Essay: Het karakter Shylock

«Heeft een jood geen ogen…»

Shakespeares zwartste komedie, ‘De koopman van Venetië’, wordt gedragen door de slechte jood Shylock. Maar hij is méér dan een schurk. Shylock is een hartstochtelijk levend mens, van vlees en bloed, die in de letter van de wet gelooft. «Heeft een jood geen ogen, geen handen, geen ledematen, geen zintuigen, hartstochten, genegenheden?» Een karakterstudie.

William Shakespeares De koopman van Venetië is een onmiskenbaar meesterwerk te midden der meesterwerken, een toneelstuk dat geen enkele dorre regel of saaie scène bevat, maar niettemin inmiddels niet meer met goed fatsoen te presenteren lijkt.

Het ligt aan Shylock.

De ogenschijnlijke onspeelbaarheid van De koopman van Venetië is niet zozeer de schuld van de Engelsen, althans van hun Elisabethaanse voorouders die in een maatschappij leefden waarin geen of nauwelijks joden woonden, zodat de joodse woekeraar geheel en al als een product van hun fantasie moet worden beschouwd. Shylocks positie is veeleer onmogelijk gemaakt door de nationaal-socialisten, die hem archetypisch verklaarden en in de schouwburgen de artistieke vorm van bloeddorst etaleerden die in de vernietigingskampen in praktijk werd gebracht.

Speelt men Shylock zoals Shakespeare hem heeft bedoeld, dan staat er een slecht mens tussen de coulissen. Elke vorm om dit te verheimelijken, elke poging om Shylock te vergoelijken als het slachtoffer van een antisemitische samenleving is tot mislukken gedoemd. Shylock weet wat hij doet. Hij heeft van den beginne de ondergang van Antonio, zijn christelijke concurrent, gezworen en is ten volle bereid een legale moord te plegen: het uitrukken van Antonio’s hart, de tegenwaarde van de drieduizend dukaten die de Venetiaanse koopman de joodse geldhandelaar schuldig was.

De koopman van Venetië is een onmiskenbaar antisemitisch toneelstuk, gedomineerd door de 360 versregels die Shylock zijn vergund, een bijfiguur die zo haarscherp en psychologisch uitgewogen is getekend dat de hoofdfiguren (de altruïstische handelaar Antonio, de fortuinjager Bassanio en de nepjuriste Portia) geheel van het toneel worden gespeeld. Jarenlang zijn Shylocks protagonisten door het schellinkje bij de artiesteningang («En nu tussen ons, schurk!») opgewacht. Het is een klassiek misverstand. Shylock is méér dan een schurk. Hij is een hartstochtelijk levend mens, van vlees en bloed, die in de letter van de wet gelooft, hij is bovendien een man van formaat, gevat en zelfbewust, een solitair in een vijandelijke samenleving. «Van een raciaal minderwaardigheidscomplex, zoals ons duidelijk in Othello tegemoet treedt, is bij Shylock in elk geval geen sprake», zegt Justus Meijer.

Jazeker, hij woekert, en de rentepercentages die hij vraagt zullen menige schuldenaar tot wanhoop hebben gedreven. Het kan niet anders. Geld kost geld. Misschien had de jonge Shylock ooit timmerman of makelaar willen worden. Het uitoefenen van een min of meer honorabel beroep was de joden echter verboden. En omdat het de christenen van kerkelijke zijde op hun beurt niet was toegestaan in geld te handelen, lieten zij het vuile werk graag aan de joden over, het verdoemde volk dat Christus had laten vermoorden zodat een extra aanslag op hun slechte reputatie er eigenlijk niet zoveel toe deed.

Shylock is omgeven door louter profiteurs, helers, slapjanussen, bankroetiers en racistische ellendelingen. Die bankroetiers staan bij hem in het krijt. In het vroeg-kapitalisme werd het niet inlossen van een schuld als een halsmisdrijf beschouwd, een aanslag op de gevestigde orde die om draconische maatregelen vroeg. Wat dat betreft is Shylocks persisteren bij zijn pond vlees zo vreemd nog niet, al was Shakespeare blijkbaar niet op de hoogte van het feit dat de joodse wet dit soort barbaarse praktijken ten strengste verbood. Een toneeltekst beantwoordt echter aan andere wetten dan een bepaling uit de talmoed. Dus speelt Shylock de rol die Shakespeare voor hem heeft bedacht. Overal heeft de jood in de loop der eeuwen de schuld van gekregen, van bronnenvergiftiging tot rituele moord. Van de befaamde joodse schraapzucht kunnen zijn vijanden hem in dit geval onmogelijk betichten. Hij weigert zijn pond vlees af te staan, niet in ruil voor drieduizend dukaten, niet in ruil voor zesduizend dukaten en «al hakte u zesduizend stuks in stukken, tot zes maal toe, ik nam ze niet. Ik sta op mijn contract!»

