Onderzoek: Indonesië ’45-’50. Een stromingenstrijd

Heeft een gedicht niet ook gewicht?

Het finale onderzoek naar het Nederlandse optreden in Indonesië tussen 1945 en 1950 wordt door verschillende historici bekritiseerd. Zo zou te weinig gekeken worden naar Indonesische bronnen. En wie schrijft het publieksboek?

Loemadjang, Java, Nederlands-Indië, 2 mei 1948, Nederlandse en Indonesische militairen (van het TNI) bij de demarcatielijn. Rechts Indonesiërs, links manschappen van de Mariniersbrigade © Hakens, H. / Mariniersbrigade / NIMH

Woensdagavond 14 september 2017. In Pakhuis de Zwijger in Amsterdam vindt de kick-off plaats van het onderzoek naar het Nederlandse militaire optreden in Indonesië tussen 1945 en 1950. Niod-directeur Frank van Vree neemt als eerste het woord. Hij onderstreept dat het onderzoek lang op zich heeft laten wachten. Dat is een understatement. Het is dan bijna zeventig jaar na het einde van de oorlog. Die nam in 1945 haar aanvang, nadat vrijheidsstrijder en nationalist Soekarno op 17 augustus de Republiek Indonesië had uitgeroepen. Nederland wilde zijn voormalige kolonie terug en stortte het jonge land in oorlog en geweld. Eind 1949 nam de oud-kolonisator alsnog zijn verlies. Dit bloedige conflict werd daarna twee decennia collectief verdrongen.

In 1969 trotseerde Indië-veteraan Joop Hueting deze algemene amnesie met een interview in het Vara-programma Achter het nieuws, waarin hij vertelde over oorlogsmisdaden die hij zowel had gezien als begaan. Hueting onderstreepte dat het beslist niet om slechts incidenten ging. De publieke commotie die volgde was zo groot dat de regering niet anders kon dan een onderzoek in te stellen. De uitkomsten zouden bekend komen te staan als de Excessennota. De conclusie van deze haastklus, die onder leiding stond van Cees Fasseur, toen nog geen bekend historicus maar een beginnende jurist bij de overheid, was dat het Nederlandse leger zich over het algemeen correct had gedragen tijdens de oorlog. Er was wel wat voorgevallen, vreselijke excessen zelfs, maar slechts een heel klein deel van de krijgsmacht was daar verantwoordelijk voor. Dat toenmalig minister-president Piet de Jong de eindconclusie eigenhandig herschreef, was op dat moment nog niet bekend. Deze conclusie is tot op de dag van vandaag het officiële regeringsstandpunt.

Inmiddels weten we beter. De rechtszaken die de Indonesiër Jeffry Pondaag en advocaat Liesbeth Zegveld aanspanden tegen de Nederlandse staat gaven Indonesische slachtoffers een stem en gezicht. De Nederlandse regering werd in 2011 door de rechter gedwongen verantwoordelijkheid te nemen voor haar optreden in Rawagede, het Indonesische dorp waar Nederlandse soldaten een bloedbad aanrichtten door 431 Indonesische mannen en jongens standrechtelijk te executeren. Meerdere uitspraken volgden. Het onderzoek De brandende kampongs van generaal Spoor van de Nederlands-Zwitserse historicus Rémy Limpach uit 2016 liet vervolgens zien dat de oorlogsmisdaden wel degelijk structureel waren. Rechtszaken en onderzoek deden de Nederlandse regering met tegenzin beseffen dat haar standpunt over de oorlog in Indonesië niet langer te handhaven was. Maar voordat ze een nieuw standpunt zou innemen, moest er eerst een nieuw en diepgravend onderzoek plaatsvinden.

Anderhalf jaar na de bijeenkomst in Pakhuis de Zwijger ligt het lopende onderzoek in nationale en internationale media geregeld onder vuur. De onderzoeksopzet wordt vooral bekritiseerd op het Nederlandse karakter, dat flink begint te knellen. ‘Positivistische’ en ‘postkoloniale’ historici denken bovendien fundamenteel anders over het gebruik van bronnen en methoden, en de samenwerking met Indonesische geschiedkundigen verloopt moeizaam. Tot slot worden er grote vraagtekens gezet bij de opzet en de auteurs-keuze voor het publieksboek.

