Essay: Wereldgeluk is een hoogst wankelbare zaak

Heil en onheil in de geschiedenis

Geluk in de wereldgeschiedenis is een hoogst wankelbare zaak. In haar streven naar heil voor iedereen heeft de mensheid in de afgelopen 250 jaar indrukwekkende prestaties geleverd, maar ook veel onheil over zich afgeroepen.
En de kans lijkt klein dat de handelende mens van vandaag orde op zaken stelt en de wereldgeschiedenis voor grote tragedies behoedt.

Er bestaat in onze tijd een neiging ingrijpende historische gebeurtenissen in termen van gelukkig of ongelukkig voor de mensheid te definiëren. En omdat zulke gebeurtenissen vaak door personen — machtige personen — geïnitieerd worden, zien wij in hen de demiurgen van heil of onheil. In zijn postuum gepubliceerde boekje Grösse, Glück und Unglück in der Weltgeschichte, dat honderd jaar geleden is verschenen, vroeg de historicus Jacob Burckhardt zich af waar en waarom zulke oordelen ontstaan. En hij antwoordde: «Het is een soort literaire consensus, geleidelijk bij elkaar geschoffeld uit wensen en resonanties van de Verlichting en de ware of vermeende resultaten van een aantal veelgelezen historici. Ze verbreiden zich ook niet onbedoeld, maar worden publicistisch benut als bewijsvoering voor of tegen bepaalde richtingen in het heden. Ze maken deel uit van de ingewikkelde bagage van de publieke opinie en dragen voor een deel heel duidelijk (al in hun heftigheid, respectievelijk grofheid van presentatie) het stempel van de betrokken tijdgebondenheid. Ze zijn de doodsvijand van het ware, historische inzicht.»

Deze woorden hebben na een eeuw nog niets van hun geldigheid verloren. Integendeel, de bronnen waaruit dergelijke oordelen vloeien, stromen steeds sneller en met steeds overstelpender kracht.

«En wat is dan het gezamenlijke element dat door al die oordelen doorsijpelt; dat is sinds lang het door alles heendringende oordeel van het egoïsme!» schreef Burckhardt. «In onze diepe en hoogst belachelijke zelfzucht houden we vooreerst die tijden voor gelukkig, die in bepaalde mate beantwoorden aan onze geaardheid; voorts beschouwen we die krachten en mensen als loffelijk op wier handelen ons huidige bestaan en relatief welzijn lijkt te zijn gegrondvest. Een en ander alsof wereld en wereldgeschiedenis alleen te onzen gerieve zouden bestaan.»

Waardoor het verloop van de geschiedenis werkelijk wordt gedetermineerd, liet Burckhardt in het midden. Wel wees hij erop dat alle subjectiviteit die onze visie op de verschillende tijden kleurt ook nog kan worden aangevuld met onze veranderende smaak, en dat al die oordelen daarom weinig met het wezen van de geschiedenis te maken hebben.

Intussen heeft de mensheid in de loop van millennia lustig over haar bestaan in de tijd en over het doel ervan gespeculeerd. Opvallend is dat oordelen uit het verre verleden soms eeuwen, zonder noemenswaardige controverse, standhielden, terwijl die van recenter datum steeds fellere meningsverschillen oproepen en elkaar steeds sneller opvolgen en verdringen. In de westerse meningsvorming van de laatste veertig jaar hebben ideologieën en politieke ontwikkelingen een rol gespeeld die elk decennium een nieuwe geestelijke en maatschappelijke omwenteling leken aan te kondigen. Tussen de kreet «de Verbeelding aan de macht» die in het jaar 1968 in de straten van Parijs klonk en het gekakel in Washington waarmee de huidige Amerikaanse kruisridders rondom Bush de ruimte vullen, is er veel vluchtigs gepasseerd.

Hoe zwak de fundering voor de opbouw van menselijk geluk ook lijkt te zijn, tallozen in de wereld zijn ijverig bezig de mensheid te redden, te bevrijden, te veredelen, voorwaarden voor welzijn en veiligheid te scheppen. Kon men vroeger millennia met één ideologie toe, in onze tijd wordt erin gegrossierd, inclusief door hen die alle ideologie aan de wilgen willen hangen.

Om terug te keren tot Burckhardts «consensus» van de Verlichting: het is een zeer verbreide mening dat dankzij deze historische omslag een basis is gelegd voor het ontstaan van een gelukkige, of ten minste een gelukkiger mensheid. Juist doordat de Verlichting zulke eclatante successen op het gebied van de wetenschappen en de technologie heeft bevorderd, vragen wij ons af waarom dan de verwachting van een prudente, humane, vreedzame samenleving zo onvervuld is gebleven. In hoeverre zou er, alle veranderingen ten spijt, sprake kunnen zijn van een fundamentele onveranderlijkheid van het mensdom, die verantwoordelijk is voor een niet uit te bannen tragiek in het individuele en collectieve bestaan?

