Biopolitiek en etnocide op z’n Chinees

Heftige harmonie in Xinjiang

De onderdrukking van de Oeigoeren in de provincie Xinjiang neemt ongekend harde vormen aan. Critici denken dat Xinjiang de proeftuin is van de controlestaat die de steeds dictatorialer optredende Xi Jinping voor heel China voor ogen staat.

De oude stad van Kashkar in Xinjiang, 2017 © Thomas Peter / Reuters / ANP

Musa is zichtbaar geëmotioneerd als hij vertelt dat hij sinds vorig jaar zomer geen contact meer krijgt met zijn ouders en zijn broer, die in een dorp in de buurt van Kashkar wonen. Ik spreek met hem via Skype over de tragedie die zich momenteel in de Chinese provincie Xinjiang voltrekt. Musa is een 45-jarige Oeigoer, in zijn vorige leven een populair docent aan het departement politieke wetenschappen van Xinjiang Normal University in Ürümqi, de hoofdstad van wat officieel de ‘Xinjiang Oeigoerse Autonome Regio’ heet. Eind 2006 vluchtte hij, nadat hij politieke problemen had gekregen, met zijn gezin naar de Verenigde Staten, waar hij de status van vluchteling kreeg. Onderwerp van gesprek zijn de concentratiekampen die volgens berichten in de internationale pers de afgelopen twee jaar in Xinjiang zijn verrezen.

Volgens schattingen zitten momenteel een miljoen Oeigoeren vast in interneringskampen en verblijven nog eens twee miljoen anderen in heropvoedingskampen. Dat is meer dan een kwart van de Oeigoerse bevolking van Xinjiang. De Chinese overheid ontkende aanvankelijk, maar na publicatie van satellietbeelden, die het bestaan van de kampen onomstotelijk aantoonden, gaf ze halfslachtig toe. Het zou gaan om ‘opleidingscentra’ die mensen die ‘kleine overtredingen’ hebben begaan de kans geven op een nieuwe loopbaan.

De werkelijkheid is anders. Musa vertelt dat hij in 2016 nog eenmaal naar Xinjiang is teruggekeerd om zijn ernstig zieke moeder in Kashkar te bezoeken. Het bleek toen al onmogelijk om naar het vijftienhonderd kilometer ten zuidwesten van Ürümqi gelegen Kashkar te reizen, maar ze spraken af in het ziekenhuis in de hoofdstad waar zijn moeder zou worden opgenomen. ‘De repressie van de Oeigoeren heeft sinds mijn vertrek naar de VS schrikbarende vormen aangenomen’, zegt Musa. ‘Xinjiang is een gewelddadige politiestaat geworden. Op weg naar het ziekenhuis zag ik vanuit de taxi overal langs de weg enorme brandkranen. Volgens de Oeigoerse chauffeur waren die daar na de opstand van 2009 geplaatst om na ongeregeldheden het bloed snel van de straten te kunnen spuiten. Veel van mijn Oeigoerse vrienden en vroegere collega’s bleken te zijn gearresteerd en geïnterneerd in kampen.’

Musa’s vader waarschuwde hem tijdens zijn bezoek dat hun telefoon en e-mail systematisch werden afgeluisterd en op straat werd Musa voortdurend aangesproken door vreemden die hem kritische uitspraken over de Chinese regering probeerden te ontlokken. ‘Ik ben toen dag en nacht in het ziekenhuis gebleven omdat ik bang was te worden opgepakt. Na twee weken heb ik een taxi naar het vliegveld genomen en kon ik dankzij mijn Amerikaanse paspoort het land gelukkig zonder problemen verlaten, maar sinds vorig jaar zomer kan ik geen contact meer krijgen met mijn familie. Via omwegen hebben ze me laten weten dat het goed met ze gaat, maar ik weet niet of ze dat zeggen om me niet nog ongeruster te maken, of dat ze daartoe misschien wel gedwongen worden door de politie. Ik ben vooral bang voor mijn broer, die vier kinderen heeft. Hij heeft een nogal grote mond en kan kritiek moeilijk voor zich te houden. Ik vrees dat hij inmiddels ook zal zijn gedetineerd, of erger…’

Die vrees is niet ongegrond. Xinjiang verkeert inmiddels in een staat van beleg. Om de paar honderd meter zijn er door militairen bemande checkpoints waar Oeigoerse voetgangers en automobilisten steeds opnieuw worden gecontroleerd, terwijl Han Chinezen zonder problemen worden doorgelaten. De Oeigoeren zijn strikte reisbeperkingen opgelegd en zijn verplicht hun paspoorten ‘in bewaring’ te geven bij de politie. Hoofddoeken en islamitische baarddracht zijn verboden en ook religieuze ceremonieën bij trouwpartijen en begrafenissen en het oproepen tot halalmaaltijden zijn illegaal verklaard.

