The Believer, maandblad voor kunst, filosofie en literatuur

Heidegger en stofzuigers

Sinds maart 2003 verschijnt in Amerika ‹The Believer›. Met een grote boog omzeilt het maandblad voor kunst, filosofie en literatuur geijkte thema’s en uitgekauwde invalshoeken. Met eenzelfde omtrekkende beweging besluipt Kees ’t Hart de redactie te San Francisco.

Valencia Street, San Francisco — We zijn in Mission, een gemengde en zoals dat heet kleurrijke wijk van San Francisco waar je volgens onze reisgids «alternatieve» winkeltjes kunt vinden en waar veel gay/lesbian artiesten hun domicilie hebben. Op nummer 826 bevindt zich het redactiekantoor van The Believer, een nu al fameus maandblad voor kunst, ½loso½e en literatuur dat sinds maart 2003 bestaat en waarop ik vanaf het derde nummer ben geabonneerd. Dat nummer was een verrassing: het zag er prachtig uit, kleurrijk, vrolijk, met wonderlijke illustraties en een misschien nog wonderlijker lay-out. De rug van het omslag bevatte de tekst «All is well» en het nummer telde zeker vier artikelen die ik onmiddellijk las: een essay van Jyoti Thottam over metaforen die schrijvers voor besmettelijke ziektes gebruiken, een stuk over de aantrekkingskracht op schrijvers en dichters van grote stadsruïnes, een hilarisch artikel over de terugkeer van de «weepies» (½lms om bij te huilen) en een uitvoerig interview met Richard Rorty. Plus nog een vrolijk artikel van Tom Bissell: «Americans are all simulations, according to Baudrillard, Virginia Woolf, and the Nazis.» En alle volgende nummers bleken even interessant, geestig, betrokken en zeer informatief. Je moest wel gek zijn als je je hier niet op abonneerde.
Zo’n blad kan dus wel, al zou je dat niet zeggen wanneer je de Nederlandse bladen in dit genre bekijkt, voorzover die er zijn. De bladen die hier verschijnen, zoals Metropolis M, Filoso½e Magazine en literaire bladen als De Gids, De Revisor en Raster bevatten gewoonlijk artikelen waarin op plechtige wijze kunst, ½loso½e en literatuur nog verder worden gemythologiseerd dan ze toch al waren. Of waarin men met alle macht wil meedoen met «het actuele debat», dat vreemd genoeg iedere drie maanden weer over iets anders gaat.

