Heidegger onder het stofzuigen

CORNELIE Huygens, Margot Antink, Jo van Ammers-Küller, Ina Boudier-Bakker, Augusta de Wit, Annie Salomons en Marianne Philips - het is een rijtje lang vervlogen namen. Toch waren zij voor de oorlog bekende, veel gelezen en, op Jo van Ammers-Küller na, door de literaire kritiek gewaardeerde schrijfsters. Ze zijn vergeten, zoals vrijwel alle schrijfsters uit de eerste helft van deze eeuw vergeten zijn. Vraag een gemiddelde in literatuur geïnteresseerde Nederlander of Slauerhoff, Ter Braak, Du Perron en Elsschot vrouwelijke collega’s hadden, en verder dan Carry van Bruggen komt hij niet.

Dat terwijl een stoet aan schrijfsters publiceerde - vanaf 1900 vond zelfs een invasie plaats van vrouwen in de literatuur. ‘Ons land telt circa 100 dames die met een breipen romans haken’, schreef de letterkundige Anthonie Donker in 1930. Hij voelde zich, zo te zien, behoorlijk bedreigd. Lees Vrouwenspiegel, het proefschrift waarop Annie Romein-Verschoor in 1935 promoveerde, en je maakt met zo'n veertig schrijfsters kennis uit de eerste dertig jaar van de twintigste eeuw.
Het is een veel gestelde vraag: hoe komt het toch dat vrouwen zo weinig in de handboeken en literatuurgeschiedenissen terechtkomen? De literatuurwetenschapster Erica van Boven wijdde zo'n jaar of vijf geleden haar dissertatie Een hoofdstuk apart aan die vraag. Ze gaf een reeks antwoorden: de literaire kritiek was seksistisch en bombardeerde de literatuur van vrouwen tot een apart, inferieur genre: dat van de 'damesroman’, de 'mevrouwenroman’ of het 'juffrouwengeschrijf’. Een nieuwe generatie schrijvers zette zich rond 1930 tegen de schrijvende vrouwen af. De schrijfsters waren eenlingen die geen deel uitmaakten van literaire bewegingen en tijdschriftredacties. De schrijfsters presenteerden zich meestal niet als serieuze literatoren; ze hadden geen literaire opvattingen, ze schreven 'vanzelf’.
HET VOORNAAMSTE is dat zich twee normen ontwikkelden: je had literatuur en je had vrouwenliteratuur. De tweede categorie was per definitie een product van huisvlijt, huiselijkheid en benepen burgerlijkheid. Er ontstond een heus debat over de rol van het kopje thee in de literatuur. 'Eindeloze discussie onder de thee’, zo karakteriseerde Ter Braak de damesroman. De eerder genoemde Donker stelde dat er een dissertatie te schrijven viel over het theelichtje in de letterkunde. Een derde criticus vatte het in een formule samen: 'de waarde van een roman is doorgaans omgekeerd evenredig aan zijn hoeveelheid theegebruik’.
De schrijfster Marianne Philips begon in dit klimaat te publiceren. Martje Breedt Bruyn, die haar in een biografische schets aan de vergetelheid probeert te ontrukken, gaat daar ook niet aan voorbij. Ze haalt Albert Helman aan, voor de oorlog criticus van De Groene, die de 'hobbezakliteratuur’ van de schrijvende dames hekelt. De Hollandse romancières die de markt overspoelen 'met hun minieme, verpieterde, fatsoenlijk-wulpse, driehonderd bladzijden over een coïtus piekerende, wilde vloed hunner ranzige fantasietjes’.
