De Ooijpolder in Nijmegen, 27 november © Mischa Keijser

Knipheggen, struwelen, meidoornhagen, houtwallen, wilgenpaadjes, rietkragen, kruidenranden, plas-drasoevers, slootjes, bloemenakkers, knotessen: er zijn wel honderd elementen die het agrarische landschap weer interessant kunnen maken voor de natuur. Stuk voor stuk lullige elementjes misschien, zegt Jaap Dirkmaat, maar wat wordt het landschap weer rijk en interessant als je ze allemaal combineert. Zoals vroeger, voor die vermaledijde ruilverkaveling toen ons landschap werd vernacheld tot een grote vlakte omdat machines daar beter bij kunnen.

Om weer terug te halen wat we hebben verloren heeft Dirkmaat een heuse Vereniging Nederlands Cultuurlandschap opgericht. Wat hij slim heeft gedaan is om niet alleen te praten, maar daadwerkelijk voorbeeldprojecten uit te voeren zodat mensen kunnen zien wat hij bedoelt. Zoals in de Ooijpolder, net buiten Nijmegen, waar ze boeren, natuurbeschermers, beleidsmakers en euro’s allemaal op één lijn hebben gekregen om terug te krijgen wat verloren was: het cultuurlandschap.

Dirkmaat leidt me rond door het vijfhonderd hectare grote boerengebied. Of beter gezegd: ik rijd hem rond, terwijl hij praat en ik met één hand als een gek notities neerkrabbel van alle onderzoeken, anekdotes, weetjes en oneliners die hij uit zijn mouw schudt bij iedere haag of boerderij die we zien. ‘Kijk’, zegt Dirkmaat, ‘hier was vroeger niks.’ Hij wijst naar een kruispunt van rietkragen en heggen die uit verschillende kanten samenkomen. ‘Vroeger lag hier alleen een kale sloot, van kant tot kant, met rechte randen. Maar nu is het een plas-drasgebied geworden, dus een graduele overgang van nat naar droog. De rand langs de akker is verschraald, zodat bijzondere soorten een kans krijgen. En de rietkraag wordt verspringend gesnoeid, zodat er altijd een deel begroeid is.’

Elke dertig meter is er een grote struik. ‘Dat noemen we struweel: de hogere struiken, zoals meidoorn, sleedoorn, Gelderse roos. Struweelvogels willen kunnen hoppen naar het volgende bosje, dus de afstanden moeten niet te groot zijn. Hier staan wilde rozen, er zijn wel drie, vier, vijf soorten.’ Hij wijst een open sloot aan. ‘Voor vogels is dat te open, maar muizen en kikkers vinden dit juist fijn. Er zijn negen routes die dieren kunnen volgen als ze het gebied willen doorkruisen. Natte, droge, begroeide, onbegroeide, alles door elkaar, voor elke soort wat wils. Plus boerenlandpadenroutes, voor wandelaars. Want ook mensen vinden het ineens weer een mooi gebied.’

In de verte zien we de ‘stuwwal’, de helling waar Nijmegen begint. Achter ons liggen de Groenlanden, een Natura2000-gebied aan de oevers van de Waal. Ertussenin land van een achttal boerenbedrijven. Vanaf een dijk zien we heel duidelijk wat er gebeurt als je alleen al de randen van weilanden en akkers aan de natuur teruggeeft. Dwars door een voormalig groot weiland lopen nu een paar lijnen, een rietkraag, een wilgenhaag en een meidoornhaag. Het levert een weiland op dat er opvallend afwisselend uitziet. En de boer? Die onderhoudt het. Voor het verlies aan productieve grond krijgt hij een vergoeding. En het bijzondere is: die ligt voor dertig jaar vast. Daarover later meer, want dat was een cruciaal onderdeel om het Ooijpolderplan te laten slagen.

De natuur heeft van de mens twee klappen gekregen, zegt Dirkmaat. ‘Eerst toen de mens de wildernis in cultuur bracht waardoor grote dieren als de beer, de wolf, de lynx en de oeros verdwenen. Maar toch, aan de rand van de percelen kon nog heel veel overleven. Er was in dit cultuurlandschap nog genoeg ruimte voor allerlei soorten, voor dassen, bevers, insecten en vogels die genoeg hadden aan de hagen en ruigtes tussen alle akkers. De tweede klap kwam toen het cultuurlandschap van de boeren ook verdween. Bij deze ruilverkaveling kreeg de natuur de genadeklap.’

