Bouwen tot in de hemel

Heel Holland de hoogte in

Denkend aan Holland zie ik lage rijtjeshuizen door oneindige buitenwijken gaan. Maar steeds meer snel groeiende steden kiezen voor hoogbouw. Gaat Nederland de lucht in?

Bij het station van Eindhoven komen drie woontorens ontworpen door bureau Powerhouse Company © Beauty and The Bit

‘Hoogbouw in Eindhoven? Ja, graag! Lekker, dat grootstedelijke, dat internationale, gecombineerd met de menselijke maat en verbinding die Eindhoven eigen is.’ Hier is geen gesjeesde projectontwikkelaar of eerzuchtige architect aan het woord , maar de Van Abbestichting, ‘de erfgoedwaakhond’ van Eindhoven die over het behoud van monumenten adviseert. Liefhebbers van oude gebouwen dus, en doorgaans de felste tegenstanders van glimmende wolkenkrabbers.

Het was de Van Abbestichting die het gemeentebestuur opriep een nieuwe hoogbouwvisie voor Eindhoven te maken, zodat ze niet meer ad hoc op bouwplannen hoeft te reageren. Dat is nodig, want er is een heuse hoogbouwhausse in aantocht. Bij het station komt een cluster van drie nieuwe torens, District E genaamd. Ook in de buurt van het psv-stadion wordt druk gebouwd, verderop langs het spoor is plek voor nieuwe torens, en op Strijp-S, het voormalige Philipsterrein, staan nog meer torens gepland. Hiervan springt de Trudotoren, begroeid met bomen, het meest in het oog. Nog opvallender? Er is nauwelijks weerstand tegen die nieuwe wolkenkrabbers. Terwijl de woontorens in de nieuwe Amsterdamse Sluisbuurt zulke felle reacties opriepen.

Niet alleen Amsterdam en Eindhoven vernieuwen hun skyline. Ook Den Haag maakt plek voor tientallen nieuwe torens. In Utrecht is de hoogte van de Dom niet langer heilig, in Den Bosch is het de Sint Jan die concurrentie krijgt, in Amersfoort de Onze Lieve Vrouwetoren. Deze steden verwachten een snelle bevolkingsgroei en willen die opvangen binnen de randen van de stad. Verdichting heet dat. Bouwen in ‘het groen’ vinden veel steden en provincies niet gewenst, en soms is het door ruimtegebrek überhaupt geen optie, zoals in Den Haag. Dus dan maar wolkenkrabbers.

Volgens de Stichting Hoogbouw heeft Nederland op dit moment zo’n tweehonderd gebouwen van zeventig meter of hoger en staan er voor de komende tien jaar nog eens tachtig torens van minimaal zeventig meter gepland. ‘De revival van hoogbouw is ongekend’, volgens deze kennis- en netwerkorganisatie.

Wat niet wegneemt dat er nog altijd misverstanden bestaan over hoogbouw, volgens architect en stedenbouwkundige Winy Maas, medeoprichter van architectenbureau mvrdv, bekend van spraakmakende hoogbouw zoals de Rotterdamse Markthal, de gestapelde blokkendozen van de Twin Towers in Taipei en Valley, een cluster groene torens rondom drie ‘valleien’ op de Amsterdamse Zuidas. ‘Hongkong, een van de meest dichtbebouwde plekken op aarde, wordt in Nederland nogal eens als schrikbeeld aangehaald’, zegt hij. ‘De hoogbouw is inderdaad monotoon, maar de stad heeft het meeste groen per inwoner. Het openbaar vervoer wordt er veel beter gebruikt dan waar ook ter wereld. Het is levendig en veilig op straat, en je kunt er goed wandelen.’ Verzet zal er altijd zijn, stelt Maas, maar door op sommige plekken de hoogte in te bouwen, kun je andere plekken met rust laten.

‘Iconisch’ is een woord dat vaak valt als je wethouders over hoogbouw hoort praten. Het is een visitekaartje. Ook in Eindhoven speelt dat mee. Woonwethouder Yasin Torunoglu: ‘Eindhoven heeft een grote aantrekkingskracht op bedrijven en mensen. We zijn de tweede economie van Nederland. We zijn een wereldspeler als het gaat om techniek en design. Hoogbouw geeft de stad extra smoel en aantrekkelijkheid.’