Over de insteek van het onderzoek is in Den Haag stevig gediscussieerd. De regering schrijft in 2016 in een brief aan de Tweede Kamer dat het belangrijk is dat er dieper ingegaan wordt op zaken die aan bod zijn gekomen in de studie van Rémy Limpach. De nadruk van het onderzoek ligt op de geweldpleging en ook de context wordt meegenomen – het bestuurlijke, politieke en justitiële optreden van de Nederlanders. Een andere eis is dat ook de Bersiap-periode aan bod komt, de maanden direct na de oorlog waarin relatief veel Nederlanders slachtoffer werden van Indonesisch geweld. Bovendien wil de regering rekening houden met de Nederlandse veteranen. De invloed van hun organisaties is tanende, sommige politici komen desalniettemin nog altijd ferm op voor hun belangen. Verschillende politici benadrukken bovendien dat dit de laatste keer is dat de regering onderzoek naar de oorlog in Indonesië financiert. Er is dus sprake van een eenmalige kans. De belangen zijn groot.

In februari 2017 wordt bekend dat de regering een bijzondere subsidie verstrekt van 4,1 miljoen euro. Het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (Niod), het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (kitlv) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (nimh) dat deel uitmaakt van het ministerie van Defensie, hadden samen in 2012 al een voorstel ingediend, maar toen werd financiering afgewezen. Nu is dat dus anders. Het nieuwe onderzoeksvoorstel van de drie instituten voldoet aan alle gestelde voorwaarden, laat de regering weten. De programmaleiding van het onderzoek, bestaande uit de drie directeuren van de instituten – naast Frank van Vree zijn dat Gert Oostindie (kitlv) en Ben Schoenmaker (nimh) – en mediahistorica Mariëtte Wolf, gaat aan de slag met het verder vormgeven van het onderzoeksprogramma. Niemand van hen is gespecialiseerd in Indonesië of de betreffende oorlog. Wat daarbij verder opvalt is dat naar belangrijke kritische geluiden op dat moment niet of nauwelijks geluisterd wordt.

De programmaleiding benadrukt tijdens bijeenkomsten en in interviews graag dat het onderzoek onafhankelijk is. Het is inderdaad zo dat de historici wetenschappelijke vrijheid hebben. Ze mogen hun eigen methodes kiezen en schrijven en concluderen wat ze willen. Maar de vanuit de overheid en programmaleiding gekozen opzet vormt een beperking. Stel dat halverwege de looptijd geconcludeerd wordt dat er op basis van voortschrijdend inzicht beter een andere insteek gekozen kan worden. Laat de programmaleiding het gestelde kader dan voor wat het is? Dat lijkt zeer onwaarschijnlijk en is potentieel problematisch. Dat blijkt wel uit de dynamiek waar historici en programmaleiding nu in terecht zijn gekomen.

Vanaf het moment dat overheidsfinanciering is toegekend, wordt er gesproken over het ‘verbinden van uiteenlopende perspectieven’. In een brief uit februari 2017 stelt Frank van Vree dat er in samenspraak met de Indonesische historici ruimte zal worden gecreëerd voor Indonesische perspectieven. Historicus Onno Sinke, die betrokken is bij de deelstudie Bersiap, schrijft in een opiniestuk in NRC Handelsblad dat de samenwerking met Indonesische historici een van de speerpunten is.

Tijdens de kick-off in De Zwijger vertelt kitlv-programmacoördinator Ireen Hoogeboom dat er wordt samengewerkt met de Universitas Gadjah Mada in Yogyakarta. Twee historici, de ervaren Bambang Purwanto en Abdul Wahid, zijn op dat moment Indonesische onderzoekers uit verschillende regio’s aan het selecteren. Het is de bedoeling dat deze Indonesische onderzoekers intensief gaan samenwerken met hun Nederlandse collega’s. ‘Samen gaan ze dus als een koppel een regio onderzoeken. Een belangrijke meerwaarde van zo’n samenwerking is dat je Indonesische en Nederlandse bronnen naast elkaar kunt gebruiken, ze kunt vergelijken’, stelt Hoogeboom. ‘Verder werkt het natuurlijk door in de perspectieven die er dan gaan ontstaan en die je onderling in verbinding kunt brengen.’ De ambitie is daarmee hoog, maar Hoogeboom verwacht geen problemen op dit vlak.

