Heijdens huiskamer

‘Asbestemming’ speelt zich af tegen het alcoholische decor van het Amsterdamse cafe De Zwart. Hoe Adri van der Heijden aan het Spui de donkere herinneringen aan zijn vader heeft doorgespoeld.

LAAT IK DE ZWART vangen in een sonnet:
De tijd na ’t werk lijkt in de zomer langer maar wie niet meezuipt op het overvol terras, of over Maatstaf meelult, vormt een minder ras. Hier blijkt wie stamgast is en wie lul de
behanger.

En inderdaad: wie Asbestemming leest, zou bijna vergeten dat een cafe ook voor de lol wordt bezocht. De worsteling van de schrijver met de dood van zijn vader doet het bijbelse gevecht met de engel verbleken. Niet alleen letterlijk: terwijl Jacobs gevecht wordt afgerond met een klap op zijn heupgewricht waarna blijkt dat hij met de Allerhoogste heeft geworsteld, gaat Van der Heijden al na een twaalftal bladzijden, in de eerste ronde, knock out in De Zwart door een klap van de allerlaagste. Maar ook figuurlijk, want de schrijver staat op voor de tweede ronde, voor het werkelijke gevecht met zijn stervende vader - een schaduwgevecht omdat de zoon nimmer meer zo veel op zijn vader zal lijken. Adri van der Heijden lijkt te pogen pa postuum onder de tafel te zuipen, om zo de donkerste herinneringen aan hem te purgeren - geen wonder dat zijn tweede huiskamer aan het Spui ligt.

‘Toen ik pas in Amsterdam woonde kwam ik er alleen op zaterdagmiddag, als ik bij Athenaeum een Penguin gekocht had. Tot op een van die zaterdagen een man in safaripak binnenkwam met een juk om. Dat manoevreerde hij zijdelings door de massa, gespte het af, deed het hangslot van een van de twee manden open om er een geldkist uit te halen. Ondertussen bestelt hij een pils. In die tijd kostte een pils nog een gulden vijfenzeventig. De man haalt een gulden en drie kwartjes uit de geldlaatjes, geldkist dicht, op slot, mand dicht, op slot, drinkt zijn bier in een teug weg, hangt het juk weer om en laveert naar buiten. Om daar het verkeer te gaan regelen. Ja, bijna een metafoor: de drankgelegenheid als juk. Maar welke sympathie ik ook voor andere cafes heb, bij De Zwart is echt de beste bierjoint van Amsterdam. Er wordt perfect getapt, het is de Moeder Aller Cafes. Toch ben ik pas relatief kort stamgast - iemand die niet per bier hoeft af te rekenen.’

DE ZWART IS deels een herensocieteit, waarin de mores worden bepaald door studenten die er zijn blijven hangen, al dan niet als ambtenaar op het stadhuis of journalist bij dag- of weekblad. Zij weten nog hoe studentenideoloog Hugues Boekraad vanuit Nijmegen vinnig fulmineerde tegen zijn tegenstanders in 'Swart’ - een spelfout die volgens Foucault geen toeval kan zijn.

Er is in de De Zwart meer niet dan wel. Zo is er geen muziek. Er zijn geen corpsballen, geen mobiel bellende reclamejongens. En al vult menig stamgast beroepshalve de kolommen, op een enkele witte raaf na zijn er nauwelijks journalisten van toonaangevende bladen als de Volkskrant en Vrij Nederland te vinden. Met de komst van schrijvers, in Van der Heijdens kielzog enkele jaren geleden, kwam er cultuur in de couleur locale. Werd er vroeger voornamelijk over politiek, sport en kleine conflicten gepraat, nu beslaan de conflictjes kwesties als 'Welke schrijver stapt er over naar Balans?’ of 'Had die Telegraaf-recensente nu bij Tartufo meebetaald of niet?’ of 'Sinds wanneer vist een NRC-redacteur Ako-stembriefjes uit plantenbakken?’ Het kleine geblaat, kortom, is gebleven, alleen gaat het nu af en toe zowaar ergens over.

Van der Heijden: 'De Zwart is een manier van leven. Het is verslaving aan gezelschap. Maar ik heb dat imago van drinker nu eenmaal door Advocaat van de hanen. Maarten ’t Hart wilde ooit, het was in Rotterdam, al drinkend tot dat boek doordringen. Halverwege vroeg hij: “Nou Adri, ben je nou echt zo'n drinker? Ik lig er al drie op je voor.” In een noodtempo begonnen we Koninck-bier tegen elkaar op te drinken, tot de barkeeper onze vaasjes verving door twee buikige pullen. Op de ene zat een autotoeter, op de mijne een fietsbel. Dus: Proost Maarten! Pep-peep! Proost Adri, tring-tring! Dat was uit zijn geheugen verdwenen toen ik hem vorig jaar naar De Zwart meenam, want toen piepte hij met die aangename, ietwat hoge stem van hem: “Ik kom hier alleen om even te plassen, hoor.” ’
Opmerkelijk aan De Zwart is dat er altijd mensen op de Beroemde Schrijver zullen afstiefelen in de hoop op een gesprek, maar dat aan het merendeel der habitues het verschijnsel Van der Heijden ongestoord voorbijgaat. 'Literaire toeristen, die komen kijken of ik er ben. En dan teleurgesteld zijn. Want als ze zelf een beroemd schrijver waren, zaten ze wel thuis in hun ivoren toren. Dat komen ze je, in feite, verwijten. Bij de diehards van De Zwart heb ik daar geen last van.’