De bedoeling is dat hoogbouw meer mensen verleidt in het centrum te gaan wonen. In Eindhoven, een stad met een dikke tweehonderdduizend inwoners, wonen maar 1200 mensen in het centrum. Op de drukke uitgaansstraat Stratumseind na kun je op veel plekken na vijven een kanon afschieten.

Eindhoven mag een moderne stad zijn, dat betekent niet dat hoogbouw er vanzelfsprekend is. Voormalig burgemeester Rob van Gijzel noemde Eindhoven nog een platte pannenkoekstad. Lange tijd was het louter Philips die de hoogte in bouwde. Maar nu gaat Torunoglu internationale vastgoedbeurzen af om investeerders en projectontwikkelaars naar Eindhoven te lokken. Achter hem hangt een bouwhelm aan de kapstok, ernaast op een whiteboard staat boven aan zijn to-do-lijstje: hoogbouwvisie.

Die nieuwe hoogbouwvisie komt binnenkort. De oude, uit 2008, was ‘te conserverend’ vond de wethouder. Er mocht bijvoorbeeld niet hoger dan tachtig meter gebouwd worden. Eindhoven wil nu juist uitnodigen tot experimenten in de stad. Vanuit zijn kantoor heeft de wethouder uitzicht op de Vestedatoren, een wiebervormige wolkenkrabber van architect Jo Coenen die de bijnaam The Iron Lady kreeg. Een voorbeeld van een iconisch gebouw, maar er is ook kritiek op. De toren staat midden in het centrum, maar er is niks te beleven, erkent de wethouder.

‘Autistische torens’, noemt architect Winy Maas die in zichzelf gekeerde gebouwen. Maas is supervisor van de Eindhovense binnenstad, hij waakt over de samenhang van de nieuwe plannen. De binnenstad is nu nog een ‘verzameling toevalligheden’. En de openbare ruimte is ‘een omgevallen Gamma-kast, met alle mogelijke soorten tegels, paaltjes en bordjes’. Natuurlijk is een levendige begane grond bij hoogbouw belangrijk, maar torens kunnen nog veel meer toevoegen aan de stad, stelt Maas. Je kunt ze veel toegankelijker maken. Zo komt er bij het Stadhuisplein een hoog gebouw als een tribune. ‘Stel je eens voor wanneer psv straks kampioen wordt, hoe geweldig dat zal zijn.’

Eindhoven loopt volgens wethouder Torunoglu slechts een paar jaar achter op Rotterdam. Dé hoogbouwstad van Nederland heeft zichzelf op de kaart gezet met spectaculaire architectuur zoals de Markthal, de kolossale woon- en kantoortoren De Rotterdam, en er staan nog talloze nieuwe torens op stapel. Wat Eindhoven en Rotterdam met elkaar gemeen hebben is dat het industriële steden zijn, zonder historisch centrum, en met ruimte om te bouwen.

Jack Hock haalt de plannen voor twee opvallende torens erbij op het kantoor van woonstichting Trudo op Strijp-S. Hier ademt alles ‘Philips’, zo zetelt Trudo in het gebouw ‘de Anton’, genoemd naar een van de broers. Ernaast staat ‘de Gerard’, beide zijn door Trudo omgetoverd tot fraaie appartementengebouwen. Tussen de bouwmaquettes en verleidelijke nieuwbouwtekeningen op posterformaat geeft Hock, sinds 2008 de programmamanager, uitleg over de torens van zeventig meter die Trudo op Strijp-S gaat bouwen. Het mag uitzonderlijk heten dat een woningcorporatie zich nu nog aan zulke projecten waagt – hoogbouw is doorgaans te duur om er alleen sociale huurwoningen in te maken, en corporaties mogen zich sinds 2015 niet meer bezighouden met commerciële projecten. Maar, de plannen voor de Trudotoren en Haasje Over, zoals de tweede toren heet die over een skatehal heen gebouwd wordt, gaan dan ook ver terug.