Maar wie kijkt naar het onderzoeksprogramma kan zien dat de samenwerking slechts betrekking heeft op twee van de negen deelstudies – Bersiap en Regiostudies. In die laatste zitten onderzoekers die ieder een geografisch deel van Indonesië toegewezen krijgen, om vervolgens te gaan kijken wat er op lokaal niveau tijdens de oorlog gebeurd is, wie de actoren waren en waarom zij deden wat ze deden. Historica en journalist Anne-Lot Hoek richt zich bijvoorbeeld op Bali, Niod-onderzoeker Martijn Eickhoff op Midden-Java. In andere deelstudies – politieke-bestuurlijke context, asymmetrische oorlogvoering, om er een paar ter noemen – speelt de samenwerking met Indonesische historici geen of een veel kleinere rol. Maar dat is voor buitenstaanders lang niet altijd duidelijk.

Een andere ontwikkeling is dat het onderzoek vanaf het begin onder vuur ligt van een kleine maar opvallende groep critici. Een van hen is Jeffry Pondaag. Deze groep, die verder bestaat uit onder andere activisten en wetenschappers, is niet te negeren. Dat komt doordat ze blijven aandringen, en ook doordat veel van hun argumenten steek houden. Zij vinden de opzet van het programma bijvoorbeeld te beperkt, aangezien er alleen gekeken wordt naar de vijf jaren van oorlog in Indonesië. Het lijkt zo of Nederlands en Indonesisch geweld gelijkwaardig waren. Hun vrees is dat drieënhalve eeuw van Nederlandse onderdrukking, uitbuiting en geweld zo buiten beeld blijft. Als dat aspect niet expliciet meegenomen wordt, dan pleegt het onderzoek geschiedvervalsing, vinden zij. Verder willen de critici dat de Indonesische onderzoekers een prominentere rol krijgen in het onderzoek en ageren zij tegen de keuze voor kitlv-directeur Gert Oostindie om de samenvatting van het onderzoek te schrijven. Met name omdat hij in hun ogen geen Indonesië-expert is, beschouwen zij hem als ongeschikt.

‘Die Indonesische bronnen zijn van immens belang. Want hoe kom je anders te weten wat de effecten van het Nederlandse geweld zijn geweest?’

De programmaleiding van het onderzoek lijkt verrast door deze critici. Ze had commentaar verwacht van veteranen, maar op deze postkoloniale verwijten lijkt ze geen goed antwoord te hebben. Eind januari 2019 is er een ongemakkelijke ontmoeting tussen de programmaleiding en de groep critici op het Niod, maar die levert geen nieuwe inzichten of aanpassingen in het programma op. Het is wel duidelijk dat deze groep met haar postkoloniale kritiek de druk op het onderzoek opvoert.

De onderzoeksgroep is verder verre van homogeen. Binnen het onderzoek wordt gesproken van positivistische en postkoloniale historici. De eersten richten zich met name op Nederlandse archieven, terwijl de laatsten diezelfde archieven juist als problematisch zien. Zij richten zich ook nadrukkelijk op ander bronmateriaal. Deze onderverdeling is niet absoluut en sommige historici passen deels bij beide stromingen, maar er is een duidelijk verschil in de wetenschapsopvatting bij de betrokken onderzoekers. Sommige postkoloniale historici staan inhoudelijk duidelijk dichter bij de groep critici dan hun positivistische collega’s dat doen.

