Over Hannah Arendt, de film

Heeft het kwaad een gezicht?

‘Ik wil begrijpen, ik moet begrijpen’, zegt Hannah Arendt in de film van Margaretha von Trotta. Ze meende dat Eichmann niet de monsterlijke belichaming van het kwaad was, maar juist ‘gruwelijk en vreeswekkend normaal’. Het kwaad heeft geen herkenbaar gezicht, maar kan zich manifesteren als er een politieke bodem voor is. Zoals wellicht ook in deze tijd.

Of ze niet bang is dat haar film voor een nieuwe controverse in Israël zal zorgen? De Duitse regisseuse Margaretha von Trotta is zichtbaar verlegen met de vraag die haar na afloop van de persvoorstelling van haar nieuwste film Hannah Arendt in een overvolle zaal van Tuschinski wordt gesteld. ‘Ik hoop van niet’, begint ze aarzelend, ‘de film is al een keer in een filmhuis in Jeruzalem vertoond en de reacties waren overwegend positief. Maar volgende maand gaat hij in Amerika in première, en daar verwacht ik meer oproer.’

Overal om ons heen wordt op gedempte toon gediscussieerd. Precies vijftig jaar na Hannah Arendts boek Eichmann in Jerusalem (1963) is men het er nog altijd niet over eens. Was Eichmann een monster van demonische proporties, zoals de openbare aanklager Gideon Hausner tijdens het proces beweerde, of was hij een ‘gruwelijk gewone’ ambtenaar, die net als vele anderen onder de terreur van het naziregime geen bevelen durfde te weigeren, zoals Arendt stelde.

Haar boek veroorzaakte destijds een enorm schandaal. De internationale joodse gemeenschap was woedend en zelfs enkele van Arendts beste vrienden keerden haar – ook letterlijk, zoals in de film te zien is – de rug toe. Niet alleen omdat Arendt het waagde Eichmanns misdaden onder het begrip ‘de banaliteit van het kwaad’ samen te vatten, maar ook omdat zij als eerste de samenwerking van de joodse raden bij de deportaties ter discussie stelde.

Het rumoer in de zaal van Tuschinski zwelt aan. Dan staat een oudere man op, die roept dat hij het helemaal niet met Arendt eens is. ‘Het waren monsters allemaal! Eichmann, Göring, Goebbels: monsters!’ Von Trotta glimlacht gelaten. ‘Het waren verschrikkelijke criminelen, natuurlijk, maar Eichmann was niet de man die de beslissingen nam of de bevelen gaf; Arendt wilde vooral begrijpen hoe zo’n domme en kleinburgerlijke man tot het uitvoeren van deze gruwelijke misdaden in staat was.’

De controverse rondom Hannah Arendts verslag van het Eichmann-proces is met deze film zeker nog niet voorbij. Von Trotta, die met name deze turbulente periode uit Arendts leven belicht, geeft geen eensluidend antwoord op de Eichmann-kwestie maar laveert behoedzaam tussen Arendts even opmerkelijke als aanstootgevende visie en de woedende reacties van de joodse gemeenschap door, zodat we aan het einde van de film onze eigen conclusie mogen trekken. En dat valt nog niet mee. Ergens knaagt de onderkoelde stijl waarmee Arendt deze kwestie meende te moeten afhandelen. ‘Harteloos’, zoals Gershon Scholem haar per brief verweet. Had ze niet iets meer mededogen met de slachtoffers kunnen tonen? Of vond ze Eichmann echt alleen maar een ongelooflijke ‘Hanswurst’, die haar in de rechtszaal, waar zij als journalist voor The New Yorker ‘het proces van de eeuw’ bijwoonde, meermalen in een wanhopig lachen om zoveel stupiditeit deed uitbarsten?

Die lach heeft Von Trotta ons bespaard. De beelden van de rechtszitting, een uitgekiende mix van historisch en nieuw filmmateriaal, tonen Eichmann in zijn glazen kooi en in het publiek de ontsteld toehorende Hannah Arendt. Een absurde en gruwelijke scène. Arendts lachen zou te veel gevraagd hebben van het publiek, moet Von Trotta gedacht hebben, hoewel daarmee juist ook het krankzinnige van de situatie en het onvoorstelbare van de daden van de beklaagde verbeeld hadden kunnen worden. Voor het overige zet Von Trotta, mede dankzij het indringende spel van Barbara Sukowa, een zeer overtuigende Arendt neer. Kettingrokend worstelt ze zich door de duiding van het onvoorstelbare geweld heen, en wij, als publiek, worstelen met haar mee. Veel meer kun je van een film over een filosofe die in vrijwel al haar werken tot Selbstdenken heeft aangezet, eigenlijk niet verwachten.