De Chinese overheid presenteert de ‘Strike Hard Campaigns’ in Xinjiang, die sinds 9/11 in aantal en heftigheid zijn toegenomen, als een onderdeel van de wereldwijde war on terror, gericht tegen het islamterrorisme. De Drie Kwaden waartegen de campagnes zijn gericht zijn gaandeweg getransformeerd van ‘separatisten, terroristen en zware criminelen’ tot ‘terroristen, separatisten en religieuze extremisten’. Het officiële jargon kan echter niet verhullen dat de strijd tegen het moslimterrorisme in toenemende mate een etnische strijd is geworden tussen de Han Chinezen, die zich sinds de communistische machtsovername in 1949 in groten getale in Xinjiang hebben gevestigd, en de Oeigoeren. Waar die oorlog zich aanvankelijk richtte op aan de Taliban en IS gelieerde elementen binnen de Oeigoerse gemeenschap lijkt de huidige politiek er – in de woorden van Chris Buckley in The New York Times van 8 september – op gericht te zijn ‘to remove any devotion to islam’.

Doel is de Oeigoeren volledig te assimileren in de zich onder Xi Jinping steeds nationalistischer manifesterende Han-cultuur. Het resultaat lijkt vooralsnog vooral contraproductief, omdat de repressie de radicale islam, die tot enkele decennia geleden binnen de Oeigoerse cultuur een kleine minderheid vormde, enkel in de kaart lijkt te spelen. Reconstructie van een biopolitieke etnocide op z’n Chinees.

In 2006 nodigde Musa mij uit om een gastcollege te geven aan Xinjiang Normal University. Musa had in 2003-2004, daartoe in de gelegenheid gesteld door een Nederlandse beurs, aan de Erasmus Universiteit de master wijsbegeerte gevolgd. Omdat ik regelmatig China bezocht raakten we ook buiten de colleges met elkaar in gesprek en er ontwikkelde zich een vriendschap tussen ons. Ook na zijn terugkeer naar Xinjiang bleven we contact houden. Toen ik hem in 2006 schreef dat ik later dat jaar aan een conferentie in Chengdu zou deelnemen, nodigde hij me uit hem in Ürümqi te bezoeken en een lezing over multiculturalisme te geven, volgens Musa een hot topic in Xinjiang. De stijlfiguur van het understatement is ook Oeigoeren niet vreemd.

De in het noordwesten van China gelegen Xinjiang Oeigoerse Autonome Regio beslaat een zesde deel van China en is daarmee de grootste provincie van de Volksrepubliek. De steppen in het noordelijke Dzjoengaarse bekken worden door het onherbergzame Tiensjan-gebergte gescheiden van de woestijnen in het zuidelijke Tarimbekken, waarin zich oasesteden als Kashkar bevinden, die enkele duizenden jaren geleden tot ontwikkeling kwamen in de tijd van de zijderoute. Economisch is Xinjiang van groot belang voor China vanwege de grote hoeveelheden gas, olie en mineralen. In het oosten en zuiden grenst de regio aan de provincies Gansu, Qinghai en Tibet en de buitengrenzen ten noorden en westen maken Xinjiang een buurland van Mongolië, Rusland, Kazachstan, Kirgizstan, Tadzjikistan, Afghanistan, Pakistan en India.

Minder dan een tiende van het land is bewoonbaar en met zo’n 25 miljoen inwoners is Xinjiang bijzonder dunbevolkt. Het merendeel van de bevolking bestaat uit Oeigoeren (45 procent), die vooral in het Tarimbekken wonen, en Han Chinezen (41 procent), die een meerderheid vormen in het noordelijke bekken en in de daarin gelegen hoofdstad Ürümqi, met 3,5 miljoen inwoners de grootste stad in Centraal-Azië. Het overige deel van de bevolking bestaat uit een groot aantal andere minderheden, waaronder Kazachen, Hui, Kirgiezen, Mongolen, Tadzjieken, Russen en Wolga-Tataren. De verschillende bevolkingsgroepen leven grotendeels gescheiden van elkaar in aparte districten of – zoals het geval is in Ürümqi – stadswijken.

