Ook bij een IQ van zeventig?

Heeft iedereen recht op kinderen?

Staatssecretaris Ross van Volksgezondheid wil verstandelijk ge handicapten ont moe digen kinderen te krij gen. De Raad voor de Kinderbescher ming oppert zelfs gedwon gen anti conceptie. Zijn kinderen een mensen recht? Bij een IQ van zeventig?

«We ouwehoeren hier de héle dag over seks. We maken er continu grappen over.» Jeroen – 26 jaar, dun snorretje, matje in de nek en een oorbelletje – heeft het hoogste woord. Aan tafel zitten vijf bewoners van een inloophuis van Aveleijn, een zorginstelling voor volwassenen en kinderen met een verstandelijke handicap in de regio Twente. Aveleijn heeft ruim duizend cliënten die professioneel worden begeleid. Sommigen krijgen zes uur per week hulp, anderen 24 uur per dag. Het inloophuis, een huiskamer met een keukenblok, is gevestigd in een nieuwbouwwijk van Almelo. De bewoners hebben een eigen kamer en worden ondersteund door Marianne Wilbers.

Het gesprek gaat over seksualiteit, relaties en kinderen krijgen. Sinds staatssecretaris Ross het voorstel deed om de kinderwens van verstandelijk gehandicapten te ontmoedigen, zit de schrik er bij iedereen in. Jeroen: «Ik ben bang voor ‹knipknip›» – waarmee hij gedwongen sterilisatie bedoelt. De andere bewoners van het inloophuis knikken ernstig met hem mee.

Jeroen: «Ik heb een vaste relatie met Bernadette. Ze is niet stabiel, en het zou onverstandig zijn om met haar kinderen te krijgen. Ik pas wel eens op de kinderen van mijn zus. Na drie uur ben ik uitgeput. Dan ben ik het goed zat. Opvoeden lijkt me zwaar. Je moet iemand leren wat goed en fout is. Dat moet ik zelf nog leren. Maar ik wil wél de baas over mijn eigen lichaam blijven en altijd de mogelijkheid open houden.»

Johannes (24 jaar), een knappe blonde jongen met lichte ogen, heeft geen vaste relatie, maar als hij een vrouw zou hebben die «sterk genoeg» is, zou hij het misschien overwegen: «Ze kunnen in Den Haag hoog of laag springen, maar bij mij komt er geen sneetje in.»

Jeannette (39 jaar), met losse relaties, is stellig: «Ik wil nooit kinderen, omdat ik van mezelf weet dat ik het niet aankan. Als een baby huilt, zou ik keihard terugschreeuwen. Ik ben bang dat ik een kind wat zou aandoen. Dat vind ik niet prettig.»

Alex (36 jaar), die verschillende vriendinnen heeft gehad, zegt: «Mijn tweelingzus, we zijn twee-eiig, heeft drie kinderen, dus ik weet waar ik het over heb. Een kind is het mooiste schepsel op aarde, maar niet voor mij. Door mijn erfelijkheid is de kans groot dat mijn kinderen ook zo worden als ik. Ik zou er nooit voor kunnen zorgen.» Zijn argumenten: «Elke dag vroeg opstaan, ’s nachts het bed uit, kleren kopen en alles wat er bij komt kijken.»

De anderen delen zijn bezwaren. Bij iedereen leeft bovendien de angst dat het kind ze na verloop van tijd wordt afgenomen door de Kinderbescherming. Daar hebben ze veel over gehoord en dat klinkt als een regelrechte nachtmerrie.

Er wordt even een rookpauze ingelast. Bijna iedereen staat op het balkon. Van overheids wege is tot in hun huiskamer een wettelijk rookverbod opgelegd. Dat roept misschien nog meer weerstand op dan de discussie over verplicht ingrijpen bij een kinderwens. «Wat een betutteling!» roepen ze boos.

Marianne Wilbers, die al twintig jaar dit werk doet, is apetrots op haar groep: «Ze praten makkelijk over seks en voortplanting en kunnen zich bij problemen helder uitdrukken. Twintig jaar geleden was dat totaal anders. Door goede voorlichting is het onderwerp normaal geworden. Een kinderwens leidt bijna altijd tot de beslissing het niet te willen. Zodra een meisje menstrueert krijgt zij, in overleg, de prikpil of een gewone pil, mannen gebruiken een condoom. Dat levert eigenlijk nooit een probleem op.»

Jeroen: «Als een ander gaat bepalen dat bij ons voortplanting collectief geblokkeerd wordt, dan vind ik dat politiek gezien link. Over tien jaar is het opeens iets anders wat wij niet meer mogen. Onze keuzevrijheid, die natuurlijk beperkt is, moeten we behouden. Nu al mogen we niet meer roken in de huiskamer, maar ons is niks gevraagd. Straks bemoeit deze regering zich met alles. Daar verzet ik me tegen.»