Hij is op zijn eigen wijze een man van eer. Jarenlang is hij door het locale patriciaat vernederd, inwoners van een stad waarin niet toevallig het getto is uitgevonden. «Signor Antonio», zegt hij, «hoe menigmaal hebt u op de Rialto mij gehoond, gelachen om mijn centen en mijn rente. U schold me uit voor heiden en voor bloedhond en spuwde op mijn joodse opperkleed. Wat zal ik zeggen? Heeft een hond geld? Heeft zo'n verachtelijk creatuur drieduizend dukaten in zijn poten?»

Hij krijgt eindelijk, na al die vernederingen, de kans iets terug te doen. Andermaal toont hij karakter. Niets wil hij weten van het honingzoete, nieuwtestamentische voorschrift de tegenstander zowel de linker- als de rechterwang toe te keren. Hij, de vrome jood, zweert bij het sympathieke, overzichtelijke, oudtestamentische oog om oog, tand om tand.

Natuurlijk is Shylock kansloos. Heinrich Heine, Shakespeare-kenner van enig formaat, zag deze bittere komedie in het Londense Drury Lane. Acher hem in de loge bevond zich een Britse schone die tijdens de beruchte rechtbankscène bittere tranen schreide onder de verzuchting: «But the poor man is wronged!» Nee, wij weten al voordat het doek is opgegaan: Shylock zal zijn pond vlees niet krijgen. «De jood had immers altijd ongelijk en stond nooit in zijn recht», constateert de antisemitismespecialist Hans Jansen.

De wet wordt met grote, Venetiaanse platvoeten getreden. Via een juridisch foefje wordt de schuldeiser, dwars tegen alle jurisprudentie in, zijn pond vlees subsidiair zijn drieduizend dukaten onthouden, vervolgens pakt men hem zijn vermogen af en ten slotte wordt hij op straffe des doods gedwongen de godsdienst van zijn vervolgers aan te nemen. «Nu, ongedoopte hond, nu hebben we je!» triomferen de antisemieten — en in hun ogen vlamt reeds het onheilig vuur van de nationaal-socialistische crematoria.

Waar kan men, zou je denken, «The Excellent History of the Merchant of Venice, with the extreme cruelty of Shylocke the Jew towards the said Merchant, in cutting a just pound of his flesh» beter zien dan op de planken van het Pit Theatre in Londen, in de enscenering van de Royal Shakespeare Company? De voorstelling is eigentijds-conservatief. Ook de Engelsen hebben inmiddels ontdekt waarom de koopman Antonio zo treurig is: hij is een verkapte homoseksueel, die zich bij Shylock in de schuld steekt om zijn lichtzinnige vriend Bassanio in staat te stellen de puissant rijke Portia te veroveren. Shylock, zijn tegenstrever, heeft vanavond slechts één dimensie. Hij is een uitgesproken rotzak, bloeddorstig en wraakgierig, zo gehaat dat zelfs zijn geloofsgenoot Tubal bij zijn ondergang applaudisseert.

«Ben je tevreden, jood?» vraagt Portia met snijdend sarcasme, als zij de oude man definitief op de knieën heeft gekregen.

«Ik ben tevreden», zegt Shylock met gebroken stem. Tevreden? Waarmee? Hij zou zich beter kunnen opknopen, als hij nog geld genoeg over zou hebben om een strik te kunnen betalen. Pathetisch jammerend verdwijnt hij van het toneel — en het aristocratische Venetië gaat innig tevreden over tot de orde van de dag.

