Groen

Heide

Tuinmaat Han had de laatste keer dat we in het Noorden aan het werk waren slechts wat schrammen op zijn onderarmen, nauwelijks bloed. Hij viel nergens uit of af. De tuin in het Noorden bestaat uit drie delen en wij pakten de tamelijk formele ‘voortuin’ aan, waarin het pad naar de voordeur loopt. In drie dagen tijd, verspreid over enkele maanden, hebben we die vrijwel helemaal leeggerost, zoals we dat noemen. Alle plantvakken waren zo moe geworden dat drastische maatregelen nodig waren. Eerst hebben we overal nieuwe houten balken aangebracht, waardoor de schelpenpaden ineens mooi strak tussen de plantvakken liggen. Daarna groeven we enorme hoeveelheden ooievaarsbek en Kaukasische vergeet-me-niet uit, dat was onkruid geworden. Het meeste daarvan is weggegooid, de mooiste ooievaarsbekken hebben we gescheurd en opnieuw in de losgemaakte grond gezet, na het blad afgeknipt te hebben.
Tussendoor moesten we aldoor omhoog kijken, naar enorme letters V, die gakkend door de blauwe lucht schoven. De magnolia is flink teruggesnoeid, evenals een sering die dacht daar de baas te zijn. Vele rozenstruiken half gesnoeid, het echte snoeien doen we in april. (Dit verklaart de schrammen van tuinmaat Han.) Vers plantmateriaal gepoot ook, waaronder veel lavendel en bloeiende heide en een prachtige Brachyglottis ‘Greyi’. De bazin, die opdracht gegeven had tot de opknapbeurt, kwam op een gegeven moment op haar makkelijke crocs een kijkje nemen. Ze bezwijmde ter plekke. ‘Getverdemme, wat een burgerlijke tuin!’ riep ze uit. Tuinmaat Han en ik stonden er bedremmeld bij. ‘Je hebt zelf die zes heideplantjes gekocht’, zei ik. Ja, dat was waar, maar in een kartonnetje zag het er heel anders uit dan in de tuin zelf. Ze gaf ons een mini-blikje cola. De baas, die later kwam kijken, was erg tevreden, die houdt juist weer erg van zo’n overzichtelijke tuin, met zwarte aarde in de winter. We aten en dronken nog wat en lieten ze verdeeld achter. Raar is dat, zelf zo’n fijne tuindag hebben en strijdende partijen achterlaten. ‘Komt het goed?’ vroeg ik tuinmaat Han in de auto. ‘Natuurlijk’, zei hij. ‘Het is maar een tuin.’