Vijf eeuwen Huis van Oranje-Nassau

Heersers van Oranje

Al vijf eeuwen houdt het Huis van Oranje-Nassau de Lage Landen in de ban met paleisintriges, paranormale fenomenen, geheime agenda’s, religieuze schisma’s, huwelijksleed en muzikale aanvechtingen. Een overzicht van alle Oranjes, van Willem de Zwijger tot en met Beatrix.

Willem van Oranje, alias De Zwijger, alias Vader des Vaderlands, stadhouder van 1559 tot 1567 en van 1572 tot 1584. Een sluw politicus, zeker geen fanaat, al moest hij zich noodgedwongen wel bedienen van het fanatisme van de beeldenstorm om zijn niet geringe ambities te verwezenlijken. Een voor zijn tijd verlicht man, al was een naar trekje dat hij zijn tweede vrouw Anna van Saksen na het stranden van hun huwelijk jaren liet inmetselen achter de muren van zijn stamslot Dillenburg. Als prins van Oranje werd de elfjarige Willem verplicht opgevoed aan het hof van keizer Karel V te Brussel. Hij was luthers opgevoed, maar bekende zich onder de hoede van Karel V zonder enig bezwaar tot het katholicisme.

Religie was voor Willem vooral een politiek instrument. Willem had ondanks alle diplomatieke rookgordijnen die hij daaromheen blies graag als soeverein vorst — vanwege Orange was hij tenslotte een vorst — over de Lage Landen geregeerd. Dit werd echter in de kiem gesmoord door de voormannen van de kersverse republiek, die hem genoegen deden nemen met het bescheiden stadhouderschap, een soort veredeld commissariaat onder auspiciën van de Staten van Holland en Zeeland. Willem wist niettemin iets van zijn bescheiden functie te maken. Bijzonder lucratief was zijn monopolie op de kapersbrieven, waarbij piraterij op de internationale wateren voor Hollanders alleen was toegestaan met een fors winstaandeel voor de prins van Oranje. In 1584 werd hij te Delft vermoord door de katholieke fanaat Balthasar Gerards. Met zijn dood ging direct de republiek verloren als de multireligieuze staat die hem voor ogen had gestaan.

De Zwijger werd in 1585 opgevolgd door zijn zoon Maurits. Maurits boekte in 1600 een glorieuze militaire overwinning op de Spanjaarden bij de Slag van Nieuwpoort en hij zou vervolgens een kwart eeuw met ijzeren hand regeren over de legertroepen van de republiek, wat hem een machtige positie gaf. In Maurits treffen we de duistere kant van Oranje meteen in optima forma aan. In de woorden van de republikeinse chroniqueur Joan Derk van der Capellen tot den Pol: «Hij was een man van zeer slechte zeden, een wreedaard, een vals mens en een overmatig geile boef, die jacht maakte op elke schone vrouw — of ze nu maagd, getrouwd of weduwe was — om haar tot zijn boze lusten te verlokken.»

Anders dan zijn joyeuze vader was Maurits een tamelijk misogyne veldheer, altijd in een bruine pij gehuld, zodat geen Europese prinses bereid was met hem in het huwelijksbootje te stappen. Hij was ook een vrekkige rijkaard, die bij zijn dood in 1625 meer dan vijf miljoen gouden dukaten naliet, voornamelijk gewonnen uit de kaapvaart en de slavenhandel van de West Indische Compagnie (WIC), waarvan hij de grote gangmaker en aandeelhouder was.

Het absolute dieptepunt in zijn carrière was natuurlijk de onthoofding van zijn raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1618. Gebruikmakend van de hysterische fundamentalistische twisten binnen het protestantisme rondom de opvattingen van de dominees Gomarus en Arminius wist Maurits haat te zaaien tegen zijn oude politieke leermeester, die zijn ambities in de weg stond. Maurits wilde van Van Oldenbarnevelt af omdat hij een twaalfjarig bestand met de Spanjaarden had weten af te sluiten. Dat kwam Maurits met zijn belangen in de kaapvaart en zijn oorlogen overzee slecht uit, en daarom werd Van Oldenbarnevelt door een bloedraad van 24 rechters veroordeeld tot de doodstraf. De politicus verloor zijn hoofd op een hakblok op het Binnenhof. Andere vooraanstaande voormannen van de republiek, zoals Hugo de Groot, werden om dezelfde redenen veroordeeld tot levenslange opsluiting. Maurits leefde niet lang meer na het uitvoeren van deze gruweldaden en hij bereikte er zijn doel ook niet mee. Vol wanhoop, angst en wroeging gaf hij in 1625 de geest. Vondel vereeuwigde hem als de wraakzuchtige, jaloerse Agamemnon in het treurspel Palamedes.