Verdiepen we ons in de historie, dan vallen ons enorme verschillen van denken en handelen op, die de mensen al op de betrekkelijk korte termijn van een eeuw vertonen. Daarbij treden echter zelden gedragspatronen aan den dag die de menselijke samenleving opeens een opvallend positief karakter verlenen. Veranderingen — ongeacht waar ze het gevolg van zijn: van natuurgebeuren, menselijk ingrijpen, nieuwe inzichten en nieuwe praktijken — vormen een belangrijke bron van verwarring, crises en tragiek.

In de context van de conservatieve filosofie van Plato valt er wel iets van die overwegingen te herkennen. Voor zover hij de mensheid een handelende gemeenschapstaak toe kende, bestond die niet in het scheppen van een heilstaat, maar van een organisatie die een zekere controle over het kwaad zou kunnen uitoefenen. Wat dat betreft zag hij meer in de stol ling van processen dan in de eindeloze voortgang van de beweging.

Het geloof door menselijk toedoen de hemel op aarde te kunnen stichten is vrij nieuw. Noch in de antieke noch in de christelijke era werd de menselijke fantasie door dergelijke mogelijkheden geïnspireerd. Geluksoorden lagen uitsluitend in rijken aan gene zijde. Thomas More’s Utopia dateert uit 1516, en ook dat was niet in onze wereld gesitueerd, maar in Nergensland.

Zo’n achttienhonderd jaar heeft Plato’s visie van de vervreemding van de mens grote invloed uitgeoefend op het denken van de elite. Volgens hem was de menselijke ziel van goddelijke afkomst. Aan het verschijnen van de mens in deze wereld ging een niet-lichamelijk bestaan vooraf. De lichamelijkheid beoordeelde hij uitgesproken negatief: ze kwam neer op een teloorgang van de oorsprong en de bestemming van de ziel. Een positieve keuze van de mens lag volgens Plato in het afwijzen en ontvluchten van de stoffelijke staat.

Vervreemdingstheorieën zijn tot de dag van vandaag een begeleidingsverschijnsel van het historisch denken. Die van Plato bevatte de waarschuwing aan de mens zich niet aan de wereld te hechten, zich er niet als kolonist in te vestigen, maar als een pelgrim door het leven te gaan. Ze diende ook vele christenen tot leidraad, bij voorbijgaan aan de zin in het bijbelse Genesis: «God zag dat Zijn schepping goed was.»

Ook andere religies en levensbeschouwingen hebben de invloed van de platonische vervreemdingstheorie ondergaan. Men mag zich afvragen of de huidige islamitische zelfmoordenaars niet uit datzelfde grondgevoel handelen — een grondgevoel dat mensen in staat stelt hun vitaliteit te overstijgen en door zelfvernietiging aan hun lichamelijk bestaan een einde te maken. Er zijn berichten over de staat van vervoering waarin zulke zelfmoordenaars verkeerden gedurende de laatste dagen die aan hun «verlossing» voorafgingen.

Het platonisme, met zijn onveranderlijke waarheid, zijn verstarde mensbeeld, zijn primaat van de soort en wantrouwen jegens het individu, plaatste christelijke theologen voor de opdracht een brug te slaan naar een wat afwijkend mensbeeld van de evangelische boodschap. In een moeizame denkexercitie hebben eerst Augustinus en later Thomas van Aquino ruimte gecreëerd voor Gods verbondenheid juist met de individuele mens.

Toen in de vijftiende eeuw een storm van maatschappelijke dynamiek opstak, die het einde van de Middeleeuwen en de nieuwe tijd inluidde, lag de gedachte dat de veranderingen in de wereld door menselijke initiatieven tot stand kwamen nog ver buiten het algemene voorstellingsvermogen. Verwezenlijking van heil en geluk door de mensen zelf was nog geen optie. Het volk leefde in primitieve vroomheid, geloofde in wonderen, bad om de steun van heiligen, vreesde heksen, ziekten en vervolging. De stroom van gebeurtenissen die als geschiedenis kon worden gedefinieerd was door God gegeven en daarin mengde zich ook nog een verwarrende en verbijsterende bijdrage van de duivel. Er was weinig reden te verwachten dat uit de dingen die voorbijgaan opeens een gelukkige mensheid op aarde zou verschijnen.

Ondanks de langdurige stilstand, de tragiek en de berusting daarin was het middeleeuwse leven door grote felheid gekenmerkