Turkse Nederlanders en Armenië 

Heethoofden

Zodra het om kwesties in het moederland gaat, veranderen gematigde Turkse Nederlanders in radicale nationalisten. Politiek ritsen, hoe doe je dat?

Twee maanden voor de verkiezingen lijken ’s lands politieke kopstukken eindelijk een blik over de grens te werpen. Lijken, want over de inzet van Nederlandse troepen in Afghanistan of de positie van Nederland ten aanzien van de oorlogen in Irak en Libanon wordt nog steeds amper gesproken. Het gaat zelfs niet echt over de massamoord op de Armeniërs. Het debat betreft bovenal de houding van Turkse Nederlanders.

Eigenlijk draait de discussie dus als vanouds om allochtonen en hun integratie. Daar lijkt zeker bij de Turken op politiek vlak aardig schot in te zitten. De organisatiegraad is relatief hoog, er zijn veel Turkse raadsleden en steeds meer Turken gaan stemmen. Zo steeg het opkomstpercentage voor de raadsverkiezingen in Amsterdam van dertig procent in 2002 naar 51 procent dit jaar. In de hoofdstad stemde 94 procent op de PvdA, in Rotterdam 72 procent.

Rooie jongens dus, die Turken. Maar de Nederlandse politiek is de Turkse niet, zo bleek de afgelopen week maar weer eens. Kandidaat-kamerleden kwamen in opspraak wegens hun standpunt over de massamoord op de Armeniërs. Het opvallende is dat het niet om extreem-rechtse Grijze Wolven gaat, maar om sociaal-democraten en CDA-politici die zich plotseling ontpoppen tot chauvinisten. De Armeense genocide is niet de enige kwestie waarbij zulke sentimenten loskomen. Ook als het gaat om bijvoorbeeld de Koerden speelt het Turkse nationalisme op. Blijkbaar gaapt er een flinke kloof tussen het Turkse en het Nederlandse politieke landschap. Een probleempje met politiek ritsen, om het zo maar eens te zeggen.

Denken Turkse Nederlanders ten aanzien van kwesties in het moederland dan zoveel rechtser dan over Nederlandse thema’s? Nee, meent Liza Nell, die bij het Amsterdamse Instituut voor Migratie en Etnische Studies (imes) promoveert op een onderzoek naar transnationale politieke banden van Turkse immigranten. ‘Dat standpunt over de Armeniërs is vanuit Turks perspectief niet per se rechts, maar is gewoon de positie die de Turkse staat inneemt.’

De Turkse en de Nederlandse politiek zijn volgens haar moeilijk met elkaar te vergelijken. Nell: ‘Over het algemeen geldt dat Turkse CDA’ers een voorkeur hebben voor de islamitische akp van premier Erdogan. PvdA’ers vergelijken hun partij graag met de door Atatürk opgerichte chp, die zij als sociaal-democratisch beschouwen. Het moge duidelijk zijn dat een met Atatürk verbonden organisatie een andere visie heeft op de Armeense genocide of de Koerdische kwestie.’

Een soort ‘robuuste sociaal-democratie’ dus, om het modieus te zeggen. Nell: ‘Wij zouden dat misschien als rechts bestempelen, want het is zeer nationalistisch. Maar het is heel moeilijk om links en rechts hier met links en rechts daar te vergelijken.’ Kritiek op de nationalistische dogma’s komt vrijwel uitsluitend van partijen aan de uiterst linkse zijde van het politieke spectrum en intellectuelen als Orhan Pamuk en Elif Shafak.