Op maandagmorgen 24 mei om 12 uur heb ik op 826 een afspraak met Andrew Leland, managing editor van The Believer. Ik merk dat ik van The Believer enigszins overspannen verwachtingen heb ontwikkeld. Ik kreeg steeds meer het gevoel dat ik op een of andere manier al jarenlang de boot had gemist en nu eindelijk mijn bestemming had gevonden. De nummers bevatten vrijwel allemaal artikelen rond thema’s die je niet snel verwacht. Ze zijn vaak geschreven op de verbaasde toon van mensen die iets nieuws ontdekken en daarover zo snel mogelijk anderen willen informeren, en ze trekken zich weinig aan van vaste denkpatronen waar we hier nogal snel last van hebben. Dus gaat het bijvoorbeeld nooit over «de dood van de kunst» of de «nieuwe literaire avant-garde» die zojuist in Noord-Engeland, of anders wel Rusland, ontdekt zou zijn, of over kunst die zich meer zou moeten engageren, of over het einde van de ½loso½e die binnenkort dankzij het nieuwste werk van Alain Badiou (nieuwe held) zal aanbreken.
Wel bevatten de nummers uitvoerige artikelen met bijvoorbeeld een interpretatie van de roman Black Beauty van Anna Sewell, of over de komiek Jerry Lewis, of over hoe je met «onbegrijpelijke» poëzie om moet gaan, over de vele boeken met cursussen hoe je een succesvolle schrijver kunt worden, of een uitvoerige discussie over The Underground Literary Alliance, een groep jonge Amerikaanse schrijvers die stevig aan de poten zaagt van gerenommeerde veelschrijvers als Philip Roth en Jonathan Frantzen. Of artikelen over de grote nadelen van een succesvol debuut (compleet met cijfers) en over Matthijs van Boxsels Encyclopedia of Stupidity. En niet te vergeten de uitvoerige interviews met mensen als Pat Benatar, Ice Cube, Tracy Emin, Shirin Neshat en David Foster Wallace.
Dit blad verschilt in veel opzichten van andere Amerikaanse bladen op dit gebied. Men moet zich aangaande het literaire leven in Amerika overigens niet vergissen: veel grote steden kennen een actief literair circuit en overal verschijnen literaire bladen. Alleen al in Minneapolis komen bijvoorbeeld twee goed verzorgde bladen uit over literatuur: Rain Taxi en Ruminator Review. Ze staan iedere keer vol met besprekingen, beschouwingen en verhalen over hoofdzakelijk Amerikaanse schrijvers, maar ook Europeanen komen aan bod. In Berkeley, vlakbij San Francisco, verschijnt twee keer per jaar het krantachtige Poetry Flash: A Poetry Review & Literary Calendar for the West. Uit Ann Arbor (Michigan) stamt het veel gelezen Poets & Writers (tweemaandelijks), dat de vorm heeft van een goed verzorgd magazine. En dan is dit nog maar het topje van de ijsberg: literatuur in Amerika leeft volop. Alle grotere boekwinkels hebben stands waar je bladen over literatuur (en kunst en ½loso½e) kunt kopen.
Maar The Believer is een vreemde eend in de bijt. Het lijkt op geen van de bestaande bladen, het bevat geen advertenties, geen opsommingen van subsidiegevers en leden van de Board of Directors, het bevat nauwelijks poëzie of literair proza, nauwelijks besprekingen van literair of ½loso½sch werk. Vaak zijn de artikelen bijna onbeleefd lang, er zijn geen mededelingen over wat er allemaal op literair, ½loso½sch of kunstgebied gebeurt. Het is vrolijk, onrancuneus, niet wegwerpend of laatdunkend ironisch, het is er niet op gericht anderen de grond in te stampen.
Hoe krijgen ze dit allemaal voor elkaar? Dit blad moet óf gevestigd zijn in een kerkgebouw voor op latere leeftijd bekeerde aanhangers van een nieuwe godsdienstige sekte óf in een twintig verdiepingen tellend kantoorgebouw waar men nu al plannen maakt om per 1 januari naar de beurs te gaan.

