Heftig

De magische jaren zeventig veroveren de poppodia weer. Maar of de muziekscene in die tijd nu echt zo fantastisch was? Verwelkte bloemenkinderen en trippende gitaristen bepaalden de sfeer. ‘De punk was een geweldige opluchting.’
Gotcha! speelt onder meer op 2 december in het Utrechtse Tivoli en op 26 december in Paradiso.
BONE, DE BASSIST van Gotcha!, suckt nog eens aan zijn jointje en zegt: ‘Het heeft waarschijnlijk te maken met die oudere broers van ons. Daardoor hebben we al vroeg iets anders dan de mainstream-pop om onze oren gekregen. We zijn daar nu eindelijk iets mee aan het doen. Dat heeft wel lang geduurd. Een ware omzwerving.’

Gotcha! speelt mad-funk, zoals de bandleden hun muziek zelf noemen. Op Gotcha Four, Gotcha’s onlangs verschenen derde cd, worden dansbare funk-grooves gecombineerd met zwoele zanglijnen en stekelige raps. De groep is onmiskenbaar beinvloed door de P-funk waarmee George Clinton, alias Dr. Funkenstein, vanaf 1974 furore maakte. Clinton zelf is een groot fan van Gotcha!. Hij assisteerde bij de opnamen van Gotcha’s debuutalbum en leverde een nummer voor de tweede cd. Inmiddels onderhoudt Gotcha! een hechte Holland- Amerika connectie. Op Gotcha Four spelen Cordell ‘Boogie’ Mosson en Michael 'Clip’ Payne mee, respectievelijk gitarist en zanger van Clintons jaren-zeventigband Funkadelic. Mosson is bovendien peetvader van het dochtertje van Ten, Gotcha’s zanger en rapper.
Pooper, de toetsenist van Gotcha!, was in 1970 twee jaar oud. 'Joep, mijn oudere broer, liet me platen horen van Stevie Wonder, Earth Wind & Fire en James Brown’, zegt hij. 'Dat vond ik fantastische muziek. Als ik tegenwoordig muziek draai, dan komt die meestal uit de seventies: Sly Stone, Parliament, Funkadelic.’ Ook Bone, vier jaar ouder dan Pooper, luistert nog steeds veel naar muziek uit de jaren zeventig. Hij herinnert zich dat er in die tijd heel weinig zwarte popmuziek in Nederland werd gedraaid. 'Alleen maar wat van die oude soul. Er was niet zoveel funk hier. Ik weet nog dat een van mijn oudere broers thuiskwam met platen van Jimi Hendrix. Dat was heftig. Mijn moeder dacht dat het huis omviel. Misschien heb ik op die muziek wel mijn eerste stijve piemeltje gekregen.’
Bone en Pooper beschouwen de jaren zeventig als een nogal maffe 'love, peace en dope’-periode. Pooper: 'Hippies, daar wil ik niet meer naar terug.’ Bone: 'Er werd ontzettend veel geld uitgegeven aan rare dingen in die tijd. Je had niet alleen Clintons wilde funk-entourage maar ook idioot grote tournees van bands als Led Zeppelin. Allemaal van die mega-acts. En veel mensen op het podium, zoals bij Parliament en Funkadelic. Dat heeft ons erg beinvloed. We hebben wat dat betreft ook goed naar Sly Stone gekeken. Als we straks spelen, staan er twaalf man op het podium die een poepstrakke show neerzetten. Zo weggeplukt uit de seventies, bij wijze van spreken. Met zijn allen spelen en lol maken, dat hebben we van die tijd geleerd.’
DE MODERNE popwereld is de Magic Seventies nog niet vergeten. Gotcha! is niet de enige groep die is beinvloed door jaren-zeventigfunk. Ook bij de Red Hot Chili Peppers en Prince zijn sporen van Clintons P- funk terug te vinden. In de hip hop wordt net als in de dance-muziek veelvuldig gebruik gemaakt van James Browns street- funk en beats van Funkadelic. Ook de rock uit de jaren zeventig kent zijn navolgers. Neil Youngs kneuterigheid herleeft soms wat al te nadrukkelijk in Nederlandse bands als Hallo Venray en Bettie Serveert. Soundgarden, Pearl Jam en Alice in Chains, prominente groepen uit de Amerikaanse Seattle-scene, dragen het stempel van de seventies-hardrock. Een deel van Pearl Jam begeleidde Neil Young onlangs tijdens een kleine Europese tournee en speelde mee op zijn laatste plaat. In Mirror Ball, zijn terug- naar-de-seventies-hitje, neuzelt hij over psychedelica, hippies en Jimi Page, de legendarische gitarist van Led Zeppelin.
