rug is.’
Typische economenhumor. Hoe slechter de economie, des te meer plezier heeft de econoom. In een recessie moet de broekriem aan, de overheid moet bezuinigen en de werkloosheid loopt op. Onder die omstandigheden floreert de econoom. Hij is tenslotte de expert op het gebied van ombuigen en saneren. Met een kaasschaaf in de ene hand en een karwats in de andere dwingt hij burgers en bedrijven in het gareel. Graag vanaf morgen harder werken voor een lager loon, met minder ontslagbescherming en meer marktwerking. De economie heeft het nodig.
De econoom als calvinistische schraper. Een paar jaar geleden was er een tv-spotje voor een bepaald merk verf waarin een bloemist mooie boeketten op de muur schilderde en de grondwerker hoog boven zijn hoofd het plafond sauste. Als laatste kwam een bebrilde man in beeld. Met het puntje van de tong uit zijn dunne mondje probeerde hij de allerlaatste druppel verf uit de pot te vegen. Onder in beeld de tekst: ‘De econoom’.
Iedereen herkende het beeld. Iedereen, behalve economen zelf. Want terwijl de buitenwacht de econoom ziet als iemand die het liefst entree zou vragen voor z’n eigen verjaardagsfeestje vindt hij zichzelf een vriendelijke vrolijkerd die nadenkt over leuke zaken als welvaart, plezier en vooruitgang. Daar is niets calvinistisch aan. Dat is puur hedonisme.
Economie gaat in de eerste plaats over genieten, vindt de econoom. Over de vraag: hoe kan een mens of een hele maatschappij zo veel mogelijk plezier maken met zo weinig mogelijk moeite? De econoom staat daarmee in de oude hedonistische traditie van filosofen als Erasmus en Thomas Moore, die vonden dat God de mens ontworpen heeft om plezier te maken, en het utilitarisme van Jeremy Bentham, dat het maken van plezier tot maatschappelijk hoofddoel verhief. Niet voor niets wordt Bentham als een van de grondleggers van de economische wetenschap gezien. Plezier en genot, daar gaat het economen om. Dat is ook te zien aan de theoretische modellen die economen gebruiken. In het hart daarvan zit vaak een wiskundige vergelijking die weergeeft hoe groot het totale genot en plezier van de maatschappij is. De ‘sociale welvaartsfunctie’ heet die formule in het boeventaaltje van de econoom. En de berekening is pas klaar als de sociale welvaart ‘gemaximeerd’ is.
In zo’n welvaartsfunctie kan van alles zitten. Goederen natuurlijk, en verhandelbare diensten. Maar ook zaken als vrije tijd en het milieu passen erin. Het is de toverformule voor het maatschappelijke genieten. Alleen voor de liefde hebben economen – gelukkig – nog niet de juiste wiskundige formule gevonden.
Economen vinden zichzelf de wetenschappers van het genot, maar buitenstaanders merken daar weinig van. Die horen niet over genot en plezier, alleen over zuinigheid en vlijt. Dat komt deels doordat economen er meestal pas bij gehaald worden als het slecht gaat, zoals ook de loodgieter pas langskomt als de keuken blank staat.
Maar ze hebben ook zelf schuld. Een econoom vertelt graag dat we langer moeten werken om de vergrijzing te betalen, dat de kilometerheffing nodig is om files te bestrijden en dat er meer marktwerking in ziekenhuizen moet komen om de zorg betaalbaar te houden. Alleen de kostenkant komt aan bod. Het lijkt daardoor alsof economen een probleem altijd oplossen met een nieuw probleem. De echte opbrengst van de beleidsmaatregelen blijft buiten de discussie. Over bijvoorbeeld een welvarende oude dag, over sneller wegvervoer, over betere gezondheidszorg hoor je ze veel te weinig.
De econoom moet zijn hedonisme beter uitventen. Daar wordt zijn imago misschien wat beter van. Maar nog belangrijker is dat het hem dwingt om bij ieder beleidsvoorstel na te gaan of het de welvaart echt verbetert. Als de maatschappij er niet plezieriger van wordt en het genot niet toeneemt, dan is het waarschijnlijk gewoon een slecht voorstel.