Op de kleurrijke Grote Bazar in Ürümqi, waar Musa mij rondleidt, worden we omringd door honderden Oeigoeren, de meeste mannen getooid met een doppa, een vierkant geborduurd hoofddeksel van Turkse oorsprong. Moskeeën met verlichte minaretten tekenen zich af tegen de nachtelijke lucht. Als de Chinese karakters het stadsbeeld niet zo nadrukkelijk zouden domineren zou ik mij in een van de omringende ‘-istanlanden’ wanen. Het gebied werd in het verleden en door veel Oeigoeren ook nu nog aangeduid als Oost-Turkestan. Bagdad is hier zowel geografisch als cultureel dichterbij dan Beijing.

De gezellige drukte op de Grote Bazar kan niet verhelen dat er een spanning in de lucht hangt. Overal in het centrum patrouilleren groepjes van drie politieagenten met machinegeweren over de schouder. Terwijl we shish kebab eten in een van de talloze Oeigoerse restaurants en ons een van de lokale bieren laten smaken (‘People in Xinjiang drink the Old City Alcohol’, vermaant een gigantisch billboard tegenover ons restaurant), vertelt Musa over de gespannen verhouding tussen de Oeigoeren en de Han Chinezen. Waren er in 1947, kort voor de communistische machtsovername, 220.000 Han Chinezen tegenover drie miljoen Oeigoeren, sindsdien zijn miljoenen Han Chinezen uit de overbevolkte oostelijke provincies naar Xinjiang verhuisd en zijn de Han hard op weg de Oeigoeren in aantal voorbij te streven. Deze ontwikkeling is gepaard gegaan met een sinificatie (verchinezing) van de provincie. Waar het Oeigoers lange tijd de lingua franca van Xinjiang was geweest nam het standaard Mandarijn-Chinees deze rol gaandeweg over.

Oeigoeren zijn verplicht speciale spyware op hun smartphones te installeren die alle vormen van communicatie monitort

‘Het Oeigoers’, legt Musa uit, ‘is een “wenkbrauwtaal” geworden: op straatborden en andere officiële borden staat de naam in grote Chinese karakters geschreven, en vormt de Oeigoerse naam een bescheiden streepje daarboven. Hoewel al het onderwijs volgens de grondwet tweetalig is, is het Chinees dominant geworden. Naast Oeigoeren die in het Oeigoers worden onderwezen zijn er, vooral in de steden, steeds meer Oeigoeren die geheel in het Chinees zijn geschoold. Sinds 2002 stopte Xinjiang University zelfs alle onderwijs in het Oeigoers, waardoor Oeigoerse docenten die het Chinees onvoldoende beheersten hun banen verloren.’

Hoewel ik de frustratie van Oeigoeren als Musa begrijp, vond ik de situatie tijdens mijn bezoek in 2006 nogal verwarrend. Oeigoerse nationalisten beweren dat de Oeigoeren de oorspronkelijke bewoners van Xinjiang zijn. De Oeigoerse historicus en politicus Muhemmed Imin Bughra beweert in zijn A History of East Turkestan zelfs onomwonden dat ze er al negenduizend jaar wonen. In werkelijkheid kent de regio een veel complexere en roeriger geschiedenis. Dankzij de befaamde Zijderoute zijn er van oudsher genetische en culturele invloeden uit alle windstreken geweest. De huidige Oeigoeren in Xinjiang zijn ontstaan door vermenging van de uit Mongolië afkomstige Turkse stammen met de al langer in de regio levende Kaukasische bevolking. Deze Kaukasische groep sprak en schreef een Indo-Europese taal (Tochaars) en is genetisch verwant aan Scandinaviërs. Onderweg van West-Europa naar China hadden ze zich bekeerd tot het boeddhisme.