Het debat over Eichmann is met deze film heropend. In Duitse recensies wordt herhaaldelijk verwezen naar een andere, recente bijdrage: het boek Eichmann in Argentinië van de Duitse historica Bettina Stagneth. Ook zij bekritiseert Arendts typering van Eichmann als ‘gruwelijk normaal’ en probeert aan te tonen dat Eichmann wel degelijk een fanatieke nazi en antisemiet was, die het zelfs nog betreurde dat hij niet alle tien miljoen joden had weten om te brengen. Deze laatste uitspraak is gebaseerd op de zogenoemde Sassen-tapes, gesprekken die de Nederlandse journalist en voormalig SS’er Willem Sassen voerde met Eichmann in de jaren vijftig in Argentinië en waarvan de opnamen en transcripties bewaard zijn gebleven.

Tijdens het proces deed Eichmann die uitspraken af als leugens en borrelpraat. Ongetwijfeld loog hij toen opnieuw, maar de vraag is of Arendts analyse daarmee meteen als onzinnig kan worden afgedaan, zoals de jurist Klaas Rozemond in Trouw beweerde. Hij vindt het onbegrijpelijk ‘dat filosofen als Hans Achterhuis nog steeds geloven in het ontbreken van kwade intenties bij Eichmann’. Sterker nog, ‘degenen die vijftig jaar na de executie van Eichmann zijn kwade bedoelingen nog steeds niet doorzien’, zijn volgens Rozemond ‘zijn laatste slachtoffers’.

In plaats van Hans Achterhuis tot het laatste slachtoffer van Eichmann te maken, had Rozemond er beter aan gedaan Arendts werk nog eens goed te herlezen. Dan zou hij namelijk al snel hebben ingezien dat Arendt de ‘kwade bedoelingen’ van Eichmann prima doorzag, dat was echt het probleem niet, maar daarmee niet wilde volstaan. Zij wilde begrijpen hoe deze brave huisvader en vele andere nazi’s tot dergelijke gruwelijkheden in staat waren en wilde er een verklaring voor proberen te vinden. Ze weigerde in te stemmen met de emotionele en wraakzuchtige retoriek van de openbaar aanklager Gideon Hausner, simpelweg omdat dit ons op een gevaarlijk dwaalspoor zou brengen.

Zo vergeleek Hausner de schriele figuur in de glazen kooi aan het begin van zijn redevoering met ‘klassieke figuren van barbarisme als Nero, Atilla en Djenghis Khan’, en stelde dat ‘zelfs hun daden zouden verbleken in betekenis wanneer ze worden afgezet tegen de moorddadige afgrijselijkheden die in deze rechtszaak zullen worden gepresenteerd’. Voor Hausner was de zaak duidelijk: Eichmann was de meest schrikwekkende demon die de geschiedenis van de mensheid ooit had voortgebracht. Hij stelde hem verantwoordelijk voor alle nazimisdaden die tijdens de oorlog waren begaan en noemde hem aan het slot van zijn betoog ‘nog erger dan Hitler’. Hij eiste de doodstraf en deze werd op 29 mei 1962 ook voltrokken.

Arendt was het weliswaar met de strafmaat eens, alhoewel zij en haar echtgenoot Heinrich Bluchner aan levenslang de voorkeur gaven, maar zij bekritiseerde de demonisering van Eichmann, omdat die juist voorbijging aan wat volgens haar het meest zorgwekkende en onheilspellende aspect van de hele zaak was: dat Eichmann geen abnormale, monsterlijke belichaming van het kwaad was, maar dat hij integendeel juist ‘gruwelijk en vreeswekkend normaal’ was. Hiermee was een nieuw type moordenaar opgestaan, meende zij, de zogenaamde ‘bureaucrimineel’, die dacht met schone handen en dito geweten de ergste misdaden te kunnen plegen. Ze vond de illusie die door Hausner werd gewekt dat het kwaad een duidelijk herkenbaar gezicht zou hebben misleidend en zelfs gevaarlijk. Het kwaad is volgens haar een fenomeen dat zich sluimerend een weg baant door de geledingen van een samenleving en tot uitbarsting kan komen als de omstandigheden maar slecht genoeg zijn. Een ander gevaar van de demonisering van Eichmann was volgens Arendt dat er voorbijgegaan werd aan de ‘totale ineenstorting van de morele normen en waarden die de nazi’s veroorzaakten in Europa’. Voor haar ging het erom te begrijpen hoe het morele gebod ‘Gij zult niet doden’ moeiteloos werd omgedraaid in het tegendeel: ‘Gij zult doden’, zonder dat de Duitse bevolking hiertegen in opstand kwam. In de film wordt deze scène treffend en ontroerend neergezet in een dialoog tussen Arendt en haar man; de verbijstering is van hun gezichten te lezen. Het was niet genoeg om te zeggen dat Eichmann zijn oren voor de stem van zijn geweten had gesloten, zoals de rechters tijdens het proces beweerden. Het was veel erger, stelde Arendt. Eichmanns geweten was een zwart gat geworden, dat geen enkel onderscheid meer tussen goed en kwaad kon maken. ‘Niemand heeft mij ooit iets verweten bij de uitvoering van mijn taken!’ riep Eichmann tijdens het proces keer op keer. Op dit punt sprak hij waarschijnlijk de gruwelijke waarheid.