Er zijn nog oude Polygoon-beelden te zien waarop de lof van de vooruitgang wordt bezongen, waar je ziet hoe de heggen en houtwallen door bulldozers omver worden geveegd. Kleine percelen werden aaneengesloten tot één grote. ‘Boeren kozen daar echt niet altijd bewust voor. Zo werkte het systeem. Je stemrecht bij de verkaveling werd bepaald door hoeveel grond je inbracht. De grote jongens konden dus bepalen. En het zorgde voor een perverse prikkel. Boeren maakten eerst hun land kaal voordat ze het inbrachten. Dan was het meer waard bij de ruil.’

We stappen uit bij een mooie haag van allerlei wilde struiken die is aangelegd in de bedding van een oude sloot, langs een akker die echt nog wel groot genoeg is om efficiënt gewassen op te verbouwen. ‘Na een paar jaar zagen we hier alweer geelgorzen en roodborsttapuiten, en in de winter zijn er grote groepen koperwieken en kramsvogels die van de bessen komen eten.’ Na een meter of dertig zien we hopen zand liggen, die uit de heg lijken te komen. Een dassenburcht! Talloze gangen en gaten, over een lengte van wel veertig meter, met de heg als ruggengraat. ‘Dus ook de zoogdieren zijn hier weer terug, denk aan dwergmuizen, otters en bevers.’

Waar het om gaat zijn de randen. De overgangen zijn de plaatsen waar de meeste soorten op afkomen. Dat bijt weleens met de doelstellingen voor nieuw bos in Nederland, zegt Dirkmaat. ‘Dat nieuwe bos plant men vaak in natuurgebieden, omdat er in de bossenstrategie, dwaas genoeg, geen extra geld is vrijgemaakt voor nieuwe grond. De meest exemplarische cultuurlandschappen die we kennen worden dus ironisch genoeg bedreigd door het bos. Voor de natuur is één bos met één rand veel minder interessant dan een variatie van percelen en begroeiingen met heel veel randen.’

Dirkmaat is een rappe prater. Zijn strategie is duwen, duwen, duwen, tot hij zijn zin krijgt. Voor zijn werk werd hij in 2018 geridderd. Overal waar hij komt vertelt hij over het belang van landschapselementen als houtwallen, heggen, plas-drassloten, akkerranden en nog veel meer. Hij vertelt hoe hij al met natuurbescherming begon toen hij als veertienjarige jongen op de mavo zat. Tien jaar later begon hij met de vereniging Das en Boom, sinds 1989 een dagtaak. Hij lobbyde voor maatregelen tegen aanrijdingen met dieren. Hij pleitte voor tunnels en hij merkte dat veel partijen naar hem luisterden. ‘Landschapsinrichters en wegenbouwers waren maar wat blij dat ze iets konden doen. Ze werden gezien als vijand van de natuur en waren erg gemotiveerd om zelf wildtunnels aan te leggen. Zo werd het een trend. Voor ik er erg in had was er al negentig miljoen aan faunavoorzieningen zoals wildtunnels en ecoducten aangelegd en was de ontsnippering bij wegen gemeengoed geworden.’

Het aantal aangereden dieren nam sterk af. Maar toen wilde Dirkmaat verder. Want wat hebben zoogdieren aan wildtunnels als ze elkaar en hun voedselgronden niet meer kunnen bereiken? Het kwartje viel toen hij in Engeland was. ‘De dassen in Engeland komen twee uur voor zonsondergang al naar buiten. Veel eerder dan bij ons. Weet je hoe dat komt? Door de heggen. Ze blijken de heggen te gebruiken als beschutting en als oriëntatiepunt in het landschap. Ze ontmoeten elkaar door de heggen te volgen.’