Het is de traditionele Shylock-interpretatie, zij het in een modern ogend design. Toneeldramatisch is het Louis Bouwmeester revisited, de Shylock van honderd jaar geleden, die zo beroemd was dat hij zijn creatie — in het Nederlands — naar Londen mocht exporteren. En naar Parijs, waar de critici eveneens in lovende superlatieven grossierden. «Reeds bij zijn eerste optreden etaleerde de heer Bouwmeester zich als een groot kunstenaar», schreef Le Temps. «De Oosterse jood, ellendig en rijk, teruggetrokken en gekromd in zijn vuile kaftan, een baard als een bok onder zijn kromme neus, met diepliggende van somber vuur brandende ogen en een venijnige mond, de vernederde en haatdragende paria, dorstend naar wraak, onverbiddelijk tegen de christen, zonder medelijden.»

Bouwmeester had, blijkens de schaars overgeleverde «photographieën», inderdaad een gezichtsbeharing die naar alle kanten tegelijkertijd wapperde. Hij was in een bonte verzameling vodden gestoken en de wijze waarop hij, voor het oog van het fototoestel, met zijn schuldbrief zwaaide, doet vermoeden dat zijn Shylock een allesbehalve ingetogen creatie is geweest.

Toch weten wij van hem iets méér dan van al die andere Venetiaanse beurzensnijers uit het pre- en nondiscografische tijdperk. Dit danken wij aan de «letterkundig-cynematografische» studie van Coen Hissink, gepubliceerd in het Dramatische jaarboek anno 1910. De auteur is met pen en papier in de stalles gaan zitten, waar hij tot in details noteerde wat hij zag en hoorde. Zo protocolleerde hij bijvoorbeeld de scène waarin Shylock van zijn geloofsgenoot verneemt hoe het de dissidente dochter Jessica respectievelijk de ongelukkige schuldenaar Antonio is vergaan. Naturalistisch toneelspel, op naturalistische wijze genoteerd. «En als Tubal zijn meededeeling doet van ’t door Antonio verloren galjoen, dan lacht Bouw.-Shyl. in driftig gierende pret een satanisch lachje en liefkoost Tubals hand: ‘Goeie Tubal!’ Doch dan krijgt hij de tijding dat zijne dochter op één avond tachtig ducaten heeft verdaan — en nu reageert Bouw.-Shyl driftig jammerend van leed door begeerigheid, die machteloos ’t geld-en-goed moet laten verkwisten; hij stoot Tubal woest van zich af en schreeuwt schor: 'Je boort een dolk in mijn hart!’ Als dan om hem te troosten Tubal nog eens herhaalt dat ’t niet anders kan of 'Antonio moet over de kop gaan’ — dan doet dit B.Sh. 'weer een beetje goed’, hij schurkt zich in de bonte kaftan behaaglijk de oude schouders, hij wrijft zich de buik als bij lekker eten en lacht kwijlend met labberende tong: 'Dat doet me goed!'»

Het moet precies de Shylock zijn geweest die Shakespeare voor ogen heeft gestaan — wat nog niet wil zeggen dat dit de hoogste interpretatorische wijsheid was. Vreemd soort antisemiet moet Shakespeare trouwens zijn geweest. Hij heeft 36 toneelstukken geschreven, waarin waarachtig aan ellendelingen geen gebrek is. Niettemin tellen wij onder die rond duizend toneelfiguren slechts drie joden: Shylock (rotzak), zijn vriend Tubal (goedzak) en Shylocks dochter Jessica (huppelkut), alledrie gesitueerd rond de Rialtobrug van het laat-middeleeuwse Venetië.

Een Shylock zoals Bouwmeester hem speelde, kan, een eeuw later, niet meer, om artistieke én esthetische redenen. Shylock is na (en door) de Tweede Wereldoorlog een hybridisch monster geworden, constateerde H.A. Gom perts, «een chimaera die evenals dat homerische beest de kop van een leeuw combineert met het lijf van een geit en de staart van een draak. In de negentiende eeuw was hij bijna helemaal draak en tegenwoordig bijna helemaal geit.» De joodse woekeraar werd, nadat zijn vervolgers in Neurenberg waren opgehangen, veredeld tot een soort bloedbroeder van Nathan de Wijze, en om zijn gedrag te verklaren, werden de christenen zo onsympathiek mogelijk afgeschilderd. Met name in de beide Duitslanden wemelde het van de «Wiedergutmachungs-Shylocks», wat over het algemeen de kwaliteit van het gebodene niet ten goede kwam.

De Shylock die in 1988 de plankieren van het Weense Burgtheater betrad, was een even geniale als ingenieuze uitzondering. Hij was een vitale midveertiger, gewapend met een zakjapanner, goed in het pak, hoofd in de bril cream, goedgepoetste brogues aan zijn voeten.