‘Wat je in ieder geval moet doen als historicus is je eigen aannames ondermijnen. Je moet als het ware stoorzenders mobiliseren in je onderzoek. Je moet dus op zoek naar andere stemmen, andere perspectieven, andere bronnen, materiaal dat in Nederlandse archieven moeilijk te vinden is’, geeft hoogleraar koloniale en postkoloniale literatuur en geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam Remco Raben als voorbeeld. Hij bekijkt binnen het programma de bestuurlijke en politieke context van de oorlog.

Raben vindt het onderzoek ‘intrinsiek problematisch’. Dat heeft onder andere te maken met representatie. Het meeste onderzoek in Nederland heeft zich altijd gebaseerd op de overstelpende hoeveelheid ambtelijke bronnen, die door de Nederlandse kolonisator zijn opgesteld. Ze zijn doordrenkt met de racistische kijk van de witte elite op de complexe koloniale samenleving. Ze representeren de onderdrukker, niet de onderdrukten. ‘Die Nederlandse ambtelijke en militaire bronnen zijn talrijk’, schetst Raben het probleem, ‘terwijl er veel minder geschriften van Indonesische partijen in de samenleving voorhanden zijn, die ook nog eens minder gemakkelijk toegankelijk zijn.’

Bronnen van de koloniale bestuurlijke elite zijn dus niet alleen sterk gekleurd, maar ook nog eens extreem oververtegenwoordigd. Hoe schrijf je met zoveel bronnenongelijkheid een meerstemmige geschiedenis die recht doet aan al die verschillende perspectieven? Je moet op zoek naar andere stemmen, andere perspectieven, andere bronnen, materiaal dat in Nederlandse archieven moeilijk te vinden is, stelt Raben. ‘Je moet daarvoor toch vooral in Indonesië zijn.’ Hij doelt daarbij niet zozeer op de Indonesische overheidsarchieven die in Jakarta liggen, al kom je daar volgens hem niet omheen. ‘Maar ik heb het vooral over andere bronnen, die de ervaringen van de Indonesische bevolking of bestuurders kunnen weergeven.’

De winst van het mobiliseren van tegenstemmen is tweeledig. In de eerste plaats verrijkt het je blik door naar de andere kant van de Nederlandse strategie te kijken. ‘Zelfs als je met een Nederlandse bril naar de oorlog in Indonesië kijkt, zijn die Indonesische bronnen van immens belang. Want hoe kom je anders te weten wat de effecten van het Nederlandse geweld zijn geweest? Het is dus belangrijk dat de Indonesische stem een plaats krijgt. Maar meerstemmigheid werkt ook op een heel andere, meer abstracte manier. Er komt namelijk nog bij dat het perspectief van de Indonesische geschiedschrijving ook heel anders is. Als je de bronnen, Nederlands of Indonesisch, vanuit een Indonesisch historiografisch perspectief bekijkt, krijg je mogelijk een totaal andere insteek, met andere vragen en de nadruk op andere onderwerpen. Je krijgt een heel andere geschiedenis dan wat wij hier gewend zijn.’

Historicus en journalist Anne-Lot Hoek deed voordat ze betrokken raakte bij het programma als zelfstandig historicus promotieonderzoek naar de oorlog op Bali, waarvoor ze meermaals naar het eiland afreisde en ongeveer 150 interviews met Balinezen en Nederlanders verzamelde. ‘Het praten met mensen vind ik van cruciaal belang voor het doen van historisch onderzoek.’ Ook maakt ze gebruik van gedichten en memoires die ze ter plekke verzamelde. Ambtelijke bronnen zijn er op het eiland nauwelijks. Veel historici zien materiaal als gedichten vooral als herinnering, maar Hoek ziet dat anders: ‘Sommige teksten zijn door mensen geschreven die de oorlog zelf hebben meegemaakt. Ze bevatten wel degelijk feitelijke kennis over de oorlog.’ Dit soort materiaal komt niet op één centrale plek terecht, zoals de meeste historici in Nederland gewend zijn. ‘Je moet er, net als voor de mensen, echt voor naar die dorpjes.’ Voor Hoek is duidelijk: wil je de oorlog in Indonesië echt begrijpen, dan moet je erheen. ‘Als je vanuit Indonesisch perspectief gaat kijken ga je vanzelf andere vragen stellen.’