Tijdens een bezoek aan Milaan, zo’n vijf jaar geleden, raakte hij geïnspireerd door de groene torens van architect Stefano Boeri, met grote bomen op de balkons. ‘Het Bosco Verticale is heel luxe, heeft een reusachtige entree met marmer en twee conciërges. Alles ademt “duur”. Maar ik dacht, beter goed gejat dan slecht bedacht, en benaderde Boeri om hetzelfde voor Strijp-S te ontwerpen. Alleen dan voor sociale huurders.’ Dat trok Boeri over de streep. Het was een uitdaging om hoogbouw (duur) en veel groen (nog duurder) zo betaalbaar mogelijk te ontwerpen.

In het Eindhovense verticale bos worden alle appartementen precies even groot, vijftig vierkante meter, waardoor er negen op een verdieping passen, twintig verdiepingen hoog. Om extra gevoel van ruimte te krijgen worden de plafonds 3,5 meter hoog – ‘dat vind ik net wat meer cachet geven’. Hock heeft de bouwkosten zo laag mogelijk weten te houden. De architect doet het net iets goedkoper, net als de hovenier – omdat het toch een bijzonder project is. Zo blijft deze groene toren, straks compleet met bomen op de balkons, ook bereikbaar voor huurders met een kleine beurs. Met een kleine kanttekening: bij verhuizing van de eerste huurders kan Trudo de woningen verkopen. Zo zal langzaam een ‘gemengde toren’ ontstaan, met huur- en koopwoningen door elkaar.

Door architectenbureau MVRDV ontworpen woontorens op het Maria Stuart­plein in Den Haag © credit MVRDV
‘Voor wie wordt Amersfoort mooi gemaakt? Hoogbouw is duur, voor rijke mensen, en die willen een auto voor de deur, zij gaan niet met de trein’

Dat is ook het beeld dat ze in Den Haag voor ogen hebben, vertelt woonwethouder Boudewijn Revis (vvd). Daar hebben ze afgesproken dat dertig procent van de nieuwbouw ‘sociale huur’ moet zijn. Alleen: de hoogte in bouwen is duurder dan rijtjeswoningen neerzetten. VolkerWessels, betrokken bij de bouw van het nieuwe cultuurcentrum en de woontorens rondom het Spui, liet begin dit jaar weten dat de bouw van 88 sociale huurwoningen in een van de torens niet doorgaat. Zelfs toen de gemeente een miljoen euro beloofde bij te leggen, durfde geen woningcorporatie zich aan deze dure investering te branden.

‘De financiële speelruimte van de corporaties is te beperkt’, verklaart de wethouder. Het blijft daardoor moeilijk om sociale huurwoningen in hoge torens te realiseren. ‘Projectontwikkelaars denken dat ze vrije-marktappartementen niet goed kunnen verkopen als er ook sociale huur in een toren zit omdat dat de waarde drukt, en woningcorporaties willen het liefst eigen complexen ontwikkelen. Beide partijen moeten water bij de wijn doen.’

Volgens architect Winy Maas kan het best, het mengen van goedkoop en duur wonen in een toren, maar moet de gemeente dat afdwingen. In de door mvrdv ontworpen torens op het Maria Stuartplein (voorheen Grotiusplaats) naast de Koninklijke Bibliotheek, wordt een deel van de appartementen door een commerciële verhuurder voor een ‘sociale huurprijs’ aangeboden, en een deel wordt ‘middelduur’. De vraag is alleen: voor hoe lang?

Op verzoek van de gemeente maakte Maas ook voor Den Haag vergezichten met hoogbouw. ‘Een beetje prikkelend’, zegt hij zelf. Zo bedacht hij een soort Dubai-eiland op de plek van de Scheveningse pier, maar ook een kraag van hoogbouw rondom het Haagse Bos. Central Park, maar dan in de Hofstad. ‘Zo wordt het nu slecht gebruikte park voor meer mensen toegankelijk, en je kunt er andere buurten door ontzien’, licht Maas toe. Maar de buurtbewoners zaten er niet op te wachten.