Maar 826 Valencia Street is een twee verdiepingen tellend pand in een rommelige straat, tussen rommelige winkels, boeken zaken, kralenwinkeltjes, eettentjes, tweedehands kleding en een winkel waar je binnen 24 uur boeddhist kunt worden. Een pui met een onduidelijke etalage en daar boven een met vreemde plattegronden beschilderde witte buitenmuur. Bij de deur hangt nergens een gouden bordje met in sierlijke krulletters «The Believer» erop, er staat helemaal niks. We kijken door de ruit naar binnen. Overal kinderen, er staan oude stoelen, er zijn zithoekjes en er staat dat het vandaag Piratendag is. Is dit een kindercrèche?
Omdat we ruim een kwartier te vroeg zijn, besluiten we aan de overkant in een hamburgertent een cola te drinken. Hoe zou Andrew Leland eruitzien? We speculeren er flink over: waarschijnlijk lijkt hij op Robert Wilson toen die nog niet wereldberoemd was, of anders op een in driedelig pak gestoken jonge versie van David Bowie. De cola smaakt vreselijk, maar dat kunnen ook de zenuwen zijn. Om ongeveer vijf voor twaalf zie ik aan de overkant een jongeman met kort donker haar en een bril naar binnen gaan, ieder spoor van een driedelig pak ontbreekt; hij draagt een spijkerboek en een donkergroen truitje. We wachten tot één minuut voor twaalf en lopen dan naar de overkant.
Ik hoop dat hij het niet erg vindt wanneer mijn vrouw bij het gesprek blijft, wie weet kan ze me aanvullen. Ik ben niet zo’n geschoold interviewer. Ik heb een stel vragen voorbereid die iedereen wel kan verzinnen: wanneer en hoe is het begonnen, hoe komen jullie aan de stukken, hoe werkt het, hoe krijgen jullie het voor elkaar, waarom doen jullie het zo, hebben jullie ruzies, wat schuift het, wie is de echte baas, hoe groot is de oplage et cetera. Ik heb een kwarto schrijfblok bij me van de Hema. Is het toch verstandiger een opname van het gesprek te maken? Ineens weet ik zeker van wel, maar het is nu te laat. Ik heb een artikel bij me dat een maand geleden in The Guardian verscheen en waarin Gordon Burn op nogal hoge toon tot de conclusie komt dat de hele Believer-_club niet méér omvat dan een soort coterietje dat alles te danken heeft aan Dave Eggers, die in 2001 plotseling rijk en beroemd werd met zijn roman _A Heartbreaking Work of Staggering Genius en die nu alleen zijn vriendjes en vriendinnetjes aan de bak wil laten komen. Raar artikel, dat in Nederland goed in Privé zou passen en dat geen enkele moeite doet preciezer naar de bedoelingen en de geschiedenis van The Believer te kijken en naar wat hun relatie is met het door Dave Eggers opgerichte uitgeversbedrijfje en (internet) tijdschrift McSweeney’s. Wie kent wie en wie doet het met wie, dat is de portee van dit flauwe, half rancuneuze en zelfs overduidelijk jaloerse betoog.