De nieuwe stadhouder en hoofd van het Huis van Oranje werd Maurits’ broer Frederik Hendrik, alias De Stedendwinger (1625-1647). Frederik Hendrik was vóór alles een control freak. Aan zijn privé-spionnenleger in Den Haag, dat hem op de hoogte hield van alle machinaties op straat en bij de regenten, werden kapitalen besteed, die werden opgebracht door Frederik Hendriks jaarlijkse strooptochten door het katholieke zuiden, in de propaganda gepresenteerd als religieuze ijver, maar in werkelijkheid niets anders dan door puur winstbejag ingegeven brandschattingen. Zijn grootste succes stamde uit de begindagen van zijn stadhouderlijke loopbaan, toen de piraat Piet Heyn bij Cuba zijn hand op een substantieel gedeelte van de Spaanse Zilvervloot wist te leggen. Frederik Hendrik kreeg als prins van Oranje zijn gebruikelijke tiende deel, goed voor «zeven tonnen gouds».

Frederik Hendrik zat er met echtgenote Amalia van Soms dus warmpjes bij, en leefde in vorstelijke stijl. Deze prins van Oranje had dan ook hogere ambities dan een ordinair stadhouderschap. Om zijn grip op het land te vergroten dwong hij zijn neef Willem Frederik het stadhouderschap van Groningen en Drente aan hem af te staan, en ook het erfstadhouderschap van Friesland. Hij regelde een huwelijk tussen zijn zoon Willem II en prinses Maria, de dochter van de Britse koning Karel I en de Franse koningin-moeder Henriette en deed het daarbij voorkomen alsof hij al een soeverein vorst was.

Frederik Hendriks grote kracht lag in het succes van zijn koloniale strooptochten. Namens de WIC veroverde zijn neef Johan Maurits grote gedeelten van Noord-Oost-Brazilië, maar het kolonisatieproces daar slaagde zo goed dat Frederik Hendrik vreesde dat zijn neef in Brazilië zijn eigen koninkrijk wilde beginnen. In plaats daarvan stuurde hij hem op een hopeloze missie naar de Spaanse zilvermijnen van Chili. Het luidde een estafette van grote vergissingen in, uiteindelijk bekroond met een roemloze afgang op het strijdveld tegen de Spaanse veldheer Spinola.

Prins Willem II, de zoon van Frederik Hendrik, die in 1647 stadhouder werd, was al net zo militair begeistert als zijn vader. Als de jeugdige Draufgänger met een ontembare ambitie in 1650 niet onverhoeds was gestorven aan de kinderpokken had dat tot de grootste rampspoed kunnen leiden. Door zijn dood bleef de schade beperkt tot de fameuze prinselijke staatsgreep van 1650. De aanleiding was een fors conflict met de Staten over de bezuinigingen op het defensieapparaat. De Staten zagen zich graag bevrijd van de vele duizenden dure buitenlandse huurlingen, maar de prins van Oranje zag als opperbevelhebber dan liever de autochtone soldaten vertrekken, omdat hij de loyaliteit van de buitenlandse huurlingen aan zijn persoon hoger in het vaandel had staan. Het conflict liep zo hoog op dat de prins zes leden van de Staten vergadering — onder wie oud-burgemeester Jacob de Witt, de vader van Johan en Cornelis — liet opsluiten in slot Loevestein, onder het uitdrukkelijke prinselijke verbod om met elkaar in het Latijn te spreken.

Op 30 juli 1650 stuurde Willem op eigen gezag zijn troepen naar het opstandige Amsterdam, dat als geen ander had geageerd tegen de Oranje-macht, met de bedoeling de stad in te nemen. Zijn leger liep echter vast in de valstrik der Amsterdammers, die het invasieleger succesvol wisten te bestrijden door dijken leeg te laten lopen. Het was een kwestie van genade dat de prins nog heelhuids wist te ontsnappen. Sindsdien is het nooit meer goed gekomen tussen Amsterdam en Oranje. Na Willems dood had de republiek het begrijpelijkerwijs even gehad met de Oranjes en begon het eerste stadhouderloze tijdperk, dat zou duren tot het rampjaar 1672.