Militair historicus Rémy Limpach, werkzaam bij het nimh, benadrukt dat je uiteraard ook kritisch moet kijken naar ambtelijke bronnen en moet beseffen dat die met een duidelijk doel en in een bepaalde mindset zijn geproduceerd, maar ze zijn wel ten tijde van de gebeurtenissen opgesteld. ‘Hierdoor zijn ze minder onderhevig aan beperkingen van het geheugen of het nemen van literaire vrijheid.’ Limpach dicht materiaal als epische poëzie een beperkte zeggingskracht toe. ‘Want hoe kun je de gewelddaden die ze beschrijven concreet toetsen als historicus? Dat is voor mij een van de moeilijkheden met zulke bronnen.’ Binnen het onderzoeksprogramma neemt de historicus de deelstudie naar het functioneren van de Nederlandse inlichtingdiensten voor zijn rekening. ‘Ik neem daarbij wel egodocumenten zoals dagboeken, brieven van soldaten, memoires en interviews mee. Verder kijk ik bijvoorbeeld naar kranten, filmbeelden en documentaires. Ik zie dat materiaal als complementair aan ambtelijke bronnen.’

Limpachs aandacht gaat daarmee in de eerste plaats uit naar Nederlandse archieven. En ook daar vind je Indonesische bronnen, benadrukt hij. ‘Vertalingen van afgeluisterde berichten, in beslag genomen documenten maar ook Indonesische pamfletten en ander propagandamateriaal, republikeins geld, insignes, uitrustingsstukken en bijvoorbeeld brieven van Indonesische dorpshoofden die aan de koloniale autoriteiten gericht zijn.’ Limpach hanteert in zijn onderzoek desondanks een zuiver Nederlands historiografisch perspectief. Dat levert dus geen meerstemmige geschiedenis op met een verscheidenheid van perspectieven zoals Remco Raben het bedoelt. In het hele programma lukt dat sowieso erg weinig. Raben erkent dat het erg moeilijk is. ‘Ik vrees dat ik zelf hierin ook tekortschiet. Het is een worsteling. Bovendien komt je hele terminologie op losse schroeven te staan als je naar de andere kant kijkt. Bijna alle termen staan dan ter discussie.’

Anderhalf jaar na aanvang van het onderzoek blijkt in de praktijk de samenwerking met Indonesische onderzoekers een stuk weerbarstiger te zijn dan de programmaleiding hoopte. De Indonesiërs hebben inmiddels een autonome positie binnen het onderzoek. Dat betekent dat ze nu onafhankelijk opereren, los van de Nederlandse onderzoekers. Ze hebben een eigen invalshoek gekozen en eigen onderzoeksvragen geformuleerd. Dat heeft vooral met politieke gevoeligheden in Indonesië te maken, stelt Van Vree: ‘Die waren groter dan wij dachten. Daar kwamen we in de loop van het eerste jaar achter.’ Meer wil Van Vree niet kwijt over de situatie in Indonesië. Dat geldt ook voor andere Nederlandse historici. Waarschijnlijk om het hun collega’s niet nog moeilijker te maken. ‘De Indonesische onderzoekers moeten voor zichzelf spreken’, zo klinkt het meermaals.

Het is wel duidelijk dat er ook een inhoudelijke reden is voor de beslissing van de Indonesiërs. Het Nederlandse onderzoek is gericht op de geweldpleging tussen 1945 en 1950. Maar de Indonesische historici zijn daar niet primair in geïnteresseerd en dat was al in 2016 bekend. In Indonesië vertelt de officiële geschiedschrijving dat Nederlanders wrede soldaten waren die verschrikkelijke dingen deden. Dit narratief vormt de versie van het verleden dat door de Indonesische overheid uitgedragen wordt. Historicus Bambang Purwanto van de Universitas Gadjah Mada in Yogyakarta wil nu juist dit eenvormige Indonesische narratief ondergraven en fragmenteren. Zijn collega Abdul Wahid bevestigde dit nogmaals in een radioreportage van Reporter in 2017. Meedoen met de Nederlandse onderzoeksopzet wilden zij daarom niet. Want het officiële Indonesische clichéverhaal over de oorlog zou zo alleen maar extra aangezet worden. Purwanto en Wahid zitten daardoor klem tussen de Nederlandse onderzoeksagenda en die van de nationalistische Indonesische overheid. Zich conformeren aan een van deze twee is voor hen geen optie. Vandaar de beslissing om autonoom te zijn.