Vorige week verscheen het rapport van een onderzoek naar ouderschap en verstandelijk gehandicapten dat werd uitgevoerd in opdacht van staatssecretaris Ross. Wat hulpverleners al lang wisten, is nu door de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit gekwantificeerd. De conclusie is dat tweederde van de verstandelijk gehandicapte ouders ernstig tekortschiet in de opvoeding. Bij ruim de helft van de gezinnen zijn de kinderen uit huis geplaatst of zijn er signalen van verwaarlozing of mishandeling. Het totale aantal gezinnen met verstandelijk gehandicapte ouders wordt geraamd op 1549. «Een gering aantal, dat een ander licht werpt op de aanzienlijke maatschappelijke onrust die bestaat over dit thema», constateren de onderzoekers.

Leo Roelvink, hoofd zorg van Aveleijn, is het met deze stelling eens. Het echte probleem zit namelijk niet in zijn zorgsector, maar bij zwakbegaafden die daarbuiten vallen en waarop hij dus minder zicht heeft. Het rapport, dat alleen betrekking heeft op zijn werkterrein, verbaast hem niet. Roelvink: «Een verstandelijke handicap en kinderen sluiten elkaar in feite uit. Opvoeden is complex en vergt een lange looptijd. Dat kan alleen als er intensieve hulp wordt geboden. Deze groep wordt gekenmerkt door een tekort in intellectueel functioneren en een gebrek aan maatschappelijke aanpassing. De grens die wordt gehanteerd is een IQ van zeventig of lager. Tussen zeventig en tachtig noemen we zwakbegaafd. Het is ook te meten via een zelfredzaamheid-schaal: kan iemand met geld omgaan, sociale contacten hanteren, veilig in het verkeer bewegen of zichzelf goed verzorgen? Voor alle duidelijkheid: niemand heeft recht op een kind, ook verstandelijk gehandicapten niet. Het is omgekeerd: het kind heeft recht op een veilige, goede opvoeding. En daar zit meteen het spanningsveld.»

Openheid over seksualiteit en eventuele kinderwensen is volgens Roelvink de enige manier om problemen te voorkomen: «Vanuit onze zorgrelatie móeten we ons bemoeien met dit onderwerp. Verbod helpt niet, overtuiging wel. Bovendien kunnen mensen uiteindelijk hun zorgcontract opzeggen, en dan verdwijnen ze met kind en al uit ons zicht. Doordat het wordt aangekaart, komen ze meestal zelf tot de conclusie dat het beter is van niet. Een hulpverlener heeft veel status en ze luisteren goed. We wijzen ze op kinderen uit hun omgeving, ze gaan een keer oppassen, en dan zien ze wat het in de praktijk betekent. We oefenen niet met de babypop, omdat die methode omstreden is; het werkt eerder stimulerend dan afstotend.»

Het gaat bij Aveleijn om een gering aantal mensen met een serieuze kinderwens. Per jaar zijn dat er ongeveer tien. Minder dan de helft daarvan zet uiteindelijk door. Ieder geval dat wordt afgeblazen, ervaren hulpverleners als een overwinning. Soms gaat het goed, maar meestal is ouderschap zeer problematisch: met veel ondersteuning proberen hulpverlening en familie een zo goed mogelijke opvoeding te garanderen. Het kost veel geld: ongeveer 35.000 euro per jaar per kind. Vanaf de geboorte zit de Kinderbescherming er bovenop. De kans op schade voor een kind is groot. Vaak gaat het uiteindelijk toch mis en worden kinderen aan de ouderlijke macht onttrokken. Dat is óók voor de ouders emotioneel een drama.

Roelvink: «We kunnen en willen uiteindelijk niemand dwingen. Dat raakt aan de privacy en de integriteit van het lichaam. Er zijn geen wettelijke middelen, zelfs niet voor de groep die onder bewind staat. Ook al zijn zij door de rechter wilsonbekwaam verklaard, als iemand zich fysiek verzet tegen anticonceptie mag je niet doorzetten. Tenzij het gaat om een medische indicatie.»