Breedt Bruyn beschrijft het niet expliciet, maar op de vergetelheid van Marianne Philips zijn alle antwoorden van Van Boven toe te passen. Zij was een eenling, bij haar debuut al werd zij 'een outsider’ genoemd. Ze had geen literair programma, zomaar opeens was ze op een dag gaan schrijven, als vanzelf. Ze schreef een bescheiden oeuvre bij elkaar dat door Frans Coenen als 'voortreffelijke tweede klas’ werd getypeerd. En al werd ze in de kritiek over het algemeen als een gelukkige uitzondering op de schrijvende dames bestempeld, ook zij werd, juist toen ze een bestseller schreef, door Ter Braak in het dameslaadje opgeborgen. Ze stuurde hem er een vinnig briefje over. 'Bestaat er’, schreef ze, 'voor de Nederlandse Schrijfsportkampioenschappen een bijzonder dames- en herenclassement?’ En hoe zat het dan met haar 'plaatsing in toekomstige matches’?
De aardige biografie van Breedt Bruyn geeft ook op een andere manier antwoord op die vraag over de vergetelheid. Je leest eruit dat Marianne Philips als kind en jonge vrouw niet de ambitie had om schrijfster te worden omdat de historische werkelijkheid er niet naar was om als vrouw die ambitie te koesteren. Zo bezien is het niet zo merkwaardig dat ze zomaar, opeens, begon te schrijven. Je leest er ook mooi uit hoe moeilijk het soms was voor Marianne Philips om schrijfster en moeder en huisvrouw tegelijk te zijn. Haar man haatte het geratel van haar typemachine. 'Een huisvrouw’, schreef ze in een brief aan de literator en psychiater J.W. Schotman, 'moet met een ijzeren wilskracht een paar uur per dag reserveren. En natuurlijk zijn zulke uren vaak nodig om eerst zelf rustig te worden. Juist als men denkt: “Nu zou ik kunnen gaan werken” is de beschikbare tijd voorbij.’
En dat terwijl zij in de zegenrijke omstandigheid verkeerde dat haar echtgenoot het niet direct leuk vond dat ze schrijfster was; hij legde haar ook geen strobreed in de weg. Ze had zelfs iets wat veel vrouwelijke collega’s niet hadden: 'a room of one’s own’. Buitenshuis had zij een eigen schrijfkamer tot haar beschikking. Ze kon soms ook wel de voordelen zien van haar dubbele belasting. Aan dezelfde Schotman liet ze weten: 'Als ik over de filosofie van Heidegger kan nadenken terwijl ik bedden opmaak en stofzuig, als ik van een zingende merel geníét terwijl ik voor het raam een stofdoek uitsla, dan weet ik dat ik later (…) én Heidegger én de merel zal zien verschijnen in het werk.’
DE SCHETS van Breedt Bruyn stimuleert niet alleen om toch eens een keer een roman van Philips ter hand te nemen, maar biedt ook het levensverhaal van een eigenzinnige, temperamentvolle vrouw. Marianne Philips was behalve schrijfster en huisvrouw ook socialiste, pacifiste en theosofe. Ze was in 1919 een van de eerste vrouwelijke raadsleden van de gemeente Bussum. Als zodanig werd ze als een 'waar wonderdier’ aangestaard. Haar sociale bewogenheid weerhield haar er niet van om de kasteelvrouwe van een statige villa te zijn, waardoor ze door een partijgenoot 'een bourgeois met enig socialistisch sentiment’ werd genoemd.
Ze bezocht spiritistische seances, ging na een 'kraambedpsychose’ (nu zouden we zeggen: postnatale depressie) in psychoanalyse, verdiepte zich niet alleen in de theosofie maar ook in de westerse filosofie en de oosterse wijsbegeerte. Ze liet zich dopen tot lid van de vrij-katholieke kerk en moest, omdat ze joods was, onderduiken in de oorlog. Dwars als ze was, weigerde ze zich ook toen geheel aan te passen. Hoe gevaarlijk het ook was, zij ging met een vals persoonsbewijs gewoon over straat. Ze wisselde voortdurend van onderduikadres: 'Ik blijf niet lang op één plaats. Dat heeft zijn voordelen, een gast is als een vis, blijft drie dagen fris.’