En hij glimlacht. Op goede gronden, constateerde een recensent, «want alleen hij, anders dan de anderen, schept behagen in het spel om leven en geld, eenvoudig omdat hij daarin bedrevener is. Hier is geen sprake van een eenzaam, opgejaagd, uitgekotst man, maar van een winnaar, goedgehumeurd, sportief, lichtvoetig en vol aanvalsdrift.»

Lachend, als om een sick joke, ondertekent hij dat contract met die merkwaardige clausule over het pond vlees, dat Antonio hem in onderpand geeft. Lachend, zij het ongelovig lachend, merkt hij dat zijn christelijke medeburgers tot nóg grotere schurkenstreken in staat zijn dan hij. Goedgemutst schikt hij zich in zijn straf, inclusief het verlies van zijn vermogen, en verlaat het toneel, binnensmonds mompelend: dames en heren, vandaag is mij een kunstje van formaat geflikt, waarvan ik mij morgen zal hebben hersteld en overmorgen zullen wij nog weleens zien wie er hier, in Venetië, aan het langste eind trekt.

Het was in ditzelfde Weense Burgtheater dat in mei 1943 de voorstelling in première ging die tot op heden als hét schandaal uit de Duits-Oostenrijkse toneelgeschiedenis wordt beschouwd. De Shylock was dit keer Werner Kraus, die niet alleen een fenomenaal acteur maar ook partijlid van het eerste uur is geweest. De meeste Duitse acteurs en regisseurs zagen in die jaren niet veel in de Kaufmann von Venedig. Speelden zij de rol van Shylock te agressief, dan werd hun door vrienden en collega’s smakeloosheid verweten; speelden zij hem te nobel, dan speelden zij met hun leven. Kraus had van dit soort scrupules geen last. Hij maakte van zijn Shylock zo'n huiveringwekkende Stürmer-karikatuur dat zelfs de SA in de stalles de rillingen over de rug liep.

Nu gold deze Kraus als dé antisemitismespecialist van de nationaal-socialistische amusementindustrie. Even eerder had hij alle louche joden (behalve de titelrol) gespeeld in de beruchtste aller nazi-films, Veit Harlans Jud Süss, waarin zo effectief tegen de joden werd gehetzt dat Heinrich Himmler na de eerste voorstelling beval dat elke SS'er hem diende te zien alvorens te worden ingezet bij het zuiveren van de Oostgebieden. Het succes van de film was zo groot dat rijkspropagandaminister Joseph Goebbels op zijn beurt Kraus en Harlan beval een verfilmde versie van hun Kaufmann von Venedig te vervaardigen. Het project ondervond echter enige vertraging. De ideologen begonnen tegen te sputteren. De versie-Kraus was hun eigenlijk niet antisemitisch genoeg. Moest er geen splinternieuwe vertaling worden gemaakt, die dichter bij het volk stond dan de klassieke vertaling van het duo Schlegel/Tieck? En kon men Shylocks wereldwijd bekende claus («Heeft een jood geen ogen, geen handen, geen ledematen, hartstochten en genegenheden…?») weglaten zonder zich onsterfelijk belachelijk te maken? En wat moest men aan met Shylocks dochter Jessica, die er ten slotte met een christen vandoor gaat, hetgeen volgens de nationaal-socialistische leerstellingen als een geval van rassenschande moest worden beschouwd?

Toen de betrokkenen waren uitgeruzied en de camera’s eindelijk in stelling konden worden gebracht, was het inmiddels november 1944 geworden, en waren bijna alle bioscopen in Duitsland tot puin gebombardeerd.

Toen ook de rest van nazi-Duitsland in scherven lag, moest Werner Kraus zich voor de autoriteiten verantwoorden. Was het geen daad van ongehoorde perfiditeit geweest om antisemitische rollen te spelen op het moment dat de joden in de concentratiekampen bij miljoenen stierven? De acteur begreep niet wat hem te verwijten viel. Hij had slechts zijn plicht gedaan in — toegegeven — kunstwerken die enkele antisemitische trekjes vertoonden. Zijn straf was een boete ter hoogte van de huidige tegenwaarde van vijfhonderd euro; binnen vijf jaar na de oorlog was hij met alle onderscheidingen behangen die er in zijn métier te vergeven zijn en tot op heden staat zijn borstbeeld in het Weense Burgtheater, schuin tegenover dat van Arthur Schnitzler, schrijver van het anti-antisemitische toneelstuk Professor Bernhardi, gespeeld in hetzelfde Burgtheater dat thans Christopher Marlowe’s The Jew of Malta op het repertoire heeft, de farce waarin de moorddadige jood Barabas een compleet nonnenklooster, inclusief zijn eigen dochter, vergiftigt — maar dat is weer een ander verhaal.

