Frits Abrahams, Liefde en ander leed

Heeft hij poezen?

Frits Abrahams

Liefde en ander leed

Uitg. Prometheus, 226 blz., € 14,95

Hoe moeilijk het schrijven van een column is, wordt dagelijks bewezen door de columns die de gemiddelde krantenlezer over zich uitgestort krijgt. Ze houden het lafhartige midden tussen persoonlijk geneuzel en belegen analyses van de wereldproblematiek, en roepen voornamelijk een enorme gaaplust op. Een kek getekend of gefotografeerd portretje verandert daar weinig aan. Schrikbarend genoeg blijkt dat wanneer tijdens een gezellig etentje of partijtje het vaderlandse columnistenwezen ter sprake komt, en wanneer gebeurt dat eigenlijk níet, er altijd nagenoeg eensgezindheid heerst over welke columnist wel of niet de moeite van het lezen waard is. Schrikbarend, omdat dan natuurlijk de vraag rijst wie al die andere stukjes dan eigenlijk wél aardig vindt of nog leest.

Een goede columnist verrast, prikkelt en amuseert, en áls hij over zijn poezen schrijft doet hij dat in stijl. Met een goede columnist bouw je als het ware een vertrouwensrelatie op: zegt hij dat moordenaars geen interessante mensen zijn, dan moet het wel zo zijn. Voor het echter zover is, heeft hij — of zij, ik bedoel hier steeds mannelijke én vrouwelijke columnisten — je moeten zien te vangen. Niet met zijn levensbeschouwing, ook niet met zijn liefdesleven, maar met zijn toon. Eenmaal gevangen blijft de lezer meestal wel in zijn greep.

Twee gevaren blijven op de loer liggen. Allereerst de min of meer persoonlijke confrontatie met de mens achter de columnist — op straat, op een podium of op de televisie — waardoor iemands cursiefjes in een ander daglicht komen te staan. Dit is een ongrijpbaar fenomeen, dat nog het meest te maken heeft met een magie die doorbroken wordt. Zo kwam ik er pas na lange tijd achter dat ik de strips van Sigmund niet meer zo leuk vond nadat ik een uitgebreid interview met de tekenaar had gelezen, en de platen van Patti Smith niet meer draaide nadat ik haar eindelijk had zien optreden.

Het tweede gevaar is dat het succes van een columnist zich tegen hem keert. Iemand die verrassend leuk over televisie blijkt te kunnen schrijven, wordt na enige jaren beloond met een prominente plek in de krant en vervalt ter plekke in stuur- en zouteloosheid. Een schrijver in wie het geestigste naar boven werd gehaald met een scherp gesneden column in de ene krant, verzuipt tussen de life style-rubriekjes in de andere krant. Een columnist wiens stukjes een oase vormden in een oersaai katern, blijkt de vleesgeworden grijze gehaktbal zo gauw hij in kleur wordt afgedrukt. Verwant aan dit laatste gevaar is de bundeling. Wat bedoeld was voor het moment, krijgt plotseling gestolde status. En ook: wat oorspronkelijk een eenhapsbrok was, wordt nu in een grote hoeveelheid opgediend. Zijn maag en geest hiertegen bestand?

Een selectie van de «Dag»-columns die Frits Abrahams op werkdagen in NRC Handelsblad publiceert, werd onlangs gebundeld in Liefde en ander leed. Voor deze bundeling werden stukken gekozen die, in de ruimste zin des woords, met liefdesaangelegenheden te maken hebben. Wat niet heeft verhinderd dat ook zijn stukje over de begrafenis van Martin van Amerongen erin is opgenomen, «Afscheid» («al die tijd stond de zon schandelijk blakend aan de hemel»), evenals «zijn» 11 september.

Frits Abrahams behoort tot het handjevol columnisten dat ik trouw volg. Ik lees hem bijna net zo graag als wijlen Renate Rubinstein. Bijna, omdat gestileerde Carmiggelt-achtige bedaagdheid het nu eenmaal toch moet afleggen tegen gestileerde persoonlijke opwinding. Maar het is Abrahams als geen ander gelukt de dagelijksheid tot kunst te verheffen. Ik raakte in zijn greep toen hij nog televisiekritieken schreef. Of het nu om de martelpraktijken van Wim Kayzer ging of over de uiterste houdbaarheidsdatum van de Amerikaanse serie New York Police, ik vond zijn stukjes altijd leuk en verstandig, in toenemende mate. Zozeer dat áls tijdens zo’n gezellig etentje of partijtje het vaderlandse columnistenwezen wordt doorgenomen en iemand ook een kritische noot denkt te moeten kraken ten aanzien van de columns van Frits Abrahams, ik het niet hoor of niet geloof. Hoezo te vaak over zijn poezen? Hééft hij dan poezen? Alleen maar een zwerfkatje toch? Liefde maakt blind. Over dat verschijnsel gaat een van de mooiste columns in deze bundel, «Geheim» getiteld. Hierin beschrijft hij een ontmoeting met een vroegere collega, «een kleine donkere vrouw met een pittig gezicht». Haar uitlatingen over het gezamenlijke verleden openen even een onbekend vergezicht. Het is zo’n moment waarop Abrahams zich het liefst onmiddellijk uit de voeten maakt. Misschien laat ik, zeker als ik de stukken achter elkaar lees, de schaduw van Carmiggelt iets te veel meekuieren, maar Abrahams laat de saaie droplullerigheid wel erg graag zegevieren. In al zijn kraakheldere nuchterheid wordt hij zelf bijna een man met een geheim. Beter kun je het als columnist waarschijnlijk niet voor elkaar hebben.