Anders dan de Han Chinezen moeten de Oeigoeren in Kashkar overal door checkpoints, 2017 © Ng Han Guan / AP Photo / HH

De strijd tussen de Han en de Oeigoeren wordt niet alleen in de straten uitgevochten, maar ook in de musea. Als we het Regionale Museum bezoeken om de beroemde collectie mummies – de eerste werden in 1939 opgegraven, maar lagen tot 2000 te verstoffen in een depot – te bekijken, blijkt ook de wetenschap in Xinjiang langs etnische lijnen te zijn gepolitiseerd. De door het droge klimaat bijzonder goed geconserveerde en kleurrijk geklede mummies, waaronder de Loulan Beauty, zien er niet erg Chinees uit. Ze hebben Kaukasische trekken (hoge jukbeenderen, lange neuzen), zijn naar Aziatische maatstaven erg lang en hebben blond, lichtbruin en rood haar. Als ik de conservator, een goede vriend van Musa, die ons een persoonlijke rondleiding geeft, vraag hoe oud de mummies zijn, begint hij te lachen en vraagt hij me: ‘Wil je het Chinese of Oeigoerse antwoord horen?’ Ik wil graag beide horen. ‘Het Chinese antwoord luidt dat ze tweeduizend jaar oud zijn, dat wil zeggen dat ze dateren van na de eerste door Han-generaal Zhang Qian georganiseerde expeditie in de tweede eeuw voor Christus, die door de Han Chinezen vaak wordt genoemd om hun aanspraak op Xinjiang historisch te legitimeren. Het Oeigoerse antwoord luidt dat ze minstens drieduizend jaar oud zijn en bewijzen dat de Oeigoeren al geruime tijd voordat de Han kwamen de regio bewoonden.’

dna-onderzoek in 2007, waarvan de Chinezen aanvankelijk niets wilden weten, leerde dat de Oeigoeren op het eerste punt gelijk hadden. De Loulan Beauty blijkt zelfs 3800 jaar oud te zijn. Maar Oeigoers kan deze schoonheid vanwege haar Scandinavische genetische wortels moeilijk worden genoemd. Het zou nog 2500 jaar duren voor haar nazaten met Turkse stammen uit Mongolië zouden hybridiseren tot de hedendaagse Oeigoeren.

Nadat de regio in de eerste zeven eeuwen van onze jaartelling deel had uitgemaakt van de Han- en Tang-dynastieën en het Tibetaanse Rijk stichtten de Oeigoeren in de achtste eeuw een enorm rijk, van de Kaspische Zee tot Mantsjoerije. Maar het was van relatief korte duur. Vanaf de elfde eeuw verdrong de islam het boeddhisme en ging de regio deel uitmaken van de kanaten van Chagathai en Moghulistanen, en de benaming ‘Oeigoer’ raakte gaandeweg in de vergetelheid. In de dertiende eeuw onderwierpen de heersers van het gebied zich aan Dzjengis Khan en werd het deel van het Mongoolse Rijk. En in 1759, ten tijde van de imperialistische Qing-dynastie, werd het Tarimbekken opnieuw ingelijfd bij het Chinese Rijk.

Pas in de twintigste eeuw, in de roerige periode van de Chinese Republiek, gesticht na het instorten van de Qing-dynastie in 1912, werd het begrip Oeigoer door Russische geleerden met een politieke agenda weer van stal gehaald. De herinnering aan het Oeigoerse Rijk uit de achtste eeuw inspireerde mede de vorming van de Eerste en Tweede Oost-Turkestaanse Republiek (respectievelijk 1933-34 en 1944-1949). Na de machtsovername van de communisten in 1949 volgde een aantal jaren van verzet, waarbij niet-Han-groepen als de Kazachen door de Sovjet-Unie werden gesteund. Het is pikant dat het de Chinese communisten waren die met de instelling van de Xiang Oeigoerse Autonome Regio in 1955 deze ‘etnogenese’ officieel bekrachtigden.

‘Onder Mao’, zegt Musa, ‘zag de toekomst van de Oeigoeren er aanvankelijk niet al te slecht uit. Hoewel de autonomie duidelijke grenzen kende, kregen minderheden het bestuur over de hun toegewezen departementen. De Communistische Partij streefde een multiculturele samenleving na waarin de vele tientallen minderheden en de Han in harmonie zouden samenleven.’

Dat de verschillende culturen en talen wettelijk werden beschermd in Xinjiang is onmiskenbaar. De provincie, die tot 1949 geen musea en bibliotheken kende, zag in de daaropvolgende decennia 81 bibliotheken en 23 musea verrijzen en 98 kranten in 44 talen verschijnen. De minderheden kenden zelfs jaloersmakende privileges, zoals het vrijgesteld zijn van de eenkindpolitiek. En hoewel de communistische heilsleer traditionele religies overbodig maakte, werden deze relicten uit het verleden getolereerd zolang ze niet tornden aan het gezag van de Communistische Partij (CP). Taal en religie behoren tot de meest identiteitsgevoelige zaken en de CP leek te beseffen dat zolang die worden gerespecteerd de meeste mensen zich schikken in hun lot.

