Heel langzaam verdwijnen de lijnen van Van Gogh

Ik zit in de trein van Brussel naar de Borinage, de Waalse mijnstreek waar de jonge Vincent van Gogh twee armoedige jaren van zijn leven doorbracht.

Hij was nog geen kunstenaar maar al wel maatschappelijk mislukt: ontslagen als bediende van kunsthandel Goupil & Cie in Den Haag, gesjeesd theologiestudent in Amsterdam, niet aangenomen aan de evangelistenopleiding in Laken. In de Borinage werkte hij, vrijwillig, als lekenpredikant voor de mijnwerkers. Op een dag daalde hij af in de diepe mijnschacht van Marcasse, en daar, vanaf zevenhonderd meter onder de grond, keek hij omhoog, en de buitenwereld was zo klein geworden als een ster in de donkere hemel.

De trein rijdt hortend en stotend door het landschap. We remmen af, maken vaart, komen op ogenschijnlijk willekeurige momenten abrupt tot stilstand. We passeren Tubize, Braine-Le-Comte, Soignies. Aan elkaar gelijmde rijtjeshuizen van lichte baksteen staan in het gelid, achtertuinen aan het spoor, bushaltes, prullenbakken, winkelcentra: chic et pas cher. We staan een tijdje stil naast twee flatgebouwen. Een ervan is bewoond, het andere onttakeld. De onttakelde flat heeft alleen nog maar zijmuren, alle woningen zijn doorkijkdoosjes geworden. Overal wonen mensen, denk ik, altijd, ook op plekken als deze.

Misschien is er weinig verschil tussen eeuwig bewaard blijven en heel langzaam verdwijnen

Op mijn telefoon lees ik een artikel over een gemummificeerde monnik die is gevonden in Mongolië. De monnik zit in lotushouding, zijn handen in gebed. Hoewel de mummie tweehonderd jaar oud is, geloven sommige hooggeplaatste boeddhisten dat hij niet dood is maar in een staat van ‘tukdam’ verkeert: een diepe meditatieve trance die zowel het leven als de dood ontstijgt. Het lichaam krimpt in de loop der eeuwen steeds verder ineen totdat er, uiteindelijk, alleen nog een paar tanden en wat vingernagels resten. Dan is de verlichting compleet. Misschien is er weinig verschil tussen eeuwig bewaard blijven en heel langzaam verdwijnen. De trein rijdt vanuit stilstand een stukje achteruit.

Mons (Bergen) is dit jaar culturele hoofdstad van Europa. ‘En 2015, je suis Montois, et toi?’ vraagt een groot billboard me als ik de stad in loop. In het Museum voor Schone Kunsten wordt Van Gogh geëerd met een tentoonstelling over zijn tijd in de Borinage. Het was hier dat hij – een man die, toegegeven, nog maar weinig te verliezen had – koos voor het kunstenaarschap. ‘Ik ben een man van harstochten’, schreef hij in 1880 aan zijn broer Theo, ‘in staat en geneigd om min of meer onzinnige dingen te doen waarvan ik soms wel min of meer spijt heb. Maar moet je je dan beschouwen als een gevaarlijk mens en ongeschikt voor wat dan ook? Dat denk ik niet. Maar het is zaak met alle middelen te proberen die hartstochten goed te gebruiken.’

En dus pakte hij Charles Bargues’ Cours de dessin erbij en ploegde zich met pijn en moeite door diens verhandelingen over perspectief en anatomie. Hij kopieerde prenten van Jean-François Millet en bestudeerde nauwgezet het werk van de door hem bewonderde Waalse schilders Eugène Boch en Constantin Meunier. De meeste van zijn vroege tekeningen vernietigde hij later, maar een paar ervan zijn toch bewaard gebleven. Wat meteen duidelijk wordt als je naar die prille tekeningen kijkt: Van Gogh was geen natuurtalent. Zijn Café au charbonnage uit 1878 lijkt wel een kindertekening, zo knullig, zo onbeholpen niet-kloppend. Ik breng mijn gezicht heel dicht bij het glas. Het potlood is veel te hard in het papier gedrukt zodat het grafiet, bijna anderhalve eeuw later, nog altijd zilverachtig glanst. Ze ontroeren me, die dikke potloodlijnen, zo veel te definitief op papier gezet. Een suppoost gebaart dat ik niet zo dicht bij de tekening mag komen. Het is fijn voor hem dat hij de illusie heeft iets bij te dragen aan de eeuwigheid, maar ik weet dat die lijnen heel langzaam zullen vervagen, zo langzaam dat niemand het zal zien gebeuren.