Heel kleine piemeltjes

Gummbah, Hoe Eddie in balbezit kwam. De Harmonie, 319,90. Reid, Geleijnse & Van Tol, Fokke & Sukke hebben altijd wat. De Harmonie, 317,90. Peter van Straaten, Het dagelijks leven in duizend-en-een tekeningen. De Harmonie, 258 blz., 334,90.
Je hoeft niet goed te kunnen tekenen om een goede cartoonist te zijn. Sterker nog, er zijn zat cartoonisten die er niks van kunnen.

Neem Kamagurka. Met een klein beetje oefenen zet je zo een Bert neer die niet van het origineel te onderscheiden is, en een goed lijkende versie van Berts Bobje is ook geen heksentoer.
Of wilt u net zo tekenen als Stefan Verwey? Koop een passer en een liniaal. Alle Verwey-poppetjes hebben een puntneus en het figuur van een omgekeerd koffiebekertje - meer hoef je niet te kunnen.
Hein de Kort, nog zo'n voorbeeld. Met de beste wil van de wereld kun je niet beweren dat die goed kan tekenen. Zelfs zijn nettere tekeningen wekken de indruk dat De Kort eerst de pot met Oost-Indische inkt boven het papier heeft omgekeerd, er toen even flink met zijn elleboog doorheen geroerd en daarna met de kroontjespen de laatste details ingekrast. Voor een net stilleventje, met kloppend perspectief en zo, hoef je bij Hein de Kort niet aan te komen.
Daar gaat het dan ook niet om. Het enige wat een cartoonist moet kunnen, is zo goed tekenen dat zijn grappen overkomen. Een goede grap kan worden verpest door een slechte tekening, net zoals een slechte schrijver een goed verhaal kan verknallen.
De cartoons van Gummbah in zijn derde bundel, Hoe Eddie in balbezit kwam, houden het midden tussen de droedels die je gedachteloos neerkrabbelt tijdens een stomvervelend telefoongesprek, de schetsen van Lucebert en de poppetjes die u en ik tekenen als we proberen een poppetje te tekenen: grote waterhoofden, haar van rechtopstaande streepjes, en armen en benen die bestaan uit verscheidene lijntjes omdat we het de eerste keer niet helemaal goed kregen en de gum zoek was (zie bijvoorbeeld de cartoon ‘Oh, was ik maar niet blind’ - ik kan geen paginanummer geven omdat die er niet zijn). Wolkjes bij Gummbah zien eruit als zwevende drolletjes, zwevende drollen lijken op slagroomtaartjes, en eigenlijk is helemaal niets wat het lijkt. Als ik een echte recensent was, zou ik beweren dat dat nu precies het uitgangspunt van Gummbahs humor is, maar ten eerste ben ik dat niet en ten tweede is het niet waar. Als hij al een uitgangspunt heeft, lijkt me, is het om zijn grappen niet te laten bederven door zijn tekeningen. Die grappen zijn namelijk zeer goed, zo goed dat veel ervan ook zonder plaatje erbij nog leuk zijn. Ze kunnen gemakkelijk worden naverteld. Bijvoorbeeld: 'Man zegt tegen vrouw: “Mijn liefde voor jou is als een brandend zwijn dat over een rode steppe rent.” Zij denkt: Nooit iets van gemerkt anders.’ Of de vrouw die tegen haar man (of zoon, daar wil ik vanaf zijn) zegt: 'Klaarkomen in mijn gezicht? Maar jongen, kijk eens achter je: 1000 kubieke meter keiharde bananenvla die nog voor vanavond in 500.000 blokjes gesneden moet worden!’ Of de volgende dialoog: 'Zeg Roodkapje, waar gaat gij henen?’ 'Ik ga mijzelve eens goed in mijn reet laten naaien.’ 'Ach zoo.’
