Mijn eigen indruk en oordeel is het volgende. Ik waardeer de poging van beide heren om de duisternis van Heideggers proza over te zetten (‘uberzusetzen’) in formuleringen die enigszins te begrijpen zijn. Mijn probleem blijft daarbij waarom de filosoof zelf een en ander niet iets ‘begrijpelijker’ heeft willen neerschrijven, tenzij wij moeten aannemen dat hij heel goed heeft ‘begrepen’ dat obscuriteit juist bijdraagt tot het prestige van een hedendaagse filosoof.
Om dit ontmoedigende verhaal niet verder voort te slepen, wil ik concluderen dat beide pogingen tot verheldering van de heideggeriaanse duisternis minder lijken op de door mij verlangde vertaling en interpretatie dan op een soort vrije vertaling of samenvatting in de zin van bepaalde examenopgaven. Wat zij hiermee gemeen hebben, is dat men na deze intellectuele dwangarbeid opgelucht overgaat tot een iets normaler en vrijer leven. Rotterdam, E.M. JANSSEN PERIO