‘Als je Indonesische onderzoekers betrekt in je onderzoek, dan horen ze een positie te krijgen in de optekening van het eindproduct’

Nederlandse onderzoekers krijgen daarnaast geen toegang tot Indonesische archieven – gedoe met visa, beaamt Van Vree, die hoopt dat deze situatie nog verandert. Het interviewen van Indonesische getuigen is ook moeilijk, zegt -kitlv-directeur Gert Oostindie. ‘Juist omdat dit een door de Nederlandse overheid gesubsidieerd project is, wordt het in Indonesië met argusogen gevolgd. Onze onderzoekers kunnen daar niet zomaar Indonesiërs gaan interviewen. Het onderzoek ligt er politiek gezien veel gevoeliger dan in Nederland. Daardoor kunnen Nederlandse onderzoekers niet onder de radar opereren. Dat beperkt onze vrijheid enorm.’ Er zijn wel interviews afgenomen. ‘Maar het is allemaal minder dan we aanvankelijk verwachtten.’

Vooral bij een aantal onderzoekers die betrokken zijn bij de deelstudies Bersiap en Regio-studies lopen de frustraties hoog op over de onbereikbaarheid van Indonesisch bronnenmateriaal en de rol die Indonesische historici kregen toebedeeld bij de opzet van het onderzoeksprogramma. Ook de onduidelijkheid over deze situatie is weinig productief. Toch roeien ze met de riemen die ze hebben. Esther Captain, coördinator van het Bersiap-programma, vertelt dat de Indonesische onderzoekers weliswaar onafhankelijk opereren en de samenwerking niet zo intensief is als aanvankelijk de bedoeling was, maar dat er wel contact is en overleg plaatsvindt. Dat gebeurt in groepjes van Nederlandse en Indonesische historici die zich richten op dezelfde regio. Eens per jaar wordt er een workshop georganiseerd op de Universitas Gadjah Mada. Hieraan doen zowel Nederlandse als Indonesische historici mee. Bij de workshop van vorig jaar ging het vooral over welke termen er gebruikt worden. Heb je het over dekolonisatie of is het eerder een re-kolonisatie? Over Bersiap als geweld van Indonesiërs tegen Nederlanders of moet je het ook zien als berdaulat: inter-Indonesisch geweld in het kader van onafhankelijkheid? Captain stelt dat er op dat soort momenten vooral geluisterd is naar haar Indonesische collega’s.

Na die workshop is de titel van het deelonderzoek veranderd. Aanvankelijk werd er alleen gesproken van Bersiap, nu van ‘Geweld, bersiap, berdaulat: Transitie 1945-1946’. Deze nieuwe titel is niet alleen semantiek. Het laat naar de mening van Captain zien hoe ontzettend complex deze periode is. Een inzicht dat nog eens extra onderstreept werd door haar Indonesische collega’s. Erg waardevol, in de woorden van de historica. Ook voor Niod-onderzoeker Martijn Eickhoff zijn overleg en uitwisseling met Indonesische onderzoekers in alle stadia van het onderzoek cruciaal. Dat geldt evenzeer voor het ontwikkelen van een zelfkritische blik naar Nederlands koloniaal bronnenmateriaal. ‘Lukt dat niet, dan blijven de verhalen onaanvaardbaar eenzijdig.’