In plaats van de gemakzuchtige retoriek van Hausner te omarmen, wilde Arendt begrijpen hoe een groep mensen tot zulke gruweldaden in staat was. ‘Ik wil begrijpen, ik moet begrijpen’, horen we Arendt een paar keer in de film zeggen. Niet alleen om het onvoorstelbare geweld van de holocaust te kunnen duiden, maar ook om te voorkomen dat het nogmaals plaats zou kunnen vinden. Een paar jaar voor het Eichmann-proces had ze in haar boek Origins of Totalitarianism (1958) al de voorwaarden voor het uitbreken van een dergelijke terreur geanalyseerd. Totalitaire regimes proberen volgens haar met behulp van angst, terreur en indoctrinatie de verscheidenheid van een volk om te smeden tot één gelijkvormige en volgzame massa. Ze willen niet zozeer de samenleving veranderen, als wel de menselijke natuur. Ze willen deze zo transformeren dat alles wat er essentieel aan is – pluraliteit, vrijheid en nataliteit – vernietigd wordt ten bate van de ene ideologie. Het resultaat is dat burgers niet langer zelfstandig kritisch kunnen of durven nadenken, geen verzet meer plegen en geen zelfstandig oordeel meer vellen. Het kwaad dat ze dan aanrichten, komt niet voort uit een aangeboren satanische inborst, zoals Hausner zijn publiek wilde doen geloven, maar uit een gebrek aan moed, denkkracht en politiek bewustzijn.

Later, in de inleiding op haar boek The Life of the Mind (1971), schreef Arendt dat zij zich goed realiseerde dat haar notie van de ‘banaliteit van het kwaad nogal indruist tegen onze klassieke notie van het kwaad, die traditioneel belichaamd wordt door Satan’, maar dat hetgeen waarmee zij tijdens het proces werd geconfronteerd juist iets totaal anders was. Ze werd getroffen door ‘de oppervlakkigheid van de dader, die het onmogelijk maakte om de onbetwistbare slechtheid van zijn daden tot diepere drijfveren te herleiden’. Zijn misdaden waren monstrueus, maar hij had zelf niets demonisch of monsterachtigs. ‘Het enige wat opviel’, schrijft ze, ‘was iets puur negatiefs; geen stompzinnigheid, maar gedachteloosheid. Zijn van clichés vergeven taalgebruik leverde op het podium een soort griezelige komedie op.’

Die clichés en stereotiepe spreekwijzen hadden volgens Arendt ‘de functie om hem tegen de werkelijkheid te beschermen, dat wil zeggen te beschermen tegen de claim die de gebeurtenissen op zijn intellectuele aandacht konden doen gelden’. Het was gewoon niet mogelijk met deze man te communiceren, niet zozeer omdat hij loog, als wel omdat hij niet nadacht en zich volkomen afschermde van de woorden en de aanwezigheid van anderen.

In plaats van Arendts verslag van het Eichmann-proces als onzinnig af te doen, zoals Rozemond voorstelt, lijkt het me zinvoller dat we ons ook vandaag de dag realiseren dat apocalyptische betogen van welke aard dan ook ons inzicht in geweld niet vergroten maar versluieren. Wie het kwaad als een demonisch fenomeen neerzet, heeft geen oog voor de microfysica van het geweld, die met name om zich heen kan grijpen als mensen zich bedreigd voelen, als de sociaal-economische omstandigheden verslechteren en als er politici aan het bewind zijn die angst prediken en terreur zaaien. Het kwaad kan volgens Arendt als een zich oppervlakkig vertakkend wortelgestel – en alleen in die zin ‘banaal’ en niet diep – om zich heen gaan grijpen als er kortom een politieke bodem voor is, dat wil zeggen een bodem waar weinig gereflecteerd en gedebatteerd wordt, waar politieke kwesties tot economische worden gereduceerd en, bovenal, waar pluraliteit wordt vervangen door de bevoorrechting van een specifieke groep.