Niet elk beseft dat wat men ook zal schrijven, - naast het verslag van meest recente wip ligt Adri, Vic of Joost op ieders lip - men eeuwig in het peloton zal blijven.

Van der Heijden: 'Maar je houdt mensen die naast je gaan staan, geen woord met je wisselen en je dan, als de drank echt door hun hersens spoelt, een por in je zij geven: flikker toch op, met die rotboekjes van je. Of: hoe schrijf jij die dikke boeken, je zit elke avond hier. Nou kom ik er niet elke dag. En ik kan die boeken schrijven omdat ik af en toe mijn vluchtweg heb.’

IN ASBESTEMMING duikt tussen de bladzijden het gezelschap op dat wel als Van der Heijdens hofhouding wordt beschouwd. Nu kan het, Suetonius indachtig, de keizer niet worden verweten dat hij een hofhouding heeft. Wel kan het de hofhouding worden verweten dat ze een keizer nodig hebben. Maar aan echte fans is helemaal niets te doen. Van der Heijden: 'Twee meisjes uit Brabant, de een vijftien de ander zeventien, hadden me bij Van Dis gezien en op school gehoord over De Zwart. Dus zeiden ze heel slim tegen hun ouders: wanneer gaan we weer eens naar Amsterdam, De Bijenkorf en zo, dat vinden jullie toch zo leuk? Dus als die ouders tegen het einde van de middag nog wat willen drinken en dan aankomen met cafe de Wenteltrap of zo, weten die meisjes hen mee te tronen naar De Zwart. Dan zie je hun ouders eerbiedig maar angstvallig vanuit de hoek bij de sigarettenautomaat hun kroost in de gaten houden.’

Maar het is niet altijd zo goedmoedig. 'Dan hoor je dat ik er uitzie als een buikige, katholieke zuiderling. Dat moet iemand nooit zeggen. Dan klim ik in zijn stropdas.’

Dus pocht men nog, als pinguins in een trenchcoat: slechts minder blauw vest doet de dronken koppen verschillen van het Amro-volk bij Hoppe dat men negeert als was de steeg een grenssloot.

Na de vechtpartij, die figureert in Asbestemming, riep hij kwaad uit: 'Ik kom hier nooit meer! En ik zal zorgen dat ik niet de enige ben!’ Om na drie dagen weer als een verloren zoon op het alcoholisch nest weer te keren. 'Als je lichamelijke integriteit zo geschonden is, ben je kwaad op iedereen die je ervan verdenkt dat ze het niet tegengehouden hebben.’

Een kant van de bar bij De Zwart heet, naar de bejaarden die er overdag zitten, 'Death Row’. Van der Heijden: 'Ik kan me niet voorstellen dat ik daar zal eindigen. Ik ben wel een liefhebber van alcohol, maar heb die buien niet meer zo. Dat ik drinkend de dood van mijn vader verwerkte was wel mijn behoud. Het was deels een experiment, al ging het wel ver om in Nova te zeggen dat ik nog nooit een glas voor mijn lol heb gedronken. Maar ik heb nooit begrepen hoe die ouwe van mij, gekleed in nette armoe maar toch goed geschoren, vertrok en als groengebekt monster weer terugkwam.

Dat is de grens: mijn kleine gezinnetje moet er niet onder lijden. Ik lig niet de hele nacht te tieren zodat mijn kind wakker ligt. Dat deed mijn vader wel, tot in een roes waarin hij niet meer kon ophouden met tieren. Als hij schrijftalent had gehad, had hij een soort Celine kunnen worden: zeshonderd bladzijden doortieren. Bij mij gaat die kleine er helemaal niet onder gebukt.’

Sterker nog: voor Van der Heijdens zoon is De Zwart een huiskamer waar hij onbekommerd over de grond kan kruipen. 'Toen hij was geboren, wilde ik zijn moeder voor haar grote karwei belonen met een vulpen met zijn naam erin gegraveerd. Het enige wat bestond was thuis, kraambed, breekbaar kind: ik moest terugvliegen naar het nest. Maar het duurde anderhalf uur tot in de winkel, hier om de hoek, de inscriptie klaar was. Toen ben ik schoorvoetend overgestoken naar De Zwart, met een schuldbesef zoals ik het zelden meer gehad heb.’
'Wat zet je er als kop boven? “Heijdens huiskamer”? Maak daar maar “heidense huiskamer” van.’

Maar berg u, want het ergste moet nog komen: daar is PC, met frontnieuws van E. Noomen.