Den Haag kiest liever voor geconcentreerde hoogbouw rondom drie stations – Centraal, Hollands Spoor en Laan van noi. ‘De kust, de parken en de postzegeltjes groen laten we met rust’, zegt wethouder Revis. ‘Mensen vinden hoogbouw al spannend genoeg. Tien jaar geleden was er misschien een opstand gekomen bij hoogbouwplannen, nu voorkomen we dat door duidelijke keuzes te maken. We bouwen alleen in de hoogte op de – vaak lelijke – plekken rondom stations, dicht bij openbaar vervoer en kennisinstellingen.’ Daar is de vraag naar ruimte groot, en hoef je minder parkeerplekken te bouwen.

Afgelopen december ging het Haagse college op studiereis naar Frankfurt. Onbedoeld werd dat een lesje ‘zo moet hoogbouw niet’. Revis: ‘Te veel torens, te dicht op elkaar, de zon kwam er niet meer aan te pas. Er stonden ook bijna alleen maar kantoren. Na vijven kon je er een kanon afschieten.’ De Haagse hoogbouwvisie besteedt juist veel aandacht aan architectonische kwaliteit, voldoende zonlicht en leefbaarheid. Een mooi afgewerkte bovenkant is bijvoorbeeld een vereiste. Een ‘hoed, pet of kroon’, noemen ze dat. ‘Het ergste wat je kan overkomen is dat er straks overal van die blokkendozen staan’, aldus Revis. En de hoogbouw moet iets toevoegen op ooghoogte, een levendige begane grond dus, met bijvoorbeeld winkels, horeca, een bioscoop of werkplekken.

Erg veel onderzoek naar wonen in hoogbouw is er niet gedaan. Decennialang domineerden vooral de slechte verhalen over mensen die vereenzaamden en ‘flatneuroses’ ontwikkelden, over verloedering in galerijflats en criminaliteit in kelderboxen. Tegenwoordig overheersen makelaarsbeelden van ‘luxury living’ in penthouses en lofts. Maar ook gezinnen wagen zich steeds vaker aan het wonen in een echt hoge flat, zeker als ze een ruim balkon hebben. Socioloog Lia Karsten deed er onderzoek naar en constateerde in 2017 dat op ‘hoogbouw als woonvorm weinig taboe’ meer heerst. Het wonen in hoogbouw in de stad is ook een manier om je te onderscheiden van vrienden en familie die in een buitenwijk wonen. Winy Maas herkent die trend. ‘Natuurlijk zijn er mensen die liever in een straatje met huizen met puntdaken willen wonen, het Wim Sonneveld-ideaal zeg maar, maar de vraag naar wonen op hoogte neemt zeker toe, ook bij gezinnen.’

In een uitpuilende theaterzaal van de centrale bibliotheek van Rotterdam vertelt de gemeentelijk stedenbouwkundige Emiel Arends eind januari aan een publiek van alle leeftijden hoe er eind negentiende eeuw een wedstrijdje ‘wie heeft de hoogste?’ ontstond tussen steden. Toen Antwerpen en Brussel de hoogte in gingen, wilde Rotterdam niet achterblijven. In 1897 werd het Witte Huis opgeleverd – met 43 meter lange tijd het hoogste kantoorpand van Europa. De titel hoogste woongebouw was kort daarvoor al ingepikt door de Queen Anne’s Mansions in Londen.

Arends toont een skylinekaart van Rotterdam waarop je kunt zien hoe er door de tijd heen steeds iets hoger is gebouwd, met als nieuwste aanwinst de Zalmhaventoren, die straks 215 meter telt. Als laboratorium voor hoogbouw heeft Rotterdam geleerd van fouten uit het verleden. Zo zijn er nu ‘sunspots’ in de binnenstad, plekken waar de zon tussen bepaalde tijden niet gehinderd mag worden door wolkenkrabbers. Maquettes van hoogbouw worden door windexperts getest; wind is berucht bij hoogbouw. Toen het Flatiron building, het karakteristieke hoekpand op 5th Avenue, in 1902 in New York werd opgeleverd kwamen gluurders erop af om onder de opwaaiende rokken te kunnen kijken. Arends vertelt over de plekken in Rotterdam ‘waar je moeder wordt weggeblazen’. Op de kop van de Montevideotoren zijn bijvoorbeeld boompjes geplaatst zodat je om de grootste windvlagen heen moet lopen. Met kennis vooraf kun je dit verhelpen, zegt hij. Zo heeft de Robecotoren tegenover het centraal station een grote luifel gekregen, tegen valwinden.