De basis voor de popmuziek werd gelegd in de jaren zestig. Jonge mensen gingen, meestal beinvloed door blues en folk, muziek maken met moderne apparatuur: elektrische gitaren en basgitaren, uitgebreide drumkits. Vanaf het einde van de jaren zestig ontstonden binnen de pop steeds meer verschillende stromingen. Met name de stijlen met de toevoeging 'rock’ in de naam schoten als paddestoelen uit de grond. In het kielzog van de Jimi Hendrix Experience en Cream van Eric Clapton ontstond de hardrock, met seventies-pioniers Led Zeppelin, Black Sabbath en Deep Purple. In de jazzwereld keken jonge musici niet langer neer op de popmuziek, maar probeerden er een link mee te leggen. Miles Davis ging samenspelen met rock-artiesten en legde zo de basis voor de jazzrock. De glamrock, genoemd naar de kitscherige glamour-kledij van de nieuwe rockers, leverde mega-sterren en tieneridolen op als David Bowie en Lou Reed.
Al die stijlvarianten, waaraan nog de country-rock, de pub-rock en de symfonische rock moeten worden toegevoegd, zouden de indruk kunnen wekken dat de popmuziek in de eerste helft van de jaren zeventig bol stond van de vernieuwende invloeden. In feite werd echter kritiekloos voortgeborduurd op ontwikkelingen die al in de jaren zestig waren begonnen. De Beatles verdwenen weliswaar in 1970 van het toneel, maar andere grote sixties-bands zoals de Rolling Stones en de Who kabbelden rustig voort. Ook de Philadelphia-soul die begin jaren zeventig opkwam met de Three Degrees, drie dames in glitterjurken die Dirty Old Man vertolkten (een wereldhit in 1973), was niet veel meer dan de Motown Sound in een gladder jasje. De Amerikaanse funk droeg vernieuwende kracht in zich, maar kreeg in Europa moeilijk voet aan de grond. De doorbraak van de reggae liet op zich wachten en voor de punk-explosie was het nog te vroeg.
De enige belangrijke ontwikkeling voor de popmuziek van de vroege jaren zeventig was het ontstaan van de snel commercialiserende vrijetijdscultuur. Wat in de jaren zestig werd bevochten door eenlingen, werd in de seventies voer voor de massa. Popmuziek verloor zijn maatschappijkritische karakter en werd junkfood. De muziekindustrie legde in die tijd de basis voor een wereldwijde infrastructuur die nog steeds bestaat: distributienetwerken, platenmaatschappijen, steeds grotere popfestivals, jongerencentra, popbladen en platenwinkels. De wereld van de popmuziek werd professioneler en commercieler, de bands vroegen meer geld, de podia en de geluidsinstallaties werden groter en geavanceerder.
Ook de tienermode werd big business. De glamrock ging gepaard met een specifieke kledingstijl. Publiek en ster hulden zich in extravagante pakjes. Een constante verkleedpartij die in ons decennium dunnetjes wordt overgedaan. Want wat zou de gemiddelde mellow-houser zijn zonder plateauzolen, wijde pijpen of hot pants?
JAAP VAN BEUSEKOM (47), directeur van de Stichting Popmuziek Nederland, speelde banjo en dobro-gitaar in de Amsterdamse folkband CCC Inc., opgericht ten tijde van de folk-boom halverwege de jaren zestig. Volgens hem ging het vanaf 1970 bergafwaarts met de artistieke ontwikkeling van de popmuziek. 'In die tijd commercialiseerde de muziekwereld tamelijk snel. De lol was er van af omdat het ongedwongene verdween. Sommigen van ons hadden kinderen gekregen, dus we moesten van de band kunnen leven, of met iets anders ons geld gaan verdienen. Maar we zagen het niet zitten om platen te gaan maken die in die commerciele sfeer pasten en dus zijn we er in 1974 mee gestopt. We hadden toen vijf LP’s gemaakt. Die verkochten redelijk, maar daar hield je uiteindelijk helemaal niets aan over. Toen ik na de opheffing van CCC eens om me heen ging kijken in de muziekwereld, schrok ik me rot. Er gebeurde helemaal niets nieuws. In mijn herinnering was alles naar, saai en vervelend en was iedereen chagrijnig.’