Erfopvolger Willem III, geboren in 1650, kreeg zijn grote kans op Oranje wraak toen in 1672 de Franse legers van de Zonnekoning Lodewijk de Veertiende de Rijn over kwamen steken. Het volk schreeuwde om de inschakeling van de prins, die inderdaad werd benoemd tot kapitein-generaal. Voor de Oranje-factie was het een uitgelezen gelegenheid om korte metten te maken met de voormannen van de republiek, en dan met name de intelligente raadspensionaris — zeg maar minister-president — Johan de Witt. Eerst gelukte het de nog maar 22-jarige prins Willem een volmacht van de Staten te krijgen om geheel naar eigen inzicht buitenlands beleid te voeren. In augustus wist hij zich van zijn grote tegenstrever Johan de Witt en zijn broer Cornelis te ontdoen. Beide politici werden op valse beschuldigingen gevangen gezet in Den Haag, waarna ze onder regie van betaalde agitatoren door een woedende meute naar het Groene Zoodje werden gebracht, waar ze levend werden verscheurd.

Na deze lynchpartij was het met het burgerlijke verzet tegen de Oranje-macht gedaan en kon Willem III als stadhouder een begin maken met het vervullen van zijn machtsdromen. In 1688 verjoeg hij met hulp van de Hollandse vloot zijn schoonvader, de Britse koning Karel I, en nam hij zelf plaats op de Britse troon. Van zijn koningschap heeft hij maar kort kunnen genieten. Op een middag in maart 1702, tijdens een rijtoer door Hampton Court, struikelde het koninklijke rijpaard over een molshoop en kwam de koning-stadhouder dodelijk ten val. Omdat hij ook kinderloos overleed, begon de republiek aan haar tweede stadhouderloze tijdperk.

Het duurde maar liefst drie decennia eer het juridische gevecht om de erfenis van Willem III — materieel goed voor een half miljoen gulden aan revenuen — tussen de diverse Duitse nevenlinies was beslecht. De Pruisische koning Frederik de Grote kwam als achterneef van Willem III ook de erfelijke titel prins van Oranje te voeren. Bij het overlijden van Willem III in 1702 maakte Lodewijk de Veertiende meteen van de gelegenheid gebruik om het prinsdom Orange definitief bij Frankrijk in te lijven. Willem IV zat bij zijn aantreden als stadhouder dus zonder zijn Franse prinsdom, en dat kostte hem binnen de internationale royalty aanzienlijk gezichtsverlies. Zijn uiterlijk had hij ook niet mee. «Ik zal hem trouwen, ook al ziet hij eruit als een aap», verzuchtte zijn aanstaande echtgenote, de Britse prinses Anna, opofferingsgezind.

Toen het verenigde paar per boot op huwelijksreis door de republiek trok, wachtte hen een nare verrassing in Amsterdam, waar het stedelijk bestuur ze voor jan doedel op de kade liet staan en ter vergroting van de feestvreugde ook nog eens een anti-Orangistisch toneelstuk liet opvoeren. Gelukkig voor Willem waren de Fransen in 1647 weer eens op het oorlogspad, zodat hij zich al snel tot opperbevelhebber van de strijdkrachten en stadhouder — en nog wel erfelijk — verheven zag. Willem kweet zich serieus van zijn taken, zonder al te veel machtsvertoon, ook zonder spectaculaire veranderingen. Zo stierf hij vrij betekenisloos op 21 oktober 1751, veertig jaren oud.

Geen Oranje is zo gehoond als de goeiige, ietwat slome stadhouder Willem «Batavus» V. De dichter Jacobus Bellamy wijdde het volgende gedicht aan zijn geboorte, drie jaar voor de dood van zijn vader Willem IV:

’t Was nacht, toen U Uw moeder baarde,

Een nacht zoo zwart als immer was;

’t Gevogelt liet een scherp gekras

Door ’t aak’lig woud, tot driemaal, horen

Tot ramp van ’t Vaderland geboren

Zijt gij tot vloek des Volks gesteld

Joan Derk van der Capellen tot den Pol, opsteller van het anti-Orangistische pamflet Aan het Volk van Nederland (1781), refereerde aan Willem V exclusief als «de tiran». In werkelijkheid was deze Willem voor Oranje-begrippen een erudiet man, die zich met enorme toewijding wierp op de administratie van de republiek. Hij fungeerde zijns ondanks als kop van jut voor alle in de loop der jaren opgebouwde haat versus de Oranjes. Die werd gestimuleerd door zijn belangrijkste adviseur, de hertog van Brunswijk, en later door zijn vrouw, de Pruisische prinses Wilhelmina. De beweging der Bataafsche patriotten, republikeins tot op het bot, kwam tot volle bloei. In 1787 werd prinses Wilhelmina per koets onderweg naar Den Haag in de buurt van Delft door leden van een republikeins vrijkorps aangehouden en een tijdje opgehouden bij Goejanverwellesluis.