Dat neemt niet weg dat, zoals Arienne Dwyer in The Xinjiang Conflict: Uyghur Identity, Language Policy and Political Discourse (2005) uit de doeken doet, het communistische bestuur vaak surrealistische vormen aannam. Toen de Volksrepubliek China en de Sovjet-Unie in het midden van de jaren vijftig hun banden aanhaalden, bedacht de Chinese regering dat het ter bevordering van de handel goed zou zijn het op het Arabische schrift gebaseerde Oeigoerse schrift te vervangen door een aangepast Cyrillisch schrift. Musa vult aan: ‘De CP hoopte daarmee ook dat de invloed van de islam vanuit Afghanistan en Pakistan zou worden beperkt.’ Omdat de betrekkingen tussen China en de Sovjet-Unie snel daarna ernstig bekoelden, besloot de Chinese regering over te gaan op het Latijnse alfabet, om te voorkomen dat de Sovjet-Unie haar invloed in de regio linguïstisch zou kunnen bestendigen.

Het valt te begrijpen dat deze radicale wijzigingen zowel om identiteitspolitieke als praktische redenen slecht vielen bij de Oeigoeren. De Chinese regering zette echter door en in 1976 werd de latinisering officieel ingevoerd. Enkele jaren later werd het Latijnse schrift door alle massamedia en circa tachtig procent van de intellectuelen en de helft van de overige bevolking gebruikt. ‘De generatie van mijn ouders werd in het Latijnse schrift geschoold’, vertelt Musa. ‘Toen China in de jaren tachtig onder Deng Xiaoping een liberaler en toleranter koers insloeg, maakte het Arabisch tot grote vreugde van mijn grootouders een revival door en werden er ook belangrijke Oeigoerse literaire en religieuze anthologieën gepubliceerd.’ >

Toen Musa in de laatste klas van de lagere school zat, werd het Arabische schrift officieel geherintroduceerd. ‘Door mijn generatie, die had leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift en daardoor gemakkelijk toegang vond tot modern westers gedachtegoed, werd de door islamistische Oeigoeren toegejuichte terugkeer van het Arabische schrift opgevat als een terugval in een verleden dat wij liever achter ons wilden laten.’

Sommigen verdenken de Chinese overheid ervan deze taalpolitiek opzettelijk te hebben geïntroduceerd om de generaties tegen elkaar op te zetten. Echt nodig lijkt dat niet te zijn geweest, want als Joanne Smith Finley’s boek The Art of Symbolic Resistance: Uyghur Identities and Uyghur-Han Relations in Contemporary Xinjiang (2013) iets duidelijk maakt, is het wel dat de politieke ideeën van de Oeigoeren, in weerwil van hun gedeelde antipathie jegens de Han, sterk uiteenlopen. Als ik tijdens mijn bezoek in 2006 met Musa en een groep vrienden de toekomst van Xinjiang bespreek, blijkt dat sommigen van hen een onafhankelijk Xinjiang nastreven. Als ik Musa daarnaar vraag, wijst hij dat idee resoluut af. Volgens hem zou een dergelijke omwenteling ongetwijfeld door de kleine maar fanatieke groep islamisten, al dan niet met buitenlandse hulp, worden gekaapt, wat van Xinjiang een tweede Afghanistan zou maken. Maar evenmin kan hij zich vinden in een assimilatie aan de Han-cultuur. Musa ziet het meest in een multiculturele samenleving van de verschillende etnische groepen, met respect voor elkaars taal, cultuur en levensbeschouwing. Van zijn bezorgde vrienden hoor ik dat Musa’s door westerse ideeën geïnspireerde colleges over dat onderwerp van heinde en verre studenten trekken en de leiding van zijn faculteit en universiteit een doorn in het oog zijn.