Ook Huib Schreurs, van 1975 tot 1990 directeur van de Amsterdamse rocktempel Paradiso en ex-harmonicaspeler van CCC inc., heeft slechte herinneringen aan die tijd. Schreurs: 'Wat rond 1975 voor de officiele popmuziek doorging, vond ik echt waardeloos. Al die grote installaties en dat gedoe van geluid afstellen, het was vreselijk. Bands met twee drummers die alles tot in de puntjes geregeld wilden hebben en dan vervolgens beestachtig hard zaten te rammen, dat vond ik niks. Het ergste was de symfonische rock. Allemaal heel patserig en duur, terwijl de muziek nergens over ging. Ik vond het niks en ik weet eigenlijk ook zeker dat het niets was. Het straalde niets uit en het ging over onzin.’
Volgens Schreurs was al vanaf het begin van het decennium duidelijk dat er iets niet goed zat. Inderdaad begonnen de jaren zeventig voor de popmuziek tamelijk desastreus. De Beatles gaven er in 1970 de brui aan. Brian Jones, gitarist van de Rolling Stones, overleed in 1969 nadat hij bewusteloos in zijn zwembad was gevonden. In 1970 volgden Jimi Hendrix (overdosis slaaptabletten) en Janis Joplin (overdosis drugs). Een jaar later werd een hartaanval Jim Morrison van de Doors fataal en vermoordden Hells Angels tijdens een Stones- concert een zwarte jongen. Schreurs: 'Door dit soort gebeurtenissen sloop er heel langzaam iets engs in de muziek. Ik merkte dat heel sterk bij Sister Morfine van de Stones. Toen ik dat nummer hoorde dacht ik: dit is toch mijn wereld niet. Het is een prachtig lied, maar het verwijst naar een diepe, diepe ellende die met die hele glamourwereld verbonden is. Ik dacht: Ja, Jagger, dat kun je wel mooi zingen, maar jij kan al die ellende met je poen opvangen. Je publiek kan dat niet. Kijk, drugsgebruik wordt in dat nummer niet aangemoedigd, maar toch dacht ik: Jesus, waar houdt deze ellende op.’
Door de snelle commercialisering ontstond een voedingsbodem voor decadentie die onder meer tot uiting kwam in de dubbelloopsgitaar, voor gitaristen die zich te goed vonden om een normaal instrument met maar een hals te bespelen, en de driedubbel-LP met drumsolo’s die soms een hele kant in beslag namen. De decadentie leidde bij sommige artiesten tot minder onschuldige taferelen. Overmatig heroinegebruik eiste zijn tol van onder anderen Eric Clapton, die door zijn verslaving steeds onzekerder ging spelen. Lou Reed maakte het wel erg bont. Hij zwoer bij zwart lederen stoeipakjes en diende zichzelf en plein public shots toe. Jarenlang prijkte hij samen met Keith Richards van de Rolling Stones bovenaan de lijst van artiesten die volgens popcritici aan hun verslaving zouden sterven.
Schreurs: 'Toen ik net directeur was van Paradiso, lagen er binnen steevast allemaal junks. Zwaar aan de heroine. Paradiso bleef leeg omdat zij daar altijd lagen te trippen. Dat had niets heroisch meer. Het was een triest en zielloos laatste restje sixties. Niemand had in de gaten dat het over was. Ook in de muziek sijpelden de jaren zestig te lang door en bleef vernieuwing uit. Het talent zocht geen vernieuwing meer. Het zat in de mainstream en die was heel gelikt.’
ER WAS INDERDAAD iets mis met de popcultuur van de jaren zeventig. Het ontstaan van de disco uit een synthese van funk en Philadelphia-soul was voor velen de druppel die de emmer deed overlopen. De disco was het toppunt van commerciele geliktheid, een reactie kon haast niet uitblijven. En dus werden vanaf 1976 de seventies door een horde punkbands compromisloos en met snoeihard gitaargeweld de jaren tachtig ingebeukt.
Volgens Jaap van Beusekom vertoonden de jaren zeventig al vanaf het begin een grimmigheid die de jaren zestig vreemd was. 'De Koude Oorlog was op zijn hoogtepunt en de oorlog in Vietnam werd voor het oog van de wereld een catastrofe. Bestuurlijk Nederland begon te kraken en de democratisering op de universiteiten bleek niet goed te werken. Nee, in de jaren zeventig was het allemaal niet meer zo vrolijk. Er was nog even een kabinet Den Uyl, maar verder was het alleen nog maar een coalitie van VVD en CDA die regeerde. Het werd echt grimmig tijdens de oliecrisis. Toen begreep vrijwel iedereen dat de gouden tijden definitief voorbij waren.
In die ellende ontstond na 1975 de punk. Rauwe muziek met harde teksten. Het was een reactie op het softe, achterhaalde hippietijdperk en op de commercialisering. Punkers weigerden die gepolijste symfonische shit aan te horen. Ze redeneerden niet meer vanuit die vrolijke bloemetjeskant, maar vanuit een zwartgalliger, grimmiger perspectief.’