Wat hier als verwerpelijk en radicaal geldt, is in Turkije mainstream. Hoe kunnen twee zo verschillende politieke culturen samengaan? In ieder geval niet door het debat te voeren op de wijze waarop dat nu gebeurt, menen vrijwel alle Turken, ook degenen die kritisch staan tegenover het nationalisme van de Turkse staat. In zo’n situatie is het niet vreemd dat ook jonge Turkse Nederlanders de hakken in het zand zetten, vindt Sadet Karabulut (31), kandidaat- Tweede-Kamerlid voor de Socialistische Partij en oud-bestuurslid van de linkse Turkse zelforganisatie didf. ‘Toen dit allemaal begon, voelde ik me er ook ongemakkelijk bij. Waarom wordt mij dit nu gevraagd? Ik ben gewoon Nederlandse, je kunt mij niet ter verantwoording roepen voor zoiets. Ik heb er natuurlijk wel een mening over: de Armeniërs zijn toen gewoon massaal vermoord. Maar als die kwestie twee maanden voor de verkiezingen zo uit de kast wordt getrokken, dan heb ook ik daar moeite mee.’

En daar is nog niet alles mee gezegd. Het is immers niet de eerste keer dat de kwestie aan bod komt. Ook bij eerdere gelegenheden trachtten Turkse organisaties de massamoord weg te relativeren, zo niet discussie hierover onmogelijk te maken. Nog begin dit jaar werd een debat over de Armeense genocide op de Rotterdamse Erasmus Universiteit verstoord, waarschijnlijk door Turkse Grijze Wolven. De plaatsing van een Armeens monument in Assen werd enkele jaren terug op alle mogelijke manier gedwarsboomd door organisaties die steevast zeiden namens ‘de Turkse gemeenschap’ te spreken.

Misschien is dat alles slechts het werk van radicale nationalisten, maar een breed gedragen tegengeluid vanuit Turkse hoek blijft achterwege, uitzonderingen daargelaten. De verklaring naar aanleiding van een crisisoverleg van een hele trits Turkse organisaties afgelopen zondag geeft daarbij weinig hoop op verandering. Met een verwijzing naar de onderzoekers en historici die het niet met elkaar eens zijn over de Armeense kwestie, wordt gesteld dat ‘de Turkse gemeenschap niet in staat is een oordeel te vellen over de gebeurtenissen die zich in 1915 hebben voorgedaan’. Een andere groep van vijftien Turkse organisaties sprak in een persbericht zelfs over ‘de vermeende genocide op de Armeniërs’ als ‘een oorlogssituatie waarbij aan weerszijden vele onschuldige burgerslachtoffers zijn gevallen’.

Dit is het punt waarop de voor- en tegenstanders van de multiculturele samenleving ‘behoudende stijl’ elkaar vinden. Het gevaar van het multiculturalisme is dat conservatieven binnen de minderheidsgemeenschappen hierin een excuus vinden om hun behoudende ideeën boven iedere discussie te verheffen zijnde de ‘eigen’, onveranderlijke cultuur – denk bijvoorbeeld aan besnijdenis. Maar het omgekeerde geldt ook, zo toont de Armeense kwestie opnieuw aan. De tegenstanders van het multiculturalisme richten hun pijlen op diezelfde conservatieven en stellen hen voor als representanten van een homogene gemeenschap. Niet voor niets klagen seculiere migranten de laatste jaren over de ‘islamisering’ van alle allochtonen, uitgerekend door mensen als Verdonk en Wilders die die islamisering zeggen te bestrijden.

Zowel het opleggen van overtuigingen van buitenaf als het zwijgen en hopen dat de oude vormen en gedachten vanzelf verdwijnen, blijkt averechts te werken. De journaalbeelden van jonge, geïntegreerde Turken die in de bres springen voor een kwestie die in 1915 in het Ottomaanse Rijk plaatsvond, zijn daarvan het bewijs.

Het is al vaker gezegd: emigranten, juist ook de kinderen van, zijn vaak nationalistischer dan hun landgenoten die thuisbleven. Het resultaat van migratie en mondialisering is dan niet de door postmoderne academici gedroomde global village, maar een serie transnationale etnische enclaves.

Bij het doorbreken van die enge, begrensde gemeenschappen kunnen de conservatieven aan beide kanten gemist worden als kiespijn. De discussie over de Armeense kwestie is noodzaak, maar niet op deze manier. Ritsen: dat is gas terugnemen, even wachten en vervolgens doorrijden. Maar vooral: je niet gek laten maken door heethoofden op beide rijbanen.