Maar het naast elkaar leggen van Nederlandse en Indonesische archiefstukken zal lastig worden, verwacht hij. ‘Ik denk dat dat op het niveau van militaire confrontaties bijna niet te doen is en misschien is het ook niet zo nodig.’ Eickhoff zelf wil onderzoek doen in Midden-Java. ‘Ik ga een aantal microgeschiedenissen schrijven en ik ben nu de casussen die ik ga uitwerken aan het selecteren. In dat kader oriënteer ik me natuurlijk ook op Indonesische publicaties. Ik ben in Semarang geweest en ga daar onderzoek ter plaatse doen, onder andere naar de demarcatielijn.’ Eickhoff benadrukt het belang daarvan. ‘Ik wil gaan spreken met Indonesische getuigen en onderzoekers om zo echt de stap naar de andere kant te maken. Dat is niet eenvoudig, ook gezien de huidige omstandigheden, maar het moet lukken.’ Het schrijven van een microgeschiedenis maakt multiperspectiviteit mogelijk, zegt de Niod-historicus. ‘Je probeert daarbij bepaalde gebeurtenissen te bezien van verschillende kanten, zonder dat je in de ban raakt van een a priori koloniaal goed en fout. De focus ligt eerst op wat mensen deden en waarom. Juist dan komen de morele dimensie, de betekenis van Indonesisch nationalisme en de werking van koloniale tradities goed naar voren. Dan kan ook duidelijk worden waarom Nederlands geweld bij ons vaak als reactief werd voorgesteld en begrepen.’

Een oplossing zou zijn om de focus in de deelstudies minder op geweld te richten. Dan is samenwerking met Indonesische collega’s vanzelfsprekender en daarmee ook het verbinden van verschillende perspectieven. Maar daar zit de crux: is het voor de programmaleiding mogelijk om daarin mee te gaan, gezien het kader dat de overheid heeft gesteld?

Een publicitaire rel zorgde er uiteindelijk voor dat het onderzoeksprogramma onder hoogspanning kwam te staan. Directeur Gert Oostindie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde deed in december 2018 opmerkelijke uitspraken in een interview met het Historisch Nieuwsblad. Hij stelde bijvoorbeeld dat het opnemen van de Bersiap in het onderzoek geen eis is geweest van de regering. In werkelijkheid is het tegendeel waar. Oostindie stelt nu op dit punt dat hij fout zat. ‘Het is wél een eis geweest en dat had ik gewoon duidelijk moeten zeggen’, geeft hij desgevraagd aan. In het interview liet hij verder optekenen dat het aan boord nemen van andere perspectieven niet automatisch betekent dat je alles maar moet overnemen en dat er in Indonesische bronnen heel andere dingen staan dan in de Nederlandse. Maar of dat betekenis heeft, betwijfelde Oostindie. Bovendien nam hij postcolonial studies op de korrel, de wetenschappelijke stroming die zich bezighoudt met de doorwerking van het koloniale verleden in de hedendaagse samenleving.

Het interview zorgde voor veel wrevel binnen het onderzoek, in het bijzonder bij postkoloniale historici. Dat kwam door de uitspraken van Oostindie maar vooral ook omdat hij in het interview sprak namens het onderzoek en zich sterk vanuit een Nederlands perspectief uitliet. Vervolgens werd afgesproken dat onderzoekers openlijk afstand mogen nemen van Oostindie als ze daar behoefte aan hebben. Dit interview lijkt overigens geen incident, Oostindie heeft al eerder uitspraken gedaan die menige wenkbrauw deden fronsen. Bij de kick-off in De Zwijger stelde hij bijvoorbeeld dat er ‘vanuit Indonesië’ nooit enige aandrang is geweest om te tornen aan ‘het gestolde verhaal van de oorlog en de revolutie, integendeel’. In de wetenschap dat de Indonesische historicus Bambang Purwanto al jaren precies dat aan het doen is met zijn onderzoek in Indonesië klinkt deze opmerking niet alleen misplaatst maar ook arrogant.

De problemen rond het onderzoek ballen zich nu samen in één kwestie: de vraag wie het publieksboek moet schrijven. Dit is geen triviale kwestie. Want dit publieksboek is als samenvatting van het onderzoek een fundamenteel onderdeel, dat zeer waarschijnlijk de Nederlandse kijk op het conflict in Indonesië voor de komende decennia gaat bepalen.