Met seksuele voorlichting loopt Aveleijn landelijk voorop. Maar de praktijk blijft lastig, omdat er een zwakke relatie is tussen kennis en ervaring, aldus Roelvink. Hij vertelt de anek dote van de banaan en het condoom, die volgens hem altijd leidt tot gelach maar precies illustreert hoe deze groep omgaat met kennis: «Als we uitleggen hoe een condoom werkt, doen we het voor op een banaan. Maar wat bleek? Een stelletje had het keurig nagedaan, maar legde de banaan met condoom op het nachtkastje en ging vervolgens zonder bescherming met elkaar naar bed.» Clustermanager Anita Hilbrink zegt: «Hoofd, hart en huid, die drie gaan niet samen. Het lichaam is volwassen maar het hoofd is nog kind. Bij voorlichting moet je alles concretiseren en herhalen.»

Leo Roelvink, psycholoog, werkt ruim 25 jaar in de zorg. Hij ziet dat de discussie over de gespannen verhouding tussen de lichamelijke integriteit en autonomie van ouders enerzijds en de rechten van het kind anderzijds steeds weer terugkomt. Meestal gebeurt dat naar aanleiding van een ernstig incident, zoals nu ook het geval was met een overleden baby van een verstandelijk gehandicapte moeder. Roelvink: «Een collectieve ingreep van overheidswege vind ik te grof en onwenselijk. Je moet altijd per persoon blijven beoordelen. Wel vind ik dat zorginstellingen de plicht hebben dit thema, en dat geldt ook voor seksueel misbruik, structureel en actief aan te pakken. Excessen kun je voorkomen, maar veel instellingen laten het onderwerp liggen en gaan pas aan de slag als er iets mis gaat.»

Hij wijst erop dat de helft van de mensen met een verstandelijke handicap niet in het vizier van een zorginstelling zit. Dat betekent dat van de naar schatting 120.000 mensen met een IQ lager dan zeventig in Nederland er zo’n zestigduizend zonder professionele hulpverlening leven en gewoon kinderen krijgen. «Ze worden soms opgevangen door een sociaal netwerk. Maar vaak ook worden ze niet als zodanig onderkend. Ze leven in gewone wijken. Deze mensen krijgen meestal veel kinderen en daarbij gaat heel, heel veel mis. Kinderen worden soms uit huis geplaatst. Het is het paard achter de wagen. Van deze groep komt een enkele keer iemand bij ons binnen, aangemeld via maatschappelijk werk, als het met een of meer kinderen spaak loopt. Dan kunnen we hen begeleiden bij de opvoeding, en vooral ook: proberen met alle agogische middelen gezinsuitbreiding te voorkomen.»

Een voorbeeld daarvan is Peggy Beekman (26 jaar, zwakbegaafd). Ze werd door de maatschappelijk werkster via haar tweede kind bij Aveleijn aangemeld. Op dat moment woonde ze in een van de slechtste wijken van Almelo met haar twee zoontjes Etienne en Urvin. Beiden zijn van dezelfde Surinaamse vader, maar die erkent zijn kinderen niet. Alles wat er mis kon gaan, ging mis. Om Peggy heen heersten de wetten van drugs, criminaliteit en overlast. Haar opleiding tot kok aan het ROC maakte ze niet af. Ze werd op haar negentiende zwanger. Met haar moeder (47) kon ze goed opschieten. In het weekend gingen ze samen naar discotheek De Index vlak over de Duitse grens of salsa dansen in Rotterdam. Maar haar moeder kreeg baarmoederhalskanker. Voor Peggy viel haar belangrijkste steun weg.

Sinds Peggy zelfstandig woont in een rustige nieuwbouwwijk in het dorpje Tubbergen, ver van haar oude buurt, gaat het beter. Haar leven is totaal veranderd: het huishouden runnen en voor de kinderen zorgen. En ze gaat in het weekend nooit meer uit. Peggy meent dat de bewoners in dit «boerengat» haar maar raar vinden. Ze schaamt zich dat ze begeleiding krijgt: «Dat staat op mijn voorhoofd als ik door de buurt wandel.»

Volgens begeleidster Elly Assen, aanwezig bij het gesprek, is Peggy achterdochtig. Ook hulpverleensters bekijkt ze met argusogen. Ze is doodsbang dat ze wordt gecontroleerd en dat de kinderen haar straks worden afgenomen. Met veel moeite laat ze iemand toe in haar huishouden. Peggy knikt bevestigend. Want ze vindt dat ze «een hele goede moeder is» en noemt zichzelf «volkomen normaal». Ze zegt fel: «Niemand moet aan mijn kinderen komen, ik kan het best wel prima aan. Alleen moet ik leren streng te zijn.»

Vooral met Etienne, acht jaar, heeft ze problemen. Peggy: «Hij luistert slecht naar me.» Assen: «Zijn taal en motoriek lopen achter. Hij wordt met een busje een paar keer per week naar bijzonder onderwijs gebracht.»