De Pruisische koning Frederik Willem II was zo gekrenkt dat hij 26.000 man aan troepen naar de Lage Landen stuurde om orde op zaken te stellen. De wraak der prinsgezinden was verschrikkelijk. Zelfs het graf van de republikeinse voorman Van der Capellen werd met buskruit opgeblazen en duizenden patriotten namen de wijk naar Frankrijk, Engeland en Amerika. Wat volgde was een beklemmende periode, waarin de republiek werd omgevormd tot een Oranje-politiestaat, die kon voortbestaan tot 1795, toen de revolutionaire troepen van de Franse generaal Pichegru de Pruisen kwamen verjagen. Willem moest, gezeten op de rug van een Scheveningse visser, over het strand naar het schip worden gedragen dat hem naar zijn Engelse ballingsplek zou brengen. Het tijdperk van de Bataafsche Republiek kon beginnen.

Op 30 november 1813 keerde de zoon van Willem V, Willem Frederik, triomfantelijk terug op het Scheveningse strand. Op 30 maart 1814 werd hij als soeverein vorst Willem I ingehuldigd in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. In het Duitse minivorstendommetje Fulda had hij tot 1806 al kunnen oefenen als absoluut monarch, nu begon het echte werk. «Le Roi décide seul», zo was zijn bestuurlijke uitgangspunt, en dat bleek geen opschepperij. De koning was gezegend met een ondernemerstalent, en wist zichzelf uitstekend te verrijken met de oprichting van de Nederlandsche bank en de Nederlandsche Handelsmaatschappij. Politiek was zijn instinct minder trefzeker. Zo speelde hij het klaar om in 1830 de zuidelijke helft van zijn koninkrijk al weer te verspelen. De Belgen kwamen tegen hem in opstand vanwege de torenhoge belastingen en het onnodige kwetsen van hun katholieke gevoelens. In 1840 deed hij verbolgen afstand van de troon.

Koning Willem II, koning der Nederlanden en groothertog van Luxemburg, was een geboren vechtjas. Deze «held van Waterloo» trok zo onbezonnen ten strijde dat hij zijn troepen en zichzelf aan enorme gevaren blootstelde. In 1830 haalde hij zich de woede van zijn vader op de hals door te proberen zich te laten kronen door de opstandige Belgen.

Hij was getrouwd met Anna Paulovna, de zuster van tsaar Alexander I en dochter van de krankzinnige, bij een paleisrevolutie in 1801 vermoorde tsaar Paul I. Zij bracht het leeuwendeel van haar jaren in paleis Soestdijk door achter gesloten paleisdeuren, waar ze de muffe Hollandse lucht met grote vaten wierook trachtte te verdrijven, omringd door speciaal hiervoor uit Rusland geïmporteerde kunstwerken. Paleis Soestdijk baadde in een sfeer van byzantijns mysticisme. Dat Anna Paulovna zich eenzaam voelde in Holland was overigens goed te begrijpen: de zeden en gewoontes in de Lage Landen waren haar veel te primitief. Zo werd ze er alom gekritiseerd vanwege haar gewoonte dagelijks een bad te nemen. Dit werd in het Nederland van het midden van de negentiende eeuw nog zeer schadelijk voor de gezondheid bevonden. Willem II transformeerde in het revolutiejaar 1848 met opmerkelijke souplesse van absoluut monarch tot constitutioneel gebonden koning. Een jaar later stierf hij.

De in 1817 geboren kroonprins Willem III erfde veel van het Russisch-mystieke temperament van zijn moeder. Een Franse ambassadeur in ’s-Gravenhage merkte eens op dat Willem III zich in zijn kijk op het leven meer liet inspireren «door wat er aan de oevers van de Newa gaande was dan aan die van de Seine of de Thames». Het was een van de redenen, naast muzikale, waarom hij het nationale volkslied Wien Neêrlands bloed door d’aadren vloeit van Tollens zo verafschuwde en de voorkeur gaf aan het Wilhelmus, die allerparticulierste politieke getuigenis van zijn zogenaamde voorvader, Willem de Zwijger. Willem III had het zijn vader nooit vergeven dat hij in het Europese revolutiejaar 1848 onder druk van de liberaal Thorbecke de soevereine macht des konings had gekortwiekt. Om deze schande niet machteloos te hoeven aanzien, vertrok hij dat jaar naar Engeland, teneinde in vrijwillige ballingschap te leven. Toen de Nederlandse troon hem reeds het daaropvolgende jaar toeviel, weigerde hij aanvankelijk over te komen. De regering moest hemel en aarde bewegen voordat de nieuwe koning bereid was zijn buitenverblijf in het zuiden van Engeland te verlaten.