Dat dit een dialoog is tussen een varkensachtig diertje met een beroerd getekende snuit en een krulstaart van niks, en een Roodkapje die sprekend op een koe lijkt, maakt de grap niet beter - hoewel ik daar, nu ik het opschrijf, een beetje aan begin te twijfelen. Misschien kom ik er zo nog op terug.
Ook het cartoonisten-driemanschap Reid, Geleijnse & Van Tol, makers van de bundel Fokke & Sukke hebben altijd wat, wekken niet de indruk ooit de kunstacademie of een andere tekenopleiding te hebben gevolgd. Hoogstens dat ze er na hun eerste jaar vanaf zijn geschopt. Hun helden zijn Fokke & Sukke, de gestoorde neefjes van Kwik, Kwek & Kwak. Deze twee punk-eendjes (Fokke met een 'retro’ matrozenmutsje en Sukke met een omgekeerde baseballcap op, en allebei met los bungelende, heel kleine piemeltjes, alsof het ze allemaal niks kan schelen) zien zich in elke cartoon voor een bepaalde situatie geplaatst die op het moment dat we ernaar kijken op het komische hoogtepunt is. De twee dansend op een restauranttafel: 'Fokke & Sukke dansen de souvlaki (want te vreten is 'ie niet)’. De twee bij een enorme, op de rug liggende dode olifant: 'Fokke & Sukke weten niet zo gauw waar ze het lijk moeten laten’ (Fokke: 'Opeten?’).
In al deze situaties hebben de twee ruwweg dezelfde uitdrukking op hun gezicht - de tekenaars weten dat omhoog wijzende mondhoeken een vrolijker indruk geven dan een rechte streep als mond, maar daar houdt het wel zo'n beetje mee op. Niettemin is het effect van de combinatie van naïeve plaatjes met nogal volwassen belevenissen (fistfucking, ruimtereizen, therapieën volgen, derde-wereldintellectuelen steunen) vrij komisch, zeker voor liefhebbers van melige humor. Eigenlijk is alleen al het idee dat drie volwassen mannen zich bezighouden met het bedenken en tekenen van twee eendjes met heel kleine piemeltjes erg komisch.
Toch is het, na al dat vrolijke geïmproviseer en geklieder, erg prettig om ook weer eens naar het werk van een echte tekenaar te kijken. Peter van Straaten is al genoeg lof toegezongen, ik ga dat niet nog eens doen, maar zowel Gummbah als Reid, Geleijnse & Van Tol kunnen niet wat Peter van Straaten wèl kan: een compleet leven suggereren in één tekening. Met zijn vroegere werk, zoals de Parool-strip Vader & Zoon, had hij daar nog meer dan één plaatje voor nodig, tegenwoordig is één plaatje genoeg om het komische leed van een heel mensenleven neer te zetten. Vrolijke vrouw gearmd op straat met stuurse man: 'Kom maar, we gaan vanmiddag allemaal gezellige dingen doen.’ De gelaatsuitdrukking van vooral de man is hier zo veelzeggend dat het bijna niet leuk meer is. En werkelijk pijnlijk zijn de lichaamstaal en het gezicht van het meisje dat haar vriendje vraagt: 'Nu doe je me zeker weg?’
Dat kan alleen een groot tekenaar. De figuren van Gummbah, bijvoorbeeld, kijken ook wel eens wanhopig of boos ('Volgens mij wíl jij helemaal niet klaarkomen!’), maar of de tekenaar dat zo bedoeld heeft, is meestal twijfelachtig. Eerder, zou je denken, heeft hij een tekst bedacht voor bij een wanhopig waterhoofdje.
Conclusie: een cartoonist hoeft niet goed te kunnen tekenen maar het mág wel. Ik weet niet wat knapper is. Eigenlijk lijkt het me ideaal om te kunnen tekenen als Peter van Straaten, met het zieke gevoel voor humor van Gummbah. Dat zouden cartoons worden waar je maag vrolijk van omdraait.