Rotterdam leerde ook dat de begane grond van een hoge toren uitermate belangrijk is voor levendigheid op straat. Zo is de Allianztoren, op de hoek van Coolsingel en de Blaak, eigenlijk ‘een dikke middelvinger’ naar de stad, zegt Arends. ‘Ze hebben een prachtige entree, maar die zie je niet door het donker spiegelend glas en de ingang voor de parkeergarage domineert het straatbeeld. En dat aan de mooiste Monopoly-straten van Rotterdam.’ Hij benadrukt dat er continu wordt bijgeleerd. ‘Het Hollands bouwblok doen we al zevenhonderd jaar, echte hoogbouw pas zeventig jaar.’

Aan hoogbouw worden dus steeds strengere eisen gesteld: de torens mogen niet te veel windhinder veroorzaken, niet te veel schaduw werpen, zichtlijnen niet belemmeren, ze moeten van uitzonderlijke architectonische kwaliteit zijn met een mooi afgewerkte bovenkant, ze moeten bijzondere winkels of openbare gelegenheden hebben, en liefst ook nog een openbaar toegankelijk dak, ze moeten groen zijn, en betaalbare en duurdere woningen bevatten. De ideale hoogbouw is, kortom, een weerspiegeling van de ideale stad.

De Amersfoortse woonwethouder Astrid Janssen (GroenLinks) heeft het moeilijker dan haar collega’s in Eindhoven, Den Haag of Rotterdam. Amersfoort heeft een fraaie historische kern, alleen de Onze Lieve Vrouwetoren steekt erboven uit. Maar ook Amersfoort groeit snel. Tegen het AD zei Janssen eind oktober dat als hoogbouw verantwoord gebeurt de stad zijn karakter én zijn groen kan behouden. ‘Durf eens, zou ik tegen de twijfelaars willen zeggen’.

Het zijn die twijfelaars die eind februari af komen op de bespreking van de ‘concepthoogbouwvisie’. In een volgepakte zolder van café Observant, naast het stadhuis, spreekt de wethouder zo’n 150 bewoners toe. ‘Eén op de duizend Amersfoorters heeft de moeite genomen hier naartoe te komen en het over hoogbouw te hebben, en dat voor een politiek onderwerp, kom er maar eens om.’ Janssen legt uit dat Amersfoort een grote woningbouwopgave heeft. ‘Als we geen hoogbouw zouden inzetten, krijgen we minder woningen en wordt het wonen duurder.’

‘Nou beter!’ roept een vrouw achter in de zaal net iets te hard. Zij is gekomen om haar zorgen uit te spreken over een geplande toren dicht bij haar huis. Janssen gaat onverstoord verder: ‘We willen het groen sparen en verdichten. En hoogbouw is dan een van de antwoorden. Hoogbouw moet voor iedereen iets toevoegen.’

De toehoorders breken op in kleinere groepjes om het aan ronde tafels over de visie te hebben. De gemeente heeft er vanwege de onverwacht grote opkomst in allerijl twee zaaltjes en extra ambtenaren bij moeten regelen om de discussie in goede banen te leiden. Er zijn stedenbouwkundigen, ambtenaren, medewerkers van woningcorporaties en projectontwikkelaars aanwezig, maar het meest vocaal zijn de bewoners.

‘Voor wie wordt die hoogbouw eigenlijk gebouwd? Ik heb zelf op eenhoog gewoond, maar was wat blij toen ik naar een huis met een tuintje kon, en bij mijn vrienden is het net zo’, zegt een vrouw van middelbare leeftijd. Een man met bril en paardenstaartje maakt zich zorgen om de betaalbaarheid: ‘Voor wie wordt Amersfoort eigenlijk mooi gemaakt? Hoogbouw is duur, voor rijke mensen, en die willen allemaal een auto voor de deur, zij gaan niet met de trein.’ Sommigen vrezen verkeersinfarcten rondom hoogbouw, maar bovenal zijn de bewoners bang voor verpeste uitzichten in de stad: hoogbouw is prima, maar niet in mijn achtertuin.