Heerlijke wreedheden

Suetonius, Keizers van Rome. Vertaald door D. den Hengst, uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 384 blz., 385,-
DE IN DELPHI woonachtige god Apollo heeft zich met zijn one-liner ‘Leer uzelf kennen’ onsterfelijke roem verworven. Volgens menigeen vormt deze scheurkalenderspreuk de essentie van de Griekse cultuur. Decennia lang heb ik gepoogd mijzelf te leren kennen, maar ik ben er tot op heden niet in geslaagd, laat staan dat ik ook maar enig inzicht in de zieleroerselen van mijn naasten heb. Kent u uw eigen drijfveren? Bent u in staat uw eigen verlangens, fantasieën en obsessies te doorgronden? Getuigt het al niet van intelligentie deze vragen bevestigend te beantwoorden, men moet wel een zeer simpele ziel zijn om vol te houden dat men ook zijn medemens kan kennen.

Toch lopen er heel wat van zulke optimisten rond, ja, velen van hen krijgen zelfs subsidie van andere optimisten om biografieën te schrijven. Wat een pretenties! Hoewel iedereen na enig nadenken zal toegeven dat de biografie een vorm van fictie is en met wetenschap weinig te maken heeft, blijkt dat besef niet opgewassen te zijn tegen de illusie dat we een beroemdheid persoonlijk zouden kunnen leren kennen. De lezer van een biografie zoekt in feite niets anders dan de lezer van Privé: hij wil weten of Slauerhoff een aardige man was met wie je gezellig een borrel kon drinken, hij speurt verlekkerd naar details betreffende het socialistische seksleven van tante Jet, en bij de laatste jaren van Samuel Beckett zwelgt hij in symptomen die op de ziekte van Alzheimer wijzen. Van mij mag het allemaal, maar ik ben er niet van overtuigd dat dit soort boeken ons inzicht in het werk van de hoofdpersoon verschaft.
Het lijkt me verstandiger biografieën als literatuur te beschouwen, bijvoorbeeld als historische romans. Eerste vereiste is dan natuurlijk dat het boek meeslepend geschreven is, vol spanning en romantiek, in een stijl die bij het onderwerp past. Komt de auteur met een overkill aan minutieus verantwoorde feitjes, dan haakt de lezer al gauw af.
In de tweede plaats dient het leven van de protagonist ingebed te worden in een historisch kader. De biograaf moet een samenhangend beeld van een tijd schetsen, en dat beeld moet zo authentiek ogen dat de lezer de sfeer proeft en bijna het gevoel heeft er zelf bij geweest te zijn.
Een derde vereiste is psychologisch inzicht, want hoewel het karakter van de hoofdpersoon een fictionele constructie is, moet de suggestie van echtheid overeind blijven. En ten slotte moet het werk van de beschrevene door de biograaf geanalyseerd en geëvalueerd worden.
AAN HET BEGIN van de tweede eeuw na Christus schreef Gaius Suetonius Tranquillus een verzameling korte biografieën van de eerste twaalf Romeinse keizers, met Gaius Julius Caesar (100-44 v. Chr.) als eerste en Domitianus (keizer van 81-96) als laatste. Het boek is nu verkrijgbaar in een uitmuntende vertaling van Daan den Hengst, hoogleraar Latijnse letterkunde in Amsterdam. Voldoen Suetonius’ biografietjes aan de zojuist opgesomde criteria? Ik geef toe dat het niet erg aardig is een schrijver te beoordelen met maatstaven die hij zelf nooit gehanteerd zou hebben, maar als moderne lezer kan ik niet anders. En ik vrees dat Suetonius als biograaf de toets der kritiek nauwelijks kan doorstaan, wat iets anders is dan dat het niet de moeite waard zou zijn hem te lezen. Maar daarover straks.
De biografieën zijn niet chronologisch maar thematisch opgezet, hetgeen opbouw van spanning onmogelijk maakt. Suetonius’ stijl is droog en afstandelijk. Eduard Norden, die een eeuw geleden het klassieke standaardwerk Die antike Kunstprosa publiceerde, heeft over Suetonius niets anders te melden dan: ‘Sueton schreibt farblos.’ Norden mag daarin gelijk hebben, het is nog maar de vraag of een onopvallende stijl een nadeel is. Suetonius’ tijdgenoot Tacitus, die voor een deel over dezelfde personages schrijft, heeft een dermate schokkende stijl dat de aandacht van de lezer voortdurend naar de taal wordt getrokken, terwijl Suetonius ogenschijnlijk niets anders doet dan feiten objectief registreren. Literair genot levert deze stijl niet op, wel de suggestie dat het allemaal echt gebeurd is.