‘Ik hou mijn hart vast. Als de overheid dit vermallemoert, gaat het hele gebied naar de kloten’

En zo wist Dirkmaat, toen natuurbescherming door Europese wetgeving een vast onderdeel van elk bouwproject was geworden, dat het landschap zijn nieuwe speerpunt moest worden. ‘In Engeland heeft nooit dezelfde ruilverkaveling als in Nederland plaatsgevonden. De heggen worden gewaardeerd en mensen die heggen rooien, kunnen niet op sympathie rekenen. Maar je ziet het effect van de ruilverkaveling wel in Noord-Frankrijk, waar het allemaal uitgestrekte velden zijn geworden, en ook in communistische landen. Duitsland is een geval apart, daar zijn nieuwe singels aangelegd, maar wel overal met dezelfde beplanting en op dezelfde afstand van elkaar. Nederland had eigenlijk iets ontzettend unieks. Elke streek had zijn eigen cultuurlandschap. Waar het in Engeland vooral om heggen en stapelmuurtjes gaat, heeft Nederland met sloten, houtwallen, elzensingels en vele typen heggen een veel rijkere cultuurhistorie.’

In Engeland wordt de heg gezien als cultureel erfgoed. Er is zelfs een nationale heggenvlechtstichting waar de nieuwe koning Charles de beschermheer van is. In Nederland geniet de heg nog niet zo veel respect. Zelfs in veel parken zijn heggen verdwenen om kosten te besparen en het gevoel van veiligheid te vergroten. Zonde, zegt Kenneth Rijsdijk, ‘biogeograaf’ aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Ik heb met studenten literatuuronderzoek gedaan en we hebben wel 21 functies van heggen geïdentificeerd. Heggen helpen koolstof op te slaan, bieden schuilruimte voor vogels, beschermen tegen erosie, houden de bodem luchtig, voorkomen plagen omdat ze ruimte bieden aan plaagdierbestrijders, maken het landschap aantrekkelijk, helpen tegen overstromingen en ga zo maar door. Ze doen veel meer dan we dachten. Het zijn allemaal ecosysteemdiensten die maatschappelijk gezien veel waard zijn.’

Dit jaar verscheen het boek Heg waarin Rijsdijk een pleidooi houdt voor herstel. Hij schrijft dat er in ons land wel 225.000 strekkende kilometer aan heggen is verdwenen, vooral sinds de ruilverkaveling. ‘Dat was een schatting van Dirkmaat. Onderzoek van mijn studenten, op basis van oude kaarten, bevestigt dat. Sommige heggen waren heel oud, denk aan de Belgische heggen waar Julius Caesar al over schreef. Daar maakten de Maasheggen ook deel van uit. Die waren aangelegd als grens van akkers, om het vee binnen te houden, de zogenoemde scheerheggen. Maar er waren ook heggen die zo dicht waren dat er geen roofdieren van buiten doorheen konden komen. Dat is allemaal vervangen door prikkeldraad.’

Ruimtelijk gezien zou je dit het beste gewoon weer kunnen terugbrengen. ‘Maar boeren worden door de regelgeving alleen maar ontmoedigd. Grond die ze hiervoor gebruiken wordt afgetrokken van het productieve areaal waar ze subsidie op krijgen. Zo is het verdrietlandschap ontstaan, zoals Jantien de Boer dat noemt, die een boekje schreef over het lege landschap.’

Veel mensen vinden het mooi, eindeloze weidse akkers. ‘We hebben een interessant fenomeen ontdekt’, zegt Rijsdijk, ‘shifting baselines. Mensen blijken te wennen aan een bepaald landschap. Ze gaan er iets mee krijgen. Dus als het maar lang genoeg groot en leeg is, dan gaan mensen dat mooi vinden. Maar dat kan dus ook andersom. Dat zie je bijvoorbeeld in de Ooijpolder. Mensen gaan zich langzaam hechten aan het nieuwe cultuurlandschap, en vervolgens gaan boeren in de omgeving zich afvragen waarom zij eigenlijk niet ook zo’n mooie heg langs hun akker hebben.’