We gaan naar binnen. Het is rommelig, half donker, de ruimte is verdeeld in allerlei compartimenten met tweedehands stoelen en banken, een soort zithoekjes. Kinderen van een jaar of twaalf lopen naar de uitgang, er zijn allerlei begeleidsters en we geven Andrew Leland een hand. («So you are mister Hart? How do you like San Francisco?») Het is inderdaad de jongeman die net naar binnen is gegaan. Ongetwijfeld had hij gehoopt op een frisse jonge kerel uit Nederland, nu moet hij het doen met een oudere halfkale zenuwpees met een brilletje op, maar hij laat niets merken. We slagen erin de eerste moeilijke minuten van een kennismaking tussen onbekenden goed door te komen. Hij verontschuldigt zich meteen voor de rommelige ontvangst, vertelt dat The Believer in een klein kamertje boven zit, maar dat ze net aan het verbouwen zijn. Dan wijst hij op een adembenemend gevaarlijk trapje achter me, niet meer dan een ladder, dat steil naar boven loopt. We schieten allemaal in de lach. Dus via die ladder kom je in de redactiezaal? De redactiezaal? Er is helemaal geen redactiezaal, ze hebben boven op de zolderverdieping een klein kamertje, er staat een computer, er is een tafel met wat stoelen en dat is het dan. Ik vraag of ik er even mag kijken, dan maar met gevaar voor eigen leven via dat trapje naar boven, maar Andrew slaagt erin me ervan te overtuigen dat ik daar niks aan heb, er is werkelijk niks te zien, alleen rommel. Ze krijgen binnenkort een iets grotere kamer die ze ook via een achteringang kunnen bereiken, dan is dat laddertje niet meer nodig. Het is hier te donker om een foto te maken, anders had ik dat laddertje wel voor de eeuwigheid willen vastleggen.
Er komt een jonge vrouw bij ons staan, ik had haar al gezien bij de kinderen. Andrew stelt ons aan elkaar voor. Dit is Vendela Vida, ze is een van de drie redacteuren van The Believer, zij is interview editor, ze is dus onder meer verantwoordelijk voor de interviews in het blad. Met haar zal ik het gesprek voeren. Ze heeft tamelijk lang halfblond haar, een smal oplettend gezicht, ze is een jaar of dertig. Ik weet dat ze de echtgenote is van Dave Eggers, maar ze slaagt erin dit tijdens het hele gesprek niet aan de orde te laten komen, al komt zijn naam wel ter sprake. Dit neemt me geweldig voor haar in, ze is blijkbaar niet van plan ooit mee te liften op het succes van haar man. Ze vertelt dat ze familie in Nederland heeft, een oom in Nijkerk, ze heeft een nichtje daar, en dat ze ook een keer bij het Crossing Border Festival in Den Haag was, haar enthousiasme erover kun je van haar gezicht aflezen. Wanneer ik vertel dat ik helaas de eerste twee nummers van The Believer mis, gaat Andrew ze onmiddellijk ophalen, ze hebben ze nog in stapels boven liggen. Ze zegt dat Andrew 22 is, een tweedejaars student van de universiteit hier, dat zonder hem The Believer nooit iets zou worden. Hij doet administratief werk, regelt de afspraken en zorgt ervoor dat de redactie zo rustig mogelijk kan werken. We besluiten het interview in deze ruimte te houden, boven kan het nu niet en ik vind deze omgeving prima. Mijn vrouw mag er natuurlijk bij blijven.
Dit hier is een schrijfschool voor volwassenen en kinderen, creative writing, vertelt Vida. De begeleiders geven ook schrijfles aan scholen uit de buurt. The Believer staat er helemaal los van, ze huren alleen een ruimte boven. De schrijfcursussen zijn gratis, zelf geeft ze ook cursussen op scholen hier in de omgeving. Vandaag was hier een speciale sessie omdat kinderen hun eigen verhalen kwamen voorlezen. Thema: piraten. Het is vrijwilligerswerk, sommige ouders en scholen geven wat ½nanciële steun, maar van de overheid hoeven ze verder niets te verwachten: dit is Amerika.
The Believer is begonnen als een soort droom van een stel vrienden die van 1993 tot 1995 een MFA-opleiding volgden aan de Columbia University van New York: een graad in master of ½ne arts, een tweejarige opleiding in creative writing. Heidi Juvalits, Ed Park en zijzelf dus.
Nachtenlang praatten ze met elkaar over een nieuw, opgewekt blad. Er zou een dialoog over kunst, literatuur en ½loso½e in gevoerd moeten worden. Het moest open zijn, geen restricties kennen, het moest schrijvers en kunstenaars in hun waarde laten, het moest dialogisch van aard zijn en het moest eerder nieuwsgierig zijn dan de indruk wekken al te weten wat er te koop is. Lange tijd speelden ze met het idee om het ooit te beginnen blad The Optimist te noemen, maar dat leek toch net iets té. De naam The Believer drukt goed uit wat ze willen, al zijn er nog steeds mensen die denken dat het blad iets met religie te maken heeft.
Vida laat me de eerste bladzijde zien van het eerste nummer, Notes about the Believer: geen uitvoerig statement over kunst («wij vinden dat kunst meer blablabla») maar een korte, puntsgewijze opsomming van een paar startpunten. Er staat onder meer: «We will focus on writers and books we like.» «We will give people and books the bene½t of the doubt.» «On this page there was to have been an essay containing talk of the concept of the Inherent Good. Books are inherently good, the essay said, as are people marching to express a political opinion. In this magazine, we will never forget the concept of the Inherent Good.» «Interviews will be long and not very timely.» «The working title of this magazine was The Optimist.» Vida moet er nog wat om lachen, maar de uitgangspunten staan nog steeds als een huis. Het blad moet uitdrukken dat ze met alle kracht geloven in literatuur, kunst en ½loso½e, dat het meer dan de moeite waard is daarover te schrijven en van gedachten te wisselen.
Het is natuurlijk moeilijk om een blad van de grond te krijgen, maar begin 2003 kregen ze een kans: het (internet)tijdschrift McSweeney’s, opgericht door Dave Eggers, bleek bereid de distributie van dit nieuwe blad op zich te nemen. Eggers bedacht de opvallende lay-out en Charles Burns maakt tot nu toe altijd de omslagillustraties. Het blad is goedkoop: een los nummer kost acht dollar, een abonnement voor twaalf nummers is 65 dollar. De driekoppige redactie komt zelden bij elkaar: Heidi Juvalits woont in New York, Ed Parks in Maine en Vida in San Francisco. Overleg gaat via e-mail en dat werkt uitstekend. Zelf verdienen ze er niks mee, het is vrijwilligerswerk, alleen Andrew kunnen ze een klein salaris betalen. Ze leven van hun eigen werk. Vida publiceerde tot nu toe twee boeken: Girls on the Verge, een bewerking van haar afstudeerscriptie, en de roman And Now You Can Go.
Het valt erg mee om kwalitatief goede stukken voor het blad te krijgen, schrijvers bieden zich vaak zelf aan, ze vinden het prettig dat hun geen restricties over de lengte van de stukken wordt opgelegd, dat is bij andere bladen wel anders. Maar ze bellen ook schrijvers op. Ze betalen voor de artikelen, maar het gaat niet om reusachtige bedragen, men wil graag voor The Believer schrijven. Interviews komen meestal zonder al te veel moeite tot stand. Ze laten zich informeren door vrienden, kennissen en andere betrokkenen, of iemand geeft een tip. Ze vragen interviewers te werken vanuit betrokkenheid met de geïnterviewden. Geen pogingen mensen in diskrediet te brengen of in een val te laten lopen, ze willen iedereen respectvol benaderen en in zijn waarde laten. Op die manier slagen ze erin zeer diverse kunstenaars mee te laten werken.

