Heidi in het leger

Nu de militairen met machinegeweren in het straatbeeld zijn verschenen, heb ik er een nieuwe angst bij. De angst om me verdacht te gedragen. Je passeert twee van die commando’s, struikelt precies dan over een losse veter of doet iets anders waarop ze getraind zijn te reageren, en ták – daar lig ik, in m’n been geschoten, als ik geluk heb.

Laatst was ik erg dicht bij dat moment. Het was op het vliegveld van Basel. Het grappige van het vliegveld van Basel is dat er een grens doorheen loopt. Vertrekhallen 2 en 3 liggen in Zwitserland, vertrekhal 1 in Frankrijk. Ertussen passeer je één douaneloket, dat onbemand is en vooral symbolisch bedoeld zal zijn.

Je kent die opwinding nog wel die je als kind had als je een grens over ging. Je telde af tot je er was en keek daarna vol verwachting uit het raam naar het nieuwe land. Inmiddels weten we natuurlijk dat het overal hetzelfde liedje is, zeker met de globalisering en alles, en toch geloof ik dat we die opwinding nooit helemaal kwijtraken. Ze dimt wel, maar ze blijft voortleven, als dat kleine schokje bij elke grensovergang, en al helemaal als je je realiseert dat je op dit vliegveld in en uit de eurozone wandelt.

In en uit de eurozone! En wist jij dat de wereld merkbaar anders is aan weerszijden van die grens? Andere broodjes, andere kiosken, andere krantenkoppen. Andere talen ook, toch? Dat controleerde ik even, door eerst aan Zwitserse zijde het winkelpersoneel af te luisteren, en vervolgens aan Franse zijde. Ja, verdomd, het klopte. Het opgewekt-melodische Sweizerdeutsch versus de gelaten toonzetting van het Frans (‘Boh… mais… je ne sais pas…’).

Ik had nog wel een uur voor mijn vlucht vertrok, dus pendelde ik steeds heen en weer tussen Frankrijk en Zwitserland, op jacht naar zo veel mogelijk verschillen, ook de subtielere. En pas na mijn twaalfde tocht langs het douaneloket merkte ik het op. Aan het zicht onttrokken door een informatiebord, of misschien werkte het camouflagepak gewoon erg goed, in elk geval stond ze daar: een militair met een uzi. Ze, inderdaad: onder haar baret kwam, ik zweer het, een blonde vlecht vandaan.

‘Everything allright, sir?’ vroeg ze en in de drie seconden dat ze me strak aankeek openbaarde zich aan mij de synopsis van een film, met de werktitel Heidi joins the army.

Ik hoefde me niet te vervelen. Zeker niet toen ineens de ­militairen ­kwamen

‘Yeah, yeah… mais oui… alles gut…’, zei ik, en wilde iets over mijn fascinatie voor grensovergangen vertellen, maar ik had me al verdacht genoeg gedragen en elk woord kon nu de druppel zijn. Geboren tijdens een mooie dodenherdenking in mei, en bij vergissing doodgeschoten door een stroblond Alpenmeisje.

Goed, ik had dringend koffie nodig. Ik verkoos de Franse cappuccino. Ik klom naar het terrasse met uitzicht op vertrekhal 1. Daar stond een hele menigte in te checken voor vluchten naar exotischer oorden, wat een kleine parade opleverde van Saoedische prinsen in witte gewaden, oliesjeiks met purperen tulbanden, Indiërs omringd door hun scharen van dochters of echtgenotes in glimmende bruidsjurken, Russische oligarchen met hun graatmagere pornomodellen, oude Europese dames met kefhondjes en omslagdoeken, die heel hard probeerden een ‘gek excentriek mens’ te zijn… Afijn, ik hoefde me een poosje niet te vervelen.

Zeker niet toen, vanuit het niets, ineens de militairen kwamen. Vijf, zes, zeven, acht man, in camouflagepakken en met de lopen van hun geweren omlaag. Ontruimen, gebaarden ze, de hele vertrekhal moest leeg. Dus daar bewoog de hele stoet, allemaal uit Frankrijk weg. Schuilen. Op naar het neutrale Zwitserland. Slapers werden uit hun stoelen gewekt, afzetlinten werden uitgerold, en daar waren nu ook vier of vijf van die vrouwelijke militairen, allemaal – echt, ik zweer het je – met zo’n dubbelgevouwen Rapunzelvlecht. Ook ‘mijn’ Heidi was van de partij, en weer verscheen aan mij de ongecensureerde trailer voor een film van een bedenkelijk maar daarom nog niet overbodig genre. Dat is blijkbaar waar wij aan denken in de laatste minuten voor de bom afgaat. Aan de heel gewone dagelijkse dingen.

Dan is de vertrekhal leeg. Alleen ik zit nog bovenin. Je suis en terrasse: de vergeten cappuccinodrinker, de filmmaker zonder oeuvre. Ik werp een vragende blik naar de bardame. Moeten we weg? Ze antwoordt: ‘Boh… mais… je ne sais pas…’

Na vijf angstige minuten verschijnt er een nerveuze jongen bij het afzetlint. Hij draagt een bril met stevig montuur en heeft wel wat weg van wat ‘De Man Met Het Hoedje’ is gaan heten. Na een hoop gebaren en het overleggen van documenten krijgt hij een klein tasje, een donkergrijze foto- of toilettas, aangereikt door Heidi. Haar collega’s halen de afzetlinten weer weg. De jongen hangt de tas om z’n schouder, en stiefelt, ineengedoken van schaamte, met zijn verdachte pakketje richting de Zwitserse grens.