In de Ooijpolder werken boeren, natuurbeschermers en beleidsmakers samen bij het terugbrengen van het cultuurlandschap met onder meer knipheggen en meidoornhagen. Ooijpolder, 27 november © Mischa Keijser

Jaap Dirkmaat woont zelf ook in het gebied, in het dorpje Beek, op een heuvel in het bos. Op hetzelfde terrein, met een prachtig uitzicht, staat Huis Wylerberg waar de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap kantoor houdt. Daar kun je een heus Landschapmuseum bezoeken met mooie foto’s en uitleg over de natuur in agrarisch gebied. Het ruikt er een beetje bijzonder, maar ik kan de geur niet thuisbrengen. ‘Je ruikt waarschijnlijk de dassen-ic’, zegt een medewerkster. ‘Dat is hier in de kelder. Daar behandelen we dassen. Dat zijn meestal de kleintjes, die het nest uit komen als hun ouders zijn aangereden.’

Achter zijn eigen woning heeft Dirkmaat een soort Madurodam van landschappen nagebouwd, inclusief boerderijtjes, auto’s en poppetjes. In twaalf tuintjes zijn met bonsaiboompjes twaalf karakteristieke boerenlandschappen nagemaakt, van de Brabantse Maasheggen – een Unesco-gebied – tot de Texelse ‘tuunwallen’ van graspollen en de Zuid-Limburgse ‘graften’, ontstaan door de löss die naar beneden spoelde en achter de meidoornhagen bleef liggen. Stuk voor stuk prachtige plaatjes van hoe het landschap was en hoe het ook weer zou kunnen worden.

En net als koning Charles praat Dirkmaat met liefde over de edele kunst van het heggenvlechten. Hij wijst naar een oude heg die om zijn huis heen loopt, een heg die uit maar een paar planten bestaat die helemaal horizontaal doorlopen. ‘Het is een oude techniek. Je snijdt de struiken aan de stam half door, zodat je ze bijna horizontaal kunt buigen en door elkaar heen kunt vlechten.’

Dat luistert heel nauw als je wil voldoen aan de standaarden van de heggenvlechtpuriteinen. ‘Maar als het er gewoon om gaat dat er niemand doorheen kan, kun je zo’n heg gewoon zelf maken. Het levert een veilige schuilplaats voor allerlei kleine soorten, en je creëert er een kraamkamer mee voor nuttige insecten. Er wonen meer dieren in dan in bomen. Bomen zijn mooi voor bepaalde insecten en vogels, maar als het op de bodem kaal is, kunnen veel dieren daar niet leven. Engels onderzoek laat zien dat tachtig procent van alle planten en dieren die je kunt verwachten op landbouwgrond in de heggen leeft. Mits ze aaneengesloten zijn. Je kunt dus heel simpel beginnen als je een boer bent: plant een haag. En later kun je dan, door minder te spuiten, de overige twintig procent van de soorten terugkrijgen.’

‘De Ooijpolder is een unieke casus’, zegt Hans de Kroon. Als ecoloog aan de Radboud Universiteit leidt hij een onderzoek naar dit gebied, dat door de overheid is aangewezen als een van de drie ‘living labs’ in Nederland om uit te zoeken hoe we de landbouw natuurinclusief kunnen maken. ‘Wij doen hier met een aantal PhD’s wetenschappelijk onderzoek naar wat het project voor elkaar heeft gekregen. Ja, we zien in dit gebied de insecten terug, er komen planten bij en het gaat goed met de broedvogels. Maar is dat duurzame winst? Als Jaap het bijvoorbeeld heeft over die tachtig en twintig procent, dan willen wij onderzoeken of dat echt zo is. Weten we zeker dat de winst van landschapselementen niet teniet wordt gedaan door het pesticidengebruik?’

‘Boeren willen dat je een visie hebt die niet meer verandert. Ze houden van duidelijkheid’

Maar hij is ook bezig om het sociale ecosysteem te onderzoeken. ‘Hoe kun je dit gemeenschappelijk aanpakken? Hoe kun je zorgen dat boeren er ook wat aan hebben? Wat motiveert hen op de lange termijn? Wat willen zij met het landschap? Die vragen zijn ongelooflijk belangrijk in deze tijd van polarisatie.’ In het Deltaplan Biodiversiteit van de overheid hebben de landschapselementen een belangrijke plek gekregen. Iedereen is ervoor, zou je kunnen zeggen. ‘Maar het is niet iets wat overal zomaar lukt. Het is geen toeval dat dit project is uitgekozen als living lab.’