Hannah Arendt heeft in haar latere werk gewaarschuwd dat we ook in posttotalitaire samenlevingen waakzaam moeten blijven voor ontwikkelingen die het democratisch bestel ondermijnen. Ze deed dit als auteur van filosofische en politieke stukken, als journalist, als veelgevraagd debater en in de jaren zestig en zeventig vanuit haar functie van hoogleraar politieke wetenschappen aan de universiteiten van Chicago en New York. Arendt noemt enkele concepten om het democratische gehalte van een samenleving te kunnen toetsen: politieke betrokkenheid van de burgers, een levendige debatcultuur, pluraliteit die ook tot uitdrukking komt in de politieke vertegenwoordiging en nataliteit, in de zin van de geboorte van een nieuw perspectief, een nieuwe visie, een nieuw oordeel of een nieuw standpunt. Het meten van de economische groei per hoofd van de bevolking is een te smalle basis om de welvaart van een maatschappij te beoordelen. Het is veel belangrijker om te kijken hoeveel waarde er aan onderwijs, aan cultuur en aan politieke debatten wordt gehecht.

Als er al een les uit het Eichmann-verslag van Hannah Arendt geleerd zou kunnen worden, dan is het deze: het is moeilijk om de mens tegen de mens te beschermen als we de schuld voor ‘het Kwaad’ bij één onmens, bij één zogenaamde duivel leggen. Het is al even moeilijk als bepaalde groepen mensen andere groepen van deelname aan de gemeenschappelijke wereld uitsluiten. Er is waarschijnlijk meer kans van slagen als irreële angsten bezworen worden en elke partij aan tafel wordt genood om, op welke wijze dan ook, deel te nemen aan een openbaar gesprek over die wereld. In Hannah Arendts visie betekent dit niet anders dan een ieder uit te nodigen ‘mens te zijn’.

In de geschiedenis zijn er vaker tijden geweest, schreef zij in Men in Dark Times, waarin de openbare sfeer dermate verduisterde dat de mensen zich alleen nog om hun eigen belangen bekommerden, geen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de wereld meer voelden en de openbare sfeer van de politiek en het bestuur minachtten. Ze waarschuwde voor de dreiging van wereldloosheid die ons in dergelijke duistere tijden boven het hoofd kan hangen: ‘Het is een angstwekkend wegkwijnen van alle organen waarmee wij op de wereld gericht zijn – te beginnen met de gemeenschapszin en het gezond mensenverstand, waarmee we ons in de gemeenschappelijke wereld oriënteren, tot onze zin voor schoonheid of onze smaak, waarmee we de wereld liefhebben.’ Een dergelijke wereldloosheid leidt volgens Arendt bijna altijd tot barbarij en ontmenselijkte menselijkheid, kortom tot het kwaad en tot de transformatie van brave huisvaders in gewetenloze nazi’s. Voor haar ging het in al haar werk erom te voorkomen ‘dat menselijkheid opnieuw een frase of een hersenschim wordt’.

Nu, bijna veertig jaar na haar overlijden, lijken haar politieke analyses en haar angst dat wereldloosheid om zich heen zal grijpen, opnieuw naderbij te komen. De sterk groeiende belangstelling voor haar werk is niettemin bemoedigend. De stapel publicaties die over het denken van Hannah Arendt verschijnt is amper bij te houden. Blijkbaar zijn er velen die haar zorgen delen en met behulp van haar werk het tij van individualisme, consumentisme, xenofobie en politieke desinteresse willen doen keren. De film die Margaretha von Trotta over Hannah Arendt maakte zal hopelijk een deel van het publiek ertoe inspireren om ook kennis te nemen van haar gedachtegoed.


Joke Hermsen is schrijfster en filosofe. Samen met Dana Villa publiceerde zij in Amerika een boek over Hannah Arendt, The Judge the Spectator. Haar meest recente boek is de roman Blindgangers. Margaretha von Trotta’s Hannah Arendt is vanaf 2 mei in de bioscoop te zien