Een gewapende opstand in een dorp nabij Kashkar in 1990 en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 maakten een einde aan de tolerantie die de jaren tachtig had gekenmerkt. Met name afscheiding en de snelle islamisering van de aan Xinjiang grenzende voormalige sovjetrepublieken voedden de angst van de Chinese regering dat dit ook islamitisch separatisme van de Oeigoeren zou aanwakkeren. Het leidde tot een steeds repressiever beleid, variërend van censuur van nationalistische uitingen tot gevangenneming van al dan niet vermeende separatisten. Ook het praktiseren van de islam buiten de door de staat gecontroleerde moskeeën werd vanaf die tijd aan steeds meer restricties onderworpen. Het leidde tot steeds grotere spanningen en toen in 1997 een Oeigoers oproer in Noord-Xinjiang bloedig werd neergeslagen en er meerdere doden vielen, werd dat geweld drie weken later – op de dag dat de dood van de kort daarvoor gestorven Deng Xiaoping werd herdacht – beantwoord met een drievoudige bomaanslag op publieke bussen in Ürümqi.

Dat China de repressie presenteert als onderdeel van de mondiale strijd tegen islamfundamentalisme lijkt bedoeld om steun van westerse mogendheden te krijgen

Volgens Musa is de islam in Xinjiang traditioneel bijzonder gematigd, zelfs op het platteland. Wanneer hij me meeneemt naar de bruiloft van een van zijn vrienden kan ik me ook moeilijk aan die indruk onttrekken. Hier wordt het leven gevierd. De opzwepende muziek nodigt uit tot meedansen en bij de goed gevulde dis wordt er veelvuldig getoost met de lokale wodka. ‘People in Xinjiang drink the Old City Alcohol.’

Maar zo tolerant is de islam in Xinjiang niet altijd geweest. Musa neemt mij mee naar de Bizeklik Duizend Boeddha-grotten bij Turpan, tweehonderd kilometer van Ürümqi, in het noordoosten van de Taklamakan-woestijn. De 77 in de rotsen uitgehakte grotten zijn bedekt met schilderingen van vele honderden boeddha’s, omringd door afbeeldingen van Turken, Indiërs en Europeanen. Ze zijn gemaakt tussen de vijfde tot veertiende eeuw door boeddhistische Oeigoeren. Na de islamisering van Xinjiang werden veel van de muurschilderingen slachtoffer van religieus geïnspireerd vandalisme. Gezichten en ogen zijn weggekrast. Musa’s ideaal van een tolerante multiculturele samenleving is allerminst een gegeven, maar een historische opgave zonder weerga.

Peter Parks / AFP / ANP © Oeigoerse vrouwen passeren paramilitaire politie in Ürümqi, de hoofdstad van de provincie Xinjiang

Op de eerste rij van de collegezaal waar ik mijn lezing over het multiculturalisme zal houden, zitten de decaan van de faculteit en de secretaris van de Communistische Partij. Zoals gebruikelijk wordt mijn Engelstalige lezing simultaan vertaald. De vriendelijke Han-vertaalster heeft zich goed voorbereid en heeft de tekst van mijn lezing, die ik op haar verzoek vooraf aan haar had toegezonden, integraal in het Chinees vertaald. Ik ga in op de rol van tradities in premoderne, moderne en postmoderne culturen en bespreek de voor- en nadelen van interculturalisatie. Wanneer ik daarbij wijs op het gevaar van assimilatie van minderheidsculturen door dominante culturen staat een van de Oeigoerse studenten op en begint luid te protesteren. De vertaalster reageert geïrriteerd en ook de decaan mengt zich op hoge toon in het gesprek. Het gaat er heftig aan toe en ik begrijp niet precies wat er aan de hand is.

Ik realiseerde me natuurlijk wel dat ik over een heikel thema sprak, en ik had daarom concrete verwijzingen naar Xinjiang achterwege gelaten. Na afloop van mijn lezing legde Musa uit dat de vertaalster het woord ‘assimilatie’ vertaalde met de Chinese karakters He Xie, ‘harmonisatie’ in plaats van met de adequatere, maar politiek gevoelige karakters Tong Hua. De Han-studenten, die zo ijverig hadden zitten schrijven tijdens mijn lezing, hadden volgens Musa de opdracht gekregen rapport daarover uit te brengen.

Na mijn vertrek uit Ürümqi bekruipt Musa het vermoeden dat hij overal wordt gevolgd en afgeluisterd. Ook blijken er plotseling problemen te zijn met het eigendomsbewijs van zijn woning. Wanneer hij tijdens een bezoek met zijn gezin aan de Verenigde Staten hoort dat de geheime politie bij zijn Tataarse schoonouders aan de deur is geweest, besluit hij asiel aan te vragen.