Om te weten wat boeren zelf van dit project vinden, bel ik aan bij Johan Poelen, een van de deelnemende melkveehouders. Aan de voorkant van het huis, op de dijk, is een koffiehuis met terras ingericht voor fietsers en wandelaars. Het is vijf uur in de middag, het eten staat op tafel en hij moet het dus kort houden. Maar dat hij het ‘prachtig’ vindt hoe het er nu uitziet wil hij wel even vertellen. ‘Dit is toch hartstikke mooi? Ik heb zelf 160 koeien en 90 stuks jongvee op een totaal van 83 hectare, plus 14 hectare natuurgebied waar dieren mogen grazen. In totaal hebben we nu twee hectare met landschapselementen, zoals scheerheggen, knotwilgen, wandelpaden, paddenpoelen, de hele mikmak. Ik krijg daar wel een vergoeding voor ja, maar dat is net genoeg om het beheer ervan te betalen. Maar ik vind het mooi. En er komen allemaal mensen op af.’ En wie weet heeft Poelen daar nog wat aan, in zijn nieuwe koffiehuis. ‘Dat gaan we zien.’

Wat Poelen ook wil delen – daar laat hij zijn bord eten graag voor staan – is dat het project nu in gevaar komt door het stikstofverhaal. ‘Ik zit hier naast een Natura2000-gebied. En hier moet dus 87 procent van het vee vertrekken! Maar wat dan? Dan kan ik niks anders doen dan aardappels poten of mais inzaaien. Denk je dat dat goed is voor de natuur? Dan moet ik veel meer gaan spuiten. Maar ja, daar denken die stadse mensen niet aan, die op hun balkonnetje tussen hun geraniums zitten te filosoferen over de natuur. Ik hou mijn hart vast. Als de overheid dit vermallemoert, gaat het hele gebied naar de kloten.’

Ook Dirkmaat gruwt bij het idee dat zijn boeren weg zouden moeten. ‘Wat is dat nou? Dit zijn de boeren van de toekomst. Die Poelen, die is grondgebonden, hij heeft dus geen mestoverschot, hij zorgt voor een deel van het natuurgebied, en hij zorgt voor landschapselementen op zijn land. Ik heb minister Van der Wal op zijn bedrijf laten kijken en ik heb gezegd: als je deze boer wegstuurt dan krijg je ruzie met mij. Dat begreep ze heel goed. Weet je wie je moet aanpakken? De grote bedrijven die niet grondgebonden zijn en die met hun uit de grond gestampte stallen niets bijdragen aan het landschap. Die moet je uitkopen. En laat dan de boeren met rust die écht boer zijn.’ Die doen echt niet alles goed, en er moet een stevig gesprek komen over gif, ‘maar ik weet zeker dat we zonder de boeren niet voor het landschap kunnen zorgen’.

© Mischa Keijser

Begrip voor de zorgen van de boeren is cruciaal in zo’n project als de Ooijpolder, zegt Tiny Wigman. Ze was in 2002 al bezig om met boeren in de polder samen te kijken wat voor multifunctionele landschapselementen haalbaar zouden zijn. ‘Samen kwamen we toen al tot een eigen methode voor bedrijven om tot een bedrijfslandschapsplan te komen. In 2006 kwamen de eerste voorbeeldprojecten en in 2010 werd het een landelijk voorbeeldgebied.’ Dat is ook de periode dat Dirkmaat aanhaakte. Hij werd de charismatische figuur die voor de reuring zorgde en mensen van buiten mee wist te krijgen. ‘Hij is de powerman. Zo ben ik niet. Ik was meer degene die het ging uitwerken, jaar in jaar uit. Met drie gemeentes samen hebben we een aparte stichting opgericht, Via Natura, die voor de uitvoering zorgde en de partijen bij elkaar bracht.’

