Heer van stand

Dat Ferdinand Domela Nieuwenhuis een uiterst autoritaire figuur was die vroeg of laat met iedereen ruzie kreeg, wisten we al. Maar in de nieuwe biografie van Jan Willem Stutje leren we ook meer over hem als politicus en ideoloog.

J.W. Stutje, Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919). € 34,95

Medium stutje domela nieuwenhuis

Met enige regelmaat komt het voor dat een aangekondigde biografie niet verschijnt omdat de auteur tijdens het onderzoek zo’n hekel aan zijn onderwerp heeft gekregen dat hij het gewoon niet meer opbrengt om het project af te ronden. Dit heeft mij altijd een tamelijk onprofessionele houding geleken. Ian Kershaw hoorde je toch ook niet klagen dat die Adolf Hitler toch wel een erg naar mannetje was. Je schrijft een biografie omdat iemand op de een of andere manier belangrijk was, niet omdat je zo graag bij hem of haar op thee­visite had willen komen.

Van gebrek aan professionaliteit valt de historicus Jan Willem Stutje niet te betichten. Niet alleen schreef hij eerder biografieën van cpn-­leider Paul de Groot en de trotskistische econoom Ernest Mandel, evenmin figuren die een beetje normaal mens graag tot zijn vrienden zou willen rekenen, maar afgelopen week verscheen van hem een levensbeschrijving van Ferdinand Domela Nieuwenhuis.

Wat importantie betreft steekt Domela uiteraard met kop en schouders uit boven de twee andere ‘helden’ van Stutje. Hij wordt immers beschouwd als de eerste grote leider van het Nederlandse socialisme, die in zijn tijd door veel aanhangers zelfs werd gezien als messias. Hij gaf velen van de allerarmsten voor het eerst een gevoel van eigenwaarde en werd als eerste socialist in de Tweede Kamer gekozen. Hij stond in contact met internationale beroemdheden als Karl Marx, Friedrich Engels, Wilhelm Liebknecht, Peter Kropotkin, Errico Malatesta en Emma Goldman. Na zijn breuk met de sociaal-democratie gold hij als een van de voormannen van het internationale anarchisme en anti­militarisme, terwijl hij ook grote bekendheid genoot als propagandist van het vegetarisme en de geheelonthouding.

Echt sympathiek kun je Domela echter niet noemen. Uit zijn familiecorrespondentie, in 1997 gepubliceerd door Bert Altena, wisten we al dat hij tegenover zijn familie en kinderen buitengewoon bot en gevoelloos kon zijn, terwijl ook zijn pose als ‘verlosser’ en martelaar danig op je zenuwen gaat werken. Bovendien mocht hij dan later wel het anarchisme prediken, dat nam niet weg dat hij een uiterst autoritaire figuur was, die geen tegenspraak duldde. Binnen de socialistische beweging veelde hij geen talentvolle, eigenzinnige figuren naast zich en kreeg hij vroeg of laat met nagenoeg iedereen ruzie. Liever dan de discussie aan te gaan liet hij zich de bewondering aanleunen van de allerarmsten, die uiteraard geen of nauwelijks opleiding hadden genoten.

Hoewel zijn medeleven met hen die uitgebuit en onderdrukt werden oprecht was, en zijn inzet voor hen enorm, bleef hij zelf altijd de heer van stand, die in een riante villa woonde en regelmatig ging uitblazen in de Zwitserse bergen. Het is waar dat hij een groot deel van zijn aanzienlijke vermogen schonk of uitleende aan socialistische organisaties of personen, maar het feit dat hij later in geldnood verkeerde was evenzeer veroorzaakt door beleggingen met een veel te speculatief karakter. Terwijl zijn tegenstanders over het algemeen uitgingen van zijn oprechtheid en integriteit vermoedde hij bij hen altijd onzuivere en egoïstische motieven. En tot slot was hij ook nog eens een verstokte antisemiet.

Stutje wist dat allemaal voor hij eraan begon, want behalve die familiecorrespondentie was er ook al de in 1993 gepubliceerde Domela-­biografie van Jan Meyers. Ook daarin werden de antipathieke aspecten van Domela’s persoonlijkheid allesbehalve verhuld. Het waardevolle van de nieuwe biografie van Stutje zit dan ook niet in een geheel andere kijk op Domela als mens, maar in een veel gedetailleerder en genuanceerd beeld van de politicus en ideoloog.