In het bieden van een historisch overzicht schiet Suetonius tekort, maar dat kan hij niet helpen. Hij schreef immers over gebeurtenissen die nog niet zo ver achter hem lagen en voor lezers die dezelfde culturele achtergrond hadden als de ten tonele gevoerde keizers. Bovendien was historiografie een ander genre en bestond er al voldoende literatuur over het behandelde tijdvak. Suetonius kon dus het historisch kader bij zijn lezers bekend veronderstellen. Voor ons is dat een nadeel, en ik vind het jammer dat Den Hengst aan zijn vertaling geen chronologisch overzicht heeft toegevoegd. Ook een uitputtend register van eigennamen ontbreekt, waardoor zelfs enigszins in de materie ingevoerde classici zich soms vertwijfeld zullen afvragen over welke Julia Suetonius het nu weer heeft.
DOORDAT de structuur van de biografieën thematisch en ook nogal schematisch is, slaagt Suetonius er niet in zijn karakters werkelijk tot leven te laten komen. Typerend is het hoofdstuk over Titus (keizer van 79-81). Zijn levensbeschrijving begint als volgt: 'Titus, die net als zijn vader de bijnaam Vespasianus droeg, was het idool en de lieveling van heel het mensdom. Al wat ertoe bijdraagt de volksgunst te verwerven - natuurlijke begaafdheid, ontwikkeling, succes - bezat hij namelijk in de hoogste mate en, wat heel moeilijk is, hij behield het toen hij keizer was geworden.’
Wie dit leest krijgt de indruk dat Titus een hoogstaand mens was. Bevreemdend is dan ook de volgende zin: 'En dat terwijl hij als gewoon burger en ook toen zijn vader keizer was de kritiek, ja zelfs de haat van het volk heeft ondervonden.’ Nog vreemder wordt het wanneer enkele bladzijden verder wordt beschreven hoe arrogant en gewelddadig Titus optrad toen hij nog commandant van de keizerlijke garde was. En 'behalve voor zijn hardvochtigheid was men er ook beducht voor dat hij zich losbandig zou gaan gedragen, omdat hij drinkgelagen met zijn meest verkwistende vrienden tot middernacht liet voortduren, en al evenzeer vermoedde men dat hij zich aan wellust zou overgeven vanwege de zwermen schandknapen en eunuchen om hem heen.’ Maar een alinea later schrijft Suetonius over Titus’ gedrag tijdens zijn keizerschap: 'De banketten die hij aanbood waren meer gekenmerkt door een goede sfeer dan door kostbaarheid.’ En even later: 'Hij was overigens van nature heel goedhartig.’ Was Titus nu goed of slecht? Of eerst slecht en daarna goed? Suetonius laat ons ernaar raden.
IK ZAL HET maar eerlijk bekennen: Suetonius lees je niet om de stijl, om de karakters of om de geschiedkundige waarde, maar om de beruchte uitspattingen en extravagante wreedheden. De Romeinse keizers staan bij het grote publiek bekend om hun decadente en bloeddorstige levenswandel, en wie Suetonius leest kan niet anders dan concluderen dat de meeste keizers die reputatie volledig verdienen.
Valt het bij Julius Caesar en Augustus nog mee, bij Tiberius komen we al aardig in de sfeer, maar de levensbeschrijving van Caligula is één grote catalogus van verschrikkingen in de trant van de Markies de Sade en Bret Easton Ellis. Ik geef een paar voorbeelden. 'Met al zijn zusters pleegde hij bij herhaling ontucht.’ 'Af en toe vergrendelde hij de graanschuren en kondigde hij het volk een hongersnood aan.’ 'Veel leden van de betere standen veroordeelde hij, nadat ze eerst met het ijzer gebrandmerkt waren, tot dwangarbeid in de mijnen of voor de aanleg van wegen of tot gevechten tegen wilde dieren, of hij sloot ze als beesten op handen en voeten in kooien op of liet ze doormidden zagen.’ En tenslotte: 'Zijn kleding, zijn schoeisel en alles waarmee hij zich verder uitdoste paste niet bij een Romein, niet bij een burger, zelfs niet bij een man of zelfs maar bij een mens.’
Wie zich graag in dergelijke bizarrerieën verlustigt, is bij Suetonius aan het goede adres.