Peggy heeft zich voor dit gesprek, meldt ze trots, extra mooi opgemaakt en leuk aangekleed. Ze vertelt uitgebreid over de vader: drugs, diep in de schulden, veel ruzie, ongeduldig tegen haar kinderen. Over haar oude leven zegt ze plompverloren: «Het ligt allemaal aan familie Jansen van de overkant. Hij heeft mijn zoon verkracht. Hij zit er nog mee en plast in zijn broek. Als ik daar was gebleven, was ik nu dood geweest. Ik zou liever niet hier wonen en mijn oude leventje terug hebben. Het is hier zó vreselijk stil. Ik mis een goede vriendin en daarom chat ik veel op de computer. Ik doe het omdat ik niet wil dat mijn kinderen crimineel worden.»

Via Aveleijn kreeg ze enkele jaren geleden dit huis – dat kaal en keurig is ingericht – en zes uur begeleiding per week voor de opvoeding. Haar schulden werden gesaneerd. Vooral Peggy’s moeder heeft er achteraan gezeten dat deze oplossing er kwam. Peggy werkt met tegenzin mee: «Ik ben heel trots op mijn kinderen, en hoop dat ik over tien jaar samen met ze naar de disco kan. Ze moeten gelukkig worden en een goede meid tegenkomen om mee te trouwen en kinderen te krijgen.»

Assen: «Bij de opvoedingsbegeleiding draait het om conditioneren. Herhalen, herhalen en nog eens herhalen. We zitten vaak tussen de Kinderbescherming en het gezin in. Ons doel is de kinderen bij de ouders houden, een beetje structuur aanbrengen en leren positief om te gaan met opvoeden. Bij de meesten gaat het niet goed, de kinderen zitten vaak op bijzonder onderwijs. We hebben bijvoorbeeld een gezin met acht dochters. Allen zijn zwakbegaafd en ze zijn er met een loverboy vandoor gegaan. Als een gezin eenmaal is aangesloten bij een zorg instelling, dan hebben we invloed en kunnen we een nieuwe kinderwens afremmen.»

Volgens staatssecretaris Ross wordt de kinderwens echter te weinig ontmoedigd. In de jaren tachtig was dat volgens hulpverleners inderdaad wel het geval, maar inmiddels niet meer. Het echte probleem zit namelijk in de sociaal zwakke wijken, buurten waar SBS6 kwetsbare mensen à la de Tokkies laat leeg lopen voor de camera. Of in geïsoleerde plattelandsdorpen waar veel incest voorkomt en grote gezinnen leven met kinderen die net als hun ouders zwakbegaafd zijn.

De vicieuze cirkel doorbreken, dat is wat de Raad voor de Kinderbescherming wil. «Wij ervaren ons werk als dweilen met de kraan open», aldus Gert de Jonge van de Kinderbescherming. Ze zien dagelijks gevallen waar het ene kind na het andere uit huis wordt geplaatst en de ouders toch weer beginnen aan een nieuwe baby.

De Jonge: «Er gaat diepe ellende achter schuil. Het maakt hulpverleners soms wanhopig. Sociaal-maatschappelijk is het in feite onaanvaardbaar. Wij denken vanuit het recht van kinderen en niet vanuit het recht van ouders.»

De Kinderbescherming, onderdeel van het ministerie van Justitie, presenteert binnenkort ook een rapport over ouderschap en zwak begaafdheid met ongeveer dezelfde strekking als het onderzoek van de staatssecretaris. Alleen is de conclusie harder. Het standpunt is: «Als opvoeder(s) vaardigheden niet kunnen garanderen en een geestelijk vermogen hebben dat sterk achterblijft, dan is ingrijpen noodzakelijk. Hoe langer het duurt, des te meer schade voor het kind ontstaat. Wanneer ouders niet aanspreekbaar zijn en het ernaar uitziet dat telkens opnieuw moet worden ingegrepen, dan is het goed om gedwongen anticonceptie bespreekbaar te maken. De Raad vindt dat kinderen krijgen betekent kinderen opvoeden. Daar zijn opvoedingsvaardigheden voor nodig. Kinderen hebben recht op fysieke veiligheid, structuur, empathie en het recht op te groeien als eigen individu.»

Maar dwingen tot anticonceptie raakt aan de zwaarbeladen vraag: wie mag zich wél en wie mag zich níet voortplanten? Dennis Cohen van de Kinderbescherming weet dat fysieke dwang juridisch en ethisch lastig is. Op dit dilemma heeft volgens hem niemand een goed antwoord: «We willen in ieder geval dat hierover een forse politieke discussie komt. Minder vrijblijvend dan voorheen.»