In het Museé d'art et d'histoire de judaïsme, midden in de Parijse jodenbuurt, is een tentoonstelling ingericht rond «Le juif errant», Ahasveros, de Wandelende Jood. De bijbelvorsers twisten tot op de dag van vandaag over zijn herkomst. Mogelijk is hij Simon de Schoenlapper, die Jezus Christus van zijn drempel verjoeg toen hij, met het kruis op de nek, enkele momenten wilde uitrusten. Het kan ook de joodse portier van stadhouder Pontius Pilatus zijn geweest, die Hem tijdens de Via Dolorosa een klap in het gezicht zou hebben gegeven. Wie het ook moge zijn geweest, de betrokkene werd door Christus vervloekt, ongewoon gedrag voor iemand die menselijkheid, naastenliefde en vergevingsgezindheid preekte. Of zoals Portia, Shylocks juridische executeur, ons voorhoudt: «Genade kan niet worden afgedwongen. Zij valt als zachte regel uit de hemel op onze aarde» — dezelfde aarde waarover de Wandelende Jood tot de dag van het Laatste Oordeel gedoemd is te zwerven.

Le juif errant staat op de expositie in veelvoud afgebeeld: kaftan, rode baard, gebogen gestalte, al het leed der wereld in zijn diepliggende ogen weerspiegeld. Een enkele keer hebben zijn portrettisten zich een frivoliteit gepermitteerd, bijvoorbeeld door hem reclame te laten maken voor het «apéritive tonique» Bittermouth: «Je bois du Bittermouth et marcherai toujours.» In Duitsland heeft hij als Der ewige Jude zijn entree in de klassieke literatuur gemaakt: «Ein Todes engel trat vor Ahasveros hin und sprach mit Grimme: Die Ruh’ hast du den Menschensohn versagt! Auch dieser sei Sie, Unmenschlicher, versagt.» En blijkbaar heeft hij, al wandelende, ook de Nederlanden aangedaan blijkens De Wonderlyke Historie van de Wandelenden Jode, den welken sedert het Jaer 33 tot deze ure toe, geduerig in de Weireld is dwaelende, «te koopen tot Gent, by P. Gimblet, op de Kooremerkt».

Is Ahasveros de rusteloze tweelingbroer van Shylock? Nee, daar is hij te nobel en te tragisch voor. Shylock wordt uitgelachen. Voor Ahasveros wordt met eerbiedige deernis de hoed gelicht. Hij is een allegorie, een archetype als Don Juan, Don Quichot, Faust of Falstaff, symbool voor algemeen menselijk gedrag, ten goede en ten kwade, een onjoodse jood, getuige zijn naam, die identiek is aan die van Ahasveros, koning der Perzen, die eerder een vijand dan een vriend (het boek Esther) is geweest. Hij is de liefdeshongerige zwerver uit Schuberts Winterreise. Hij is «the tramp» Charlie Chaplin, die met zijn bolhoed en zijn rottinkje het bioscoopdoek uit wandelt, op weg naar onbestemde verten.

Le marchand de Venise, gespeeld in de Salle Richelieu van de Comédie Francaise. Waar zijn wij in terechtgekomen? In een operette? Shylock aux enfers? Le juif parisienne? La fille du juif mauvais? Er wordt gedanst en gesprongen, gegoocheld en gegiebeld dat het een aard heeft, onder leiding van Shylock, die ondertussen, ook hier in krijtstreep gestoken, in alle moderne talen zijn kapitaal bij elkaar telefoneert.

Zijn dochter Jessica is bij haar eerste optreden nog de ingetogenheid zelf. Zij ontvlucht de vaderlijke woning en stort zich in het volle leven. Per kwartier oogt zij wulpser. Niets trekt zij zich aan van het feit dat de oude man, terwijl zij haar Bacardi-Cola slurpt, geschoffeerd en beledigd wordt. Nee, een voorbeeld van kinderlijke liefde en trouw kan Jessica niet worden genoemd. Niet alleen heeft zij de godsdienst van Shylocks vervolgers aangenomen, bovendien heeft zij zijn geld en juwelen gestolen, onder meer een turquoise ring die zij in Genua voor een aap heeft geruild.