De politieke strijd in Xinjiang is sinds 2006 in rap tempo overgegaan in een gewapende. Tijdens mijn gasthoogleraarschap in Shanghai in 2008, aan de vooravond van de Olympische Spelen in Beijing, verschijnen er in de China Daily steeds meer artikelen over door Oeigoeren georganiseerd islamitisch terrorisme in en buiten Xinjiang. De aan al-Qaeda gelieerde Turkistan Islamic Party (tip) kondigt aanslagen aan op de Spelen, de Chinese overheid laat weten een vliegtuigkaping te hebben verijdeld en begint met het ‘in quarantaine’ plaatsen van naar schatting vijfduizend potentiële terroristen in Xinjiang.

Nadat op 5 juli 2009 in een fabriek in Zuid-China minstens twee Oeigoeren worden vermoord door Han Chinezen zonder dat de politie ingrijpt, slaat in Ürümqi de vlam in de plan en vinden de grootste rellen plaats uit de geschiedenis van de Volksrepubliek. Tijdens de drie dagen durende opstand vallen volgens officiële rapporten 197 doden, voor het merendeel Han Chinezen, maar Oeigoerse media buiten China stellen dat aan Oeigoerse zijde een meervoud aan slachtoffers is. Een Han-collega uit Shanghai, die in Ürümqi getuige was van de opstand, vertelde dat de soldaten de eerste dag geen munitie in hun wapens hadden, maar nadat de eerste Han-doden waren gevallen van hun meerderen opdracht kregen met scherp te schieten.

Na de rellen in 2009 heeft de repressie in Xinjiang een enorme vlucht genomen, waarbij alle Oeigoeren worden benaderd als potentiële islamitische terroristen. Met name sinds de benoeming, in 2016, van Chen Quanguo – de voormalige secretaris van de CP in de Tibetaanse Autonome Regio – tot partijsecretaris in Xinjiang hebben de beveiligingsmaatregelen ongekende vormen aangenomen. Een jaar na de rellen in 2009 waren er al veertigduizend beveiligingscamera’s met gezichtsherkenning opgehangen en inmiddels moeten alle Oeigoeren verplicht speciale spyware op hun smartphones installeren die alle vormen van communicatie monitort. Ook is de overheid begonnen met het aanleggen van een dna-database van de gehele Oeigoerse bevolking. De afgelopen jaren zijn er bovendien 1,4 miljoen leden van de Communistische Partij naar Xinjiang gestuurd en in Oeigoerse ‘gastgezinnen’ ondergebracht om ze te ‘begeleiden’ bij hun dagelijkse leven en toe te zien of ze zich niet stiekem aan de halal-voedselvoorschriften houden. De detentie van een derde van de bevolking in concentratiekampen is het voorlopige sluitstuk van de staatsterreur. Bij elkaar heeft deze omineuze combinatie van elektronische, genetische en menselijke surveillance een controlesamenleving geschapen die de dystopische schrikbeelden van George Orwell, Michel Foucault en Gilles Deleuze doet verbleken.

Volgens Gardner Bovingdon in The Uyghurs: Strangers in Their Own Land (2010) is de strijd van de Oeigoeren van meet af aan minder door islamitisch fundamentalisme gemotiveerd dan door een nationalistisch streven naar zelfbeschikking. Musa, die Bovingdon in het midden van de jaren negentig als studiegenoot leerde kennen toen deze uitwisselingsstudent aan Xinjiang University was, valt hem bij. Er valt niet te ontkennen dat er in het afgelopen decennium een forse toename is te zien van door Oeigoerse jihadisten in en buiten Xinjiang gepleegde aanslagen, en in Syrië vochten ook Oeigoeren in de gelederen van IS. Maar volgens de seculiere Musa is de recente islamisering vooral een uiting van de intense frustratie die is veroorzaakt door de gewelddadige onderdrukking van nationalistische gevoelens bij de Oeigoeren. ‘Het islamterrorisme’, stelt Musa resoluut tijdens onze Skype-sessie, ‘is een monster dat door de Chinese repressie is gebaard.’