Eerder was er al commentaar vanuit de groep externe critici op de keuze voor Oostindie als schrijver van het publieksboek. Mede door zijn optredens wordt deze keuze nu ook in twijfel getrokken door betrokken historici. Want hoe serieus neemt hij de meerstemmigheid, die door een aantal onderzoekers zo belangrijk gevonden wordt? Is die bij Oostindie wel in goede handen? De kitlv-directeur zelf wil niet veel kwijt over dit onderwerp. Het is een onderwerp van gesprek binnen de onderzoeksgroep en hij vindt het niet verstandig om in te gaan op een lopende discussie. Hij wijst er wel op dat een groot aantal onderzoekers zal meelezen terwijl hij schrijft. ‘Laat ik verder duidelijk zijn: het gaat niet om mij en daar moet het ook niet om gaan. Verschillende perspectieven zijn inderdaad belangrijk, maar daar zie ik ook een dilemma in: hoe geef je meerstemmigheid ruimte en vertel je gelijktijdig een duidelijk verhaal? Je wil toch ook een duidelijke lijn hebben.’ Maar juist in het uitzetten van zo’n duidelijke lijn zit onmiskenbaar de stem van de schrijver van het stuk.

Anne-Lot Hoek neemt geen genoegen met de huidige opzet. ‘Als je Indonesische onderzoekers betrekt in je onderzoek, en dat is de belangrijkste kans van dit project, dan horen ze een positie te krijgen in de optekening van het eindproduct. Vraag een Indonesische onderzoeker, bijvoorbeeld Bambang Purwanto, en ook een internationale historicus erbij.’ Esther Captain is het met Hoek eens. Ze noemt het vragen van Purwanto een van de mogelijke oplossingen. Daarnaast staat ze open voor auteurs die geheel onafhankelijk zijn van het onderzoek of voor het vragen van een Indonesië-expert. Hoe groter de meerstemmigheid, hoe beter, stelt de historica. Ook Remco Raben kan zich daarin vinden. Oostindie geeft aan dat hij Bambang Purwanto als coauteur geen logische optie vindt. ‘Juist omdat hij steeds heeft aangegeven eigen thema’s te kiezen, gericht op de sociale geschiedenis van Indonesië, niet op het Nederlandse handelen.’ Een opmerkelijke uitspraak: want gaat dat niet juist over de zo benadrukte meerstemmigheid?

Frank van Vree wil weinig kwijt over de auteurskwestie van het publieksboek. ‘We gaan vooralsnog uit van Gert Oostindie als de auteur – of: een auteur. Maar we zitten midden in die discussie. Waar we naar streven, dat kan ik al wel zeggen, is een publieksboek waar de onderzoekers zich echt in kunnen herkennen. Dat de visies, standpunten en het werk van de verschillende historici daar maximaal in naar voren komen. We gaan een vorm bedenken waarmee we dat kunnen verzekeren.’

De toezegging van Van Vree is hoopvol maar weinig concreet. Die onduidelijkheid is problematisch, aangezien het publieksboek een cruciaal onderdeel is van het onderzoek. Het gaat hier om een essentiële keuze. Als de programmaleiding van het onderzoek meerstemmigheid prioriteit geeft, dan kan de huidige constructie moeilijk in stand blijven. Verandert de huidige opzet niet, dan lijkt het doel om een multi-perspectivistische geschiedenis te schrijven moeilijk te behalen.

Het dilemma dat Oostindie met zijn opmerkingen benoemt, legt de vinger op de zere plek. Hoe ver wil de programmaleiding werkelijk gaan om meerstemmigheid in het onderzoek te waarborgen? Zijn ze bereid om meerdere auteurs aan te stellen voor het schrijven van het publieksboek? Durven ze de focus op geweld meer los te laten, zodat samenwerking met Indonesische historici vanzelfsprekender wordt? Zo zouden ze meerdere vliegen in één klap slaan: ze komen zowel tegemoet aan eisen van de critici als aan de zorgen van postkoloniale historici. Hoe deze historische stromingenstrijd zal eindigen is ongewis. Onderzoek en publieksboek worden in 2021 gepubliceerd.