Willems eerste huwelijk, met Sophie van Württemberg, was een regelrechte catastrofe. Ook Sophie was een Russin in hart en nieren, maar zij gold als een verlichte vrouw, zeer begaan met de wetenschap. Sophie was ervan overtuigd dat haar echtgenoot leed aan een «sentiment personel excessif», een neiging tot megalomane razernij, een geestelijke kwaal die zij als vrouw van de moderne wetenschap in verband bracht met de hoge mate van inteelt bij de huwelijken van de Romanovs. In 1875 publiceerde Sophie in het gezaghebbende Franse maandblad Revue des Deux Mondes onder pseudoniem een studie over het geestelijk verval in de Stuart-dynastie. Toen in kleine kring bekend werd dat de auteur de eega was van de Nederlandse koning werd de analogische hint goed begrepen.

Sophie’s missie om de wereld te waarschuwen voor de waanzinnige koning van Holland werd overgenomen door minister A.W.P. Weitzel, als minister van Oorlog een vertrouweling van de koning. Weitzel schreef een studie over de verschijnselen van «hoogmoedswaanzin» bij de tsaren Peter de Derde en Paul I, respectievelijk overgrootvader en grootvader van Willem III, die hun land in gevaar hadden gebracht met hun verregaande megalomanie. Het was duidelijk dat die waarschuwing ook voor Willem III gold. In zijn dagboeken meldt Weitzel dat de koning een keer met kanonneerboten van de Nederlandse vloot wilde oprukken tegen Zwitserland, omdat hij in een hotel aan het meer van Genève, waar hij naakt op het balkon te bezichtigen was, «un peu trop familièrement» behandeld was.

De jonge koningin Wilhelmina kreeg een Spartaanse opvoeding, die haar moeder Emma von Waldeck-Pyrmont, de tweede vrouw van Willem III, noodzakelijk achtte ter beteugeling van het onstuimige Russische bloed. In haar autobiografie Eenzaam maar niet alleen heeft Wilhelmina het over «antecedenten in de familie — er was wel eens toegegeven aan de grillen en zwakheden van een kind met als gevolg, dat het niet voldoende weerstandsvermogen kreeg tegen verlokkingen van gemakzucht en egoïsme — waarvan een herhaling tot elke prijs vermeden moest worden, hebben hun invloed doen gelden op mijn vorming. Ieder slap optreden van mij werd onmiddellijk streng aangepakt, soms zelfs met verwijzing naar bedoeld antecedent.»

Het kon niet verhinderen dat Wilhelmina haar Russische «roots» juist ging koesteren. Als de koningin in Londense ballingschap door een van haar beruchte woedeaanvallen werd overvallen, excuseerde ze zich soms met de woorden: «Dat heb ik van mijn overgrootvader Paul I.» Ook in haar religieuze voorkeuren ging Wilhelmina’s hart uit naar meer spektakel dan de Nederlands-Hervormde kerk wist te leveren. In feite zou zij de mystieke traditie van Anna Paulovna en Sophie voortzetten. Een democrate was ze al helemaal niet. Wilhelmina verkeerde het liefst onder haar generaals, en legde een verpletterende afschuw aan de dag voor haar ministers.

Juliana sprak de onsterfelijke woorden: «Als ik geen koningin was, was ik ook republikein.» En toen ze in 1948 aan haar regering begon: «Wie ben ik dat ik dit doen mag?» Ze was zonder enige twijfel het meest progressieve boegbeeld van het Huis van Oranje aller tijden. Haar aversie tegen machtsdenken bracht haar in conflict met haar echtgenoot prins Bernhard, met wie ze een jarenlange paleisoorlog uitvocht (de Greet Hofmans-affaire). Populairste Oranje aller tijden.

Als typische «daddy’s girl» trok de jonge kroonprinses Beatrix vanaf het begin partij voor haar vader Bernhard in diens jarenlange conflict met Juliana. Zo mocht Beatrix al jong mee naar de befaamde Bilderberg-conferenties die haar vader organiseerde voor de Europees-Amerikaanse economische en politieke elite. Sindsdien slaat Beatrix geen sessie over van deze uiterst besloten denktank. Afgelopen maand was ze net als de vers bestoven premier Balkenende nog van de partij op de Bilberberg-sessie in Versailles. Beatrix is een Oranje van de oude stempel: autocratisch van temperament, geneigd haar ministers te overvleugelen of domweg te passeren. Pas met de affaire-Margarita, haar nicht die tot ontstemming van de familie trouwde met de rebelse Edwin de Roy van Zuydewijn, leidde dat tot aanvaringen met de Tweede Kamer. Sindsdien hangt abdicatie in de lucht.