Dat de Chinese overheid de keiharde repressie in Xinjiang presenteert als onderdeel van de mondiale strijd tegen islamfundamentalisme lijkt mede bedoeld om steun of op z’n minst geen kritiek van de westerse mogendheden te krijgen, die immers in het Midden-Oosten hetzelfde doen. Maar het duidt ook op een geheel nieuwe vorm van biopolitiek. In The Biopolitics of China’s ‘war on terror’ (Critical Asian Studies, 2018) stelt Sean Roberts, aanknopend bij het werk van Foucault, dat het label ‘potentieel terrorist’ dat op iedere Oeigoer wordt geplakt het hele Oeigoerse volk op retorische wijze tot een virus maakt dat moet worden verwijderd uit het maatschappelijk lichaam, om vervolgens in quarantaine te worden geplaatst of te worden uitgeroeid. De Oeigoeren worden daarmee wat Giorgio Agamben Homo Sacer noemt, in de Romeinse tijd de benaming voor criminelen die verbannen werden uit de religieuze en politieke gemeenschap en niet langer de bescherming van de wet genoten.

Binnen China lijkt de strijd tegen de Oeigoeren, mede door het door president Xi Jinping aangewakkerde Han-nationalisme, een breed draagvlak te hebben. Op de oproep die de westerse landen onlangs tijdens de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in Genève aan China richtten om een einde te maken aan de massadetentie van de Oeigoeren en VN-waarnemers toe te laten tot het gebied werd door de Chinese delegatie fel gereageerd. ‘Wij accepteren geen politiek gedreven en volledig bevooroordeelde beschuldigingen van een paar landen’, reageerde vice-minister van Buitenlandse Zaken Le Yucheng op de beschuldigingen.

Opvallend is dat, op voorzichtige kritiek van Turkije na, de islamitische wereld tijdens de vergadering zweeg. Het is een indicatie voor de economische macht die China inmiddels uitoefent in de wereld. Binnen dit kolonialisme nieuwe stijl zijn veel islamitische landen sterk afhankelijk geworden van China. Maar als puntje bij paaltje komt sturen ook de meeste westerse landen liever handelsdelegaties naar China dan gevolg te geven aan de ferme taal die tijdens de Mensenrechtenraad van de VN werd geuit.

Die dubbelhartigheid is schandelijk, omdat wat zich momenteel in Xinjiang afspeelt niets minder is dan een etnocide van ongekende omvang. Gezien het feit dat de moderne Oeigoerse cultuur mede het product is van de door de CP in 1949 ontketende etnogenese is deze etnocide doortrokken van een bijzonder tragische ironie.

Als je het sociaal-kredietsysteem in ogenschouw neemt, dat inmiddels in de andere provincies wordt uitgerold, lijkt de tragedie in Xinjiang bovendien niet op zichzelf te staan. Critici zijn van mening dat Xinjiang de proeftuin is van de controlestaat die de steeds dictatorialer optredende Xi Jinping voor heel China voor ogen staat. Volgens Musa is dat niet zozeer een teken van sterkte, als wel een teken dat de steun voor de CP steeds verder afbrokkelt. Ook het door de CP gestimuleerde Han-nationalisme en de demonisering van de islam moeten volgens Musa in dat licht worden bezien.

De uitkomst van de tragedie die zich in Xinjiang afspeelt, is volgens Musa moeilijk te voorspellen. ‘Het zal ervan afhangen of de Communistische Partij lang genoeg aan de macht blijft om de volledige assimilatie van de Oeigoeren te bewerkstelligen. Zowel de CP als de Oeigoerse cultuur is verwikkeld in een race tegen de tijd.’

Op 2 januari stuurt Musa me een mail om me een gelukkig nieuwjaar te wensen. Hij schrijft daarbij dat hij op 12 december het treurige nieuws kreeg dat een van zijn beste vrienden in een kamp is overleden. ‘Hij was hard geslagen en verloor te veel bloed; toen hij half dood was stuurde het kamp/de gevangenis hem terug naar zijn familie, die hem naar een ziekenhuis bracht waar hij na een reddingspoging van enkele dagen stierf.’ Zijn vriend was opgeleid in de VS, had een mba van North Eastern University in Boston en leidde een eigen bedrijf in Ürümqi. Hij was 41 jaar en had een vrouw en drie kinderen. ‘Het treurigste is dat mensen vertellen dat dit soort tragedies nu heel gewoon is. Het is hartverscheurend.’

In zijn mail wijst Musa op een website (bitterwinter.org), waar Han Chinezen ooggetuigenverslagen publiceren van mensen die in de kampen hebben gewerkt. ‘Veel verhalen zijn te triest om te lezen.’ Musa stelt zijn hoop op de groeiende internationale aandacht voor de detentiekampen en sancties van het Westen.


De naam van de in dit artikel genoemde Oeigoerse vriend Musa is gefingeerd