Zoals al bleek uit zijn vorige biografieën is Stutje beter thuis in de wereld van het ­socialisme dan Meyers, die daarvoor biografieën publiceerde van Anton Mussert en de jonge Vincent van Gogh. ­Meyers zag Domela, in al zijn eigenzinnigheid en on­plooibaarheid, als iemand die ten diepste altijd al anarchist geweest was, als iemand die zo individualistisch was dat hij eenvoudig ongeschikt was voor een collectivistische beweging als het socialisme, maar die er vrij lang over deed om dat zelf te ontdekken. Stutje, die in tegenstelling tot Meyers uitgebreid gebruik heeft gemaakt van de correspondentie die Domela voerde met buitenlandse socialisten en anarchisten, laat echter overtuigend zien welke ontwikkeling Domela in ideologisch opzicht doormaakte en hoe hij zich verhield tot het socialistische gedachtegoed, dat zich in die tijd nog volop ontwikkelde. Hierdoor heeft hij ook veel meer oog voor het paradoxale in sommige van Domela’s ideeën.

Interessant is bijvoorbeeld wat Stutje schrijft over het verschil tussen Domela en zijn grote tegenstrever, sdap-leider Pieter Jelles Troelstra. Stutje laat zien dat tegenstellingen als anarchisme versus marxisme of revolutionair versus parlementair niet erg verhelderend werken. Belangrijker is volgens hem het verschil tussen ‘socialisme van onderop’ en ‘socialisme van bovenaf’. Voor Troelstra telden alleen de bewuste, min of meer geschoolde arbeiders, en die moesten dan bovendien nog worden geleid door een elite van ideologisch geschoolde socialisten, die de staatsmacht dienden te veroveren en zodoende een rechtvaardige samenleving konden organiseren. Voor Domela bestond het ‘proletariaat’ ook uit de absolute onderklasse, de paupers, zwervers, prostituees en kleine criminelen. Zij moesten hun zelfrespect terugkrijgen en zichzelf emanciperen. Alleen van onderop, met idealistische en zelfbewuste mensen, die het om meer te doen was dan ‘een centje meer en een uurtje minder’, was de socialistische maatschappij te realiseren.

Anders dan Meyers is Stutje van mening dat Domela’s antisemitisme veel verder ging dan de anti-joodse vooroordelen die in de negentiende eeuw onder gegoede burgerij bon ton waren. Volgens sommige historici was dat antisemitisme eerder folkloristisch dan haatzaaiend, terwijl Stutje stelt dat het bij Domela wel degelijk ‘bewust en modern’ was, en hij het gebruikte ‘als retorisch element om het publiek te beïnvloeden’. Hoewel hij er terecht op wijst dat dit in het vroege socialisme allesbehalve uitzonderlijk was – ook figuren als Willem Vliegen en Christiaan Cornelissen gingen in dit opzicht niet vrijuit – geeft Stutje niet duidelijk aan wat nu het ‘moderne’ karakter van Domela’s antisemitisme was. Terwijl het traditionele, christelijke antisemitisme vooral een religieuze dimensie had gehad, kreeg het sinds de Verlichting een steeds meer racistische component. Over de mate waarin Domela behept was met racistische vooroordelen laat Stutje zich echter nauwelijks uit. Domela vereenzelvigde de joden heel sterk met het gehate kapitalisme, maar tegelijkertijd liet hij zich in zijn anarchistentijd ook heel negatief uit over Karl Marx, de ‘berekenende’, ‘diplomatiek aangelegde jood’, die een ‘stille geniepige oorlog’ voerde tegen de ‘geestdriftvolle Germaan’ Bakoenin. Het is spijtig dat Stutje deze problematiek niet diepgaander heeft behandeld.

Dat geldt merkwaardig genoeg ook voor het begrip dat Stutje in de ondertitel van zijn boek heeft verwerkt, en dat hierin impliciet een belangrijke rol speelt. Hij plaatst Domela en het vroege socialisme in de traditie van de Romantiek, maar werkt ook dit niet echt uit. Hierdoor blijft niet alleen de relatie tussen Marx en de Romantiek heel vaag, maar mist hij ook een kans voor open doel als hij Domela vergelijkt met andere messiaanse leidersfiguren van het socialisme, zoals Jean Jaurès en Keir Hardy. ‘Kennelijk taalde de beginnende beweging niet naar formele democratie’, schrijft Stutje. Blijkbaar niet, maar had dit ook niet iets te maken met de specifiek romantische heldencultus in de negentiende eeuw, zoals die bijvoorbeeld bleek uit Carlyle’s beroemde On Heroes and Hero Worship uit 1841? Toch is dit alles slechts detailkritiek, wat ook geldt voor het feit dat dit boek minder vlot geschreven is dan de biografie van Meyers. Voor wie iets van Domela en ontluikende bewegingen als het socialisme en anarchisme wil weten, is dit een onmisbaar boek.