The Believer wil de zaken toegankelijk maken voor de lezer, zonder wegwerpend of populair te zijn. Nieuwsgierigheid, dat is belangrijk. Discussies over Heidegger (bijvoorbeeld in het interview met de ½losofe Silvia Benso) worden niet weer gegeven in heideggeriaans jargon, of ingeleid met oeverloze toelichtingen, maar zo weergegeven dat een lezer weet wat er aan de hand is. Men probeert academische taal te vermijden, maar wil de lezer wel informeren over wat er links en rechts zoal speelt. Het gaat erom niet alleen de geïnterviewde te respecteren, maar ook de lezer.
Ze nemen stukken op van «gewone» lezers. Zo is er een (fraaie) reeks over Amerikaanse motels, die uiteraard is geïnspireerd op de beschrijvingen van Nabokov in Lolita. Maar ook bijdragen van lezers over gewone belevenissen en mensen worden geplaatst, al moet je wel uitkijken dat dit soort bijdragen niet te grappig willen zijn. «These stories have to talk for themselves, the fun should be in the story», zegt Vida, waarmee ze zo tussen neus en lippen door ongeveer 85 procent van de Nederlandse literatuur naar de prullenmand verwijst.
Zelf maakt Vendela Vida voor ieder nummer lijstjes waarin ze zich uitleeft op vreemde invalshoeken over literatuur, politiek, muziek en kunst. Bijvoorbeeld in het vierde nummer een «representation of incarceration» (inkerkering), met opsommingen van memoires, ½lms en boeken over gevangenschap. Of in nummer 9 «an interpretative nonchronological genealogy of the how-to-write book, annotated with flap-copy promises, testimonials, & user reviews», waaruit blijkt dat al in 1918 Strunk & White The Elements of Style (ye old stand-bye) schreven. En het laatste nummer uit juni bevat een opsomming en indeling van bands wier naam met «The» begint, met onder het kopje Your Worst Fears namen van bands als The Terrifying Experience, The Catheters, The Stranglers en The Hidden Cameras.
In The Believer staan tot nu toe geen recensies van losse boeken, wel verzorgt de Engelse schrijver Nick Hornby in ieder nummer een vaak hilarisch, soms ook flauw persoonlijk dagboek over de boeken die hij kocht en al of niet las. In de toekomst zullen er misschien meer recensies komen, dan vooral van uitgaven van kleinere uitgeve rijen, die in Amerika bij honderden bestaan maar in de of½ciële circuits nauwelijks aan de bak komen. Erg geïnteresseerd is The Believer in herlezingen van boeken die tot het of½ciële culturele erfgoed behoren maar niet meer worden gelezen: zie bijvoorbeeld artikelen over het werk van Sewell en Jane Austen.