Inhoudelijk hebben ze best weleens gebotst, erkent Wigman. ‘Ik denk dat Jaap uiteindelijk droomt van een romantisch Engels heggenlandschap. Wij beginnen meer bij hoe het nu is en kijken dan hoe we de structuur van het landschap weer kunnen terugbrengen, door blauw-groene aders te creëren. Dus niet alleen heggen, maar ook natuurvriendelijke oevers, poelen voor salamanders, kruidenrijke randen, struwelen die mogen uitgroeien. Voor een veldleeuwerik, bijvoorbeeld, is juist de combinatie van dichte hagen, kruidenrijk gras en open veld belangrijk. Maar we beginnen bij wat haalbaar is voor een boer.’

Veel boeren zien volgens Wigman van tevoren namelijk wel een aantal beren op de weg. ‘Wat als het allemaal pottenkijkers aantrekt die door je land gaan lopen? Met honden? Of erger nog: straks trekt het een zeldzaam vogeltje aan en mag je ineens allerlei dingen niet meer doen. We hebben dus heel duidelijk vastgelegd dat de bestemming agrarisch blijft, zodat de boer niet wordt bedreigd met verliezen in grondwaarde als de natuur opbloeit.’

Minstens zo moeilijk is de tijdshorizon van allerlei groene regelingen. ‘Subsidies mogen maar voor zes jaar worden gegeven, anders ziet de EU het als ongeoorloofde staatssteun. Daar kan een bedrijf niet op investeren. Je moet op de lange termijn zeker zijn, net zoals de hypotheek van je huis ook dertig jaar loopt. Dat hebben we nu opgelost door vijf keer subsidie voor zes jaar te geven en te koppelen aan langjarige contracten over het landschapsbeheer. En dat beheer wordt gecontroleerd door een schouw.’

Maar hoe kun je de boer ooit vergoeden voor de grond? Dat is namelijk met publiek geld helemaal niet toegestaan. ‘Via Jaap is het gelukt om een groot bedrag te krijgen van onder andere de Postcode Loterij’, zegt Wigman. ‘Dat is privaat geld en dat mogen we daar wel voor gebruiken. Via een notariële akte kunnen we dat geld koppelen aan de grond, vergelijkbaar met hoe je recht op overpad aan grond kunt koppelen.’ En zo wist ze met Via Natura in het woud van regels een werkbare methode te ontwikkelen waar boeren vertrouwen in kregen. ‘Boeren willen dat je een visie hebt die niet meer verandert. Ze houden van duidelijkheid. Maar dat betekent niet dat we slappe ambities stellen. We hebben vaak genoeg landschapsplannen teruggestuurd omdat ze onder de maat waren. En we nemen geen genoegen met kleine plannetjes, we willen vijf procent natuur op agrarisch land.’

Niet iedere streek heeft een pot goud staan om een landschapsfonds mee te vullen. ‘Maar overal zijn oplossingen mogelijk’, zegt Jaap Dirkmaat. ‘Met gemeentes zijn we nu bezig met een openruimteheffing. Bedrijven die het landschap aantasten, moeten iets afdragen. Zo krijg je het begin van een fonds waarmee je het landschap kunt onderhouden.’ En boeren zullen daarin altijd een sleutelrol moeten spelen. ‘Meer dan twee derde van Nederland is agrarisch. Als we manieren vinden om hen te betalen voor de landschapsdienst die ze verlenen, kunnen we ons landschap weer herstellen.’ Misschien ooit 225.000 kilometer, divers en aaneengesloten, blauw en groen.

De overheid neemt deze ideeën serieus. In het kader van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel, waar overheden samen met natuur- en landbouworganisaties aan werken, is eind september een heus ‘Aanvalsplan landschapselementen’ gelanceerd, inclusief voorstellen voor bekostiging. De ambities van Dirkmaat en de anderen uit de Ooijpolder zijn hierin terug te zien. Sterker nog, volgens het aanvalsplan moet maar liefst een tiende van het landelijk gebied gaan bestaan uit ‘groene en blauwe dooradering’, waar hagen, struiken, natuurlijke oevers, rietkragen en bloemenstroken allemaal toe behoren. Maar het mooie is: niemand hoeft op de overheid te wachten. Iedereen met een tuin, een weiland of een lapje grond kan hier al mee beginnen. Wil je natuur zien? Plant een heg, en sluit hem waar mogelijk aan op die van de buren. De soorten komen vanzelf.