«Ik heb hem van Lea gekregen toen wij nog niet getrouwd waren. Voor nog geen oerwoud vol apen had ik hem afgestaan.» Zo gevoelsarm is Shylock dus ook weer niet. Wij begrijpen plotseling iets van zijn irrationele agressie tegenover Antonio, de geloofsgenoot van de man die Jessica ontvoerde en haar tot de diefstal heeft aangezet. Zijn haat en afkeer beginnen disproportionele vormen aan te nemen. Hij moet en zal en moet Antonio het hart uit het lijf snijden, en geen veelvoud van drieduizend dukaten kan hem ertoe bewegen er afstand van te doen.

Wat moet hij in godsnaam met zo'n waardeloos stuk mensenvlees? vraagt Antonio’s vriend Salerio. Dan verduistert het toneel, gaat het zaallicht aan en slingert Shylock ons, christenen én joden, zijn verschrikkelijke en hartverscheurende monoloog in het gezicht. «Om vis mee te vangen — nou goed? Als ik er niets mee kan voederen, dan voeder ik er mijn wraak wel mee. Hij hoonde me om mijn winst, hij heeft mijn volk bespot, mijn handel gedwarsboomd, mijn vrienden afgepakt en mijn vijanden tegen mij opgestookt. En waarom? Omdat ik een jood ben! Heeft een jood geen ogen, geen handen, geen ledematen, geen zintuigen, hartstochten, genegenheden? Wordt een jood niet gevoed door hetzelfde voedsel, gewond door dezelfde wapenen, gekweld door dezelfde kwalen, genezen door dezelfde geneesmiddelen, verkild en verwarmd door dezelfde winter en zomer als de christen? Als je ons steekt, bloeden wij dan niet, als je ons kietelt, lachen wij dan niet, als je ons vergiftigt, sterven wij dan niet? En als je ons onrecht aandoet, zullen wij dan geen wraak nemen!»

Weg is de opgewekte operettesfeer, verpletterd door deze even beroemde als — veelal — verkeerd geïnterpreteerde woorden. Want weer begrijpen wij iets meer van Shakespeares zwartste komedie. Hier spreekt geen man die, namens zijn volk, smeekt om een tolerantere behandeling, hier spreekt een man der wrake. Hier spreekt geen strijder voor een rechtvaardige zaak, want de Venetiaanse woekeraar, met zijn spijkerharde karakter, is niet in rechtvaardige zaken geïnteresseerd. «Bid, bid maar tot je God! Bid! Maar niet alleen jullie christenen hebben een God. Ook wij joden hebben een God, de god der wrake. Oog om oog, tand om tand!»

Hier is overigens niet Shakespeares Shylock aan het woord, maar de vermaledijde Jud Süss, de hoofdfiguur in de nazi-film waarin de christenen tot de dood tegen de joden werden opgestookt.

Shakespeare, de ogenschijnlijke antisemiet, had geen verstand van joden. Hij kende de soort slechts bij overlevering, als ingezetene van een natie die de joden reeds in 1290 had verdreven. Die geschiedenis over dat pond vlees dat, zonder dat er een druppel bloed werd vergoten, uit het christenlichaam moest worden gesneden, had hij ergens uit de literatuur opgevist. Hoe kon hij weten dat het de joden in werkelijkheid ten strengste verboden was zich aan dit soort barbaarse praktijken te bezondigen, praktijken die elders in het religieuze spectrum niet ongebruikelijk waren? Geen vrome jood, waar ook ter wereld, zou het in zijn hoofd halen om in ruil voor drieduizend dukaten…

De Deense schrijfster Karen Blixen (Out of Africa, 1937), in gesprek met haar Somalische bediende Farah:

«'Wat!’ zei hij. 'Stond die jood niet op zijn recht?’

'Wat kon hij anders doen?’ vroeg ik. 'Dat pond vlees mocht hij hebben, onder voorwaarde dat daarbij geen druppel bloed zou vloeien.’

'Memsahib’, zei Farah, 'hij had een mes moeten hanteren dat in het vuur was verhit. Dan was de operatie bloedeloos verlopen.'»