We zitten ondertussen al een uurtje met elkaar te praten, bladeren af en toe door wat nummers die Andrew gebracht heeft. Vendela Vida wijst me op artikelen, op de illustraties (vaak van concrete voorwerpen: stofzuigers, auto’s, tandenborstels, machines), op een paar stukken die ze zelf erg bijzonder vond. Expliciete politiek komt er niet vaak in voor, wel was er een uitvoerig artikel over de campagne van de Democratische kandidaten voor de voorverkiezingen van afgelopen winter, en er zijn plannen om voor de presidentsverkiezingen van november met iets speciaals te komen. Ook het interview met Dawit Giorgis, voormalig leider van de marxistisch-leninistische junta die tussen 1983 en 1985 aan het bewind was in Ethio pië, verschenen in nummer 13, is een uitzondering op de regel. De redactie kwam erachter dat hij tegenwoordig in Cape Town woont en dat hij wel terug wilde kijken. Die kans liet men zich niet ontgaan.
Er zal in de komende edities meer aan muziek worden gedaan. De nieuwste Believer, net verschenen, bevat een cd met achttien nummers van achttien Amerikaanse popgroepen, plus een interview door Dave Eggers met David Byrne. Achter hypes zullen ze niet snel aanhollen, dus zullen ze niet snel een publicatie opnemen rond een te verschijnen boek. Ook al omdat dit voor een maandblad niet goed te doen is; je rent dan van de ene «interessante gebeurtenis» naar de andere. Ik vertel dat bij ons de gerenommeerde highbrow-_kranten en -weekbladen zich zonder enige gêne voor de commerciële karretjes van uitgeverijen laten spannen: een boek van een bekende schrijver wordt al weken voor de publicatie opgeblazen en uitgevent in uitvoerige interviews met de gevierde schrijver. Geld hoeven ze daar niet eens voor te betalen, het gaat allemaal vanzelf. Dit lijkt Vendela voor haar blad zo ongeveer de ergste nachtmerrie, ze wil nooit op hetzelfde moment met iedereen meedoen, _The Believer hoeft niet speciaal voorop te lopen. Het gaat er eerder om de zaken toegankelijk te maken en open te houden dan lezers te informeren over de nieuwste modes en events binnen literatuur en kunst.
Ik wil haar het interview uit The Guardian geven, maar ze hoeft het niet te hebben, ze leest geen artikelen over The Believer, daar wordt ze alleen maar zenuwachtig van.
We praten nog even over oplagecijfers. Na een jaar was de oplage ongeveer twintigduizend exemplaren per nummer. Volgens mij is dat zelfs voor Amerika hoog, maar ze hoopt dat het de komende jaren nog veel meer wordt, het blad ligt nog lang niet overal in de boekwinkels. Ze weet niet hoeveel nummers en abonnementen er in Europa verkocht worden, wel dat het langzaam aan het groeien is.
We nemen afscheid. Ik krijg haar twee boeken, ze zet er een handtekening in, met een opdracht: «For Case & Euf». We geven handen, ik wil zeggen dat ik haar ideeën en haar blad bewonder, dat ik er optimistisch van word en dat ik als ik het lees het gevoel krijg dat ik meer dingen begrijp en zie dan vroeger, dat ik ineens ruimer kan ademhalen, alsof de lucht plotseling opklaart. Maar ik zeg natuurlijk niks.
Bij het laatste nummer, het viel een paar dagen geleden in de bus, zat een vrolijke brief waarin ik word opgeroepen mijn abonnement te verlengen. Er is goed nieuws: het jaarabonnement is verlaagd van 65 naar 55 dollar. Een verlaging van de abonnementsprijs? Ik heb dat hier nog nooit meegemaakt.

Voor meer informatie: www.believermag.com

Vendela Vida
Girls on the Verge
St. Martin’s Press, 170 blz., $ 19.95

Vendela Vida
And Now You Can Go
Alfred A. Knopf, 190 blz., $ 19.95