De punk was zowel een sociaal als muzikaal verschijnsel. Met hard en simpel gitaargeweld, uitdagend verslonsde kleding en luidruchtig uitgedragen anarchistische denkbeelden verzetten de punks zich tegen het establishment. De gekunstelde jaren-zeventigpop, vooral de disco, was voor hen het mikpunt van spot. In het kielzog van de punk ontstonden vele kleine onafhankelijke platenlabels en clubs. Om inkapseling door de muziekindustrie te voorkomen, wilden de punks hun muzikale activiteiten in eigen beheer houden.
Rocktempel Paradiso kwam al heel snel met de eerste punkbands. Schreurs: 'Met de punk hebben we ontzettend veel mazzel gehad. De zaal bleef leeg door een heel slecht imago. Halverwege de jaren zeventig stonden we bekend als een tent voor hippies en junks. Bands weigerden te spelen, want ze wilden niet tot hippiegroep bestempeld worden. Met name de vloeistofdia’s die boven het podium werden geprojecteerd, droegen bij aan dat imago van laat hippiedom waar niemand meer op afkwam. Bubbeltjesbeelden, grote sticks, junks, Duitsers met een slaapzak. Daar kon de tent niet op draaien. Dus dat hebben we eruitgewerkt. Ik ben daar niet trots op, maar het moest gebeuren. Kort daarna barstte de punk los. Toen was de zaal weer vol. De punk was voor mij een geweldige opluchting. Op een goed moment speelde Johnny Rotten met de Sex Pistols in Paradiso. Dat was werkelijk heel anders dan die grote dure rockbands. Die Rotten was een ontzettend leuk kereltje. Het podium was vrijwel leeg. Allemaal van die kleine kastjes waar een enorm kabaal uit kwam, veel herrie en hoge tempo’s. En dat leuke kereltje sprong na afloop gewoon de zaal in. Dat had ik al jaren niet meer gezien. Want al die popmuzikanten verdwenen na afloop in de kleedkamer en zochten geen contact met het publiek. Met de sfeer van de Sex Pistols kon ik tenminste iets.
Ook toen de punkconcerten massaal werden, bleven die avonden heel mooi. Er was altijd een fantastische sfeer. Het was alleen wel erg heftig. Als ik in de kelder stond zag ik de vloer golven door al die pogoende mensen. Op een gegeven moment dacht ik echt dat ze door de vloer zouden zakken. Bij een concert van de Stranglers merkte ik voor het eerst dat er bij de punk ook veel geweld zat. De zaal was uitverkocht, maar er wilden nog mensen naar binnen. Die hebben toen met een geimproviseerde stormram de deuren opengebroken. Dat is daarna nog meermalen gebeurd.’
Zowel Jaap van Beusekom als Huib Schreurs zien het ontstaan van de punk als de belangrijkste ontwikkeling in de jaren-zeventigpopmuziek. Maar de punk werd al heel snel, nog voor het einde van het decennium, ingekapseld door de commercie en verloor daardoor veel van zijn vernieuwende kracht. Je kunt je afvragen wat de hele ontwikkeling van de jaren-zeventigpop met de punk als sluitstuk, heeft opgeleverd. Van Beusekom: 'De Engelse punk, de Sex Pistols, en daarna de Amerikaanse groepen, van Blondie tot en met de Stranglers, brachten het publiek en masse terug en dat is nooit meer opgehouden. De groei zit er nog steeds in.’
Schreurs beaamt dat. 'Toen de punk kwam, barstte het kleinschalige weer los. Daardoor gingen de kleine zalen weer leven. Dus keerden na verloop van tijd ook de hardrock en al die andere stijlen er in terug. In de tweede helft van de jaren zeventig kon de reggae zo dat circuit in. Dat was trouwens ook een tijdje moordend mooi.’
Maar heeft Schreurs als zaalhouder zelf niet meegewerkt aan de commercialisering van de punkmuziek en dus aan de ondergang? Schreurs: 'Welnee. Zoveel invloed heeft Paradiso niet. We dachten natuurlijk wel aan het belang van ons zaaltje. Dat moest vol en liefst op een zo leuk mogelijke manier. Daarvoor zeiden de stamgasten tegen me: “Huib, je avond is niet gezellig. Het is kutmuziek en er komt geen hond op af. Wat doen we hier eigenlijk?” Nee, ik was echt blij met de punk, niet alleen vanuit commercieel oogpunt. Laatst speelden de Stranglers weer in Paradiso. Daar ben ik natuurlijk heen geweest. Het was meesterlijk.’