Heel fijntjes

RICUS VAN DE COEVERING
SNEEUWEIEREN
Van Gennep, 176 blz., € 17,90

Met zijn debuut Sneeuweieren presenteert Ricus van de Coevering (1974) zijn lezer een klein verhaal, over een gezin op het traditionele platteland van Brabant. Op een kalme toon vertelt hij beetje bij beetje wat zijn personages bezighoudt. Moeder Olga had ooit de jeugddroom zangeres te worden, vader Harm heeft een rommelende pluimveeboerderij en adoptiezoon David verstopt zich in natuurwetenschap om de realiteit niet onder ogen te hoeven zien dat hij gepest wordt op school.

Nou ja, niet zo veel bijzonders, lijkt het. Met deze drie personages en dat ene decor moeten we het doen. Als David op een avond in het moeras is en vader Harm net gaat jagen voel je de bui al hangen. Weinig verrassend.

Van de Coevering legt het er soms iets te dik op. Hij illustreert de dreiging van moderniteit door te vertellen hoe moeders provinciale kerk wordt verbouwd tot een bioscoop. Hij laat Harm dingen denken als: ‘Hij vroeg zich af waarom het adoptiebureau uitgerekend David voor hem had uitgekozen. Waarom geen Pools kindje? Polen stonden bekend als harde werkers. David wilde later gaan studeren. Studerende kinderen waren eigenwijs en duur.’ Even later vertelt Van de Coevering en passant hoe Harm zichzelf bevredigt, met behulp van een kip. Oké. Harm is een kippenneuker. Maar ook zonder dat beeld was dat de lezer al duidelijk.

De klap komt het hardst als je hem niet verwacht. Want waar het eerste deel van het boek een wat plichtmatige verhandeling geeft over een gezin op de drempel tussen modern en traditioneel, laat het tweede deel een zeldzaam naargeestige smaak achter. Nu is alleen de moeder aan het woord en de sympathie die Van de Coevering in het eerste deel voor haar heeft opgebouwd gebruikt hij nu ineens tegen de lezer.

Er is hier niet één citaat dat de sfeer illustreert. In de interne monoloog van de rouwende moeder houdt Van de Coevering heel fijntjes de balans tussen de emotionele observaties, die de nuchtere lezer zonder meer accepteert, en vervreemdende gedachten die haar langzaam naar de afgrond trekken. Gedachten die steeds meer godsdienstig worden, totdat er op het laatst alleen nog een catharsis mogelijk is die aan beklemmendste stukken in Knielen op een bed violen doet denken. Listig houdt Van de Coevering de lezer op het puntje van zijn stoel – om vervolgens die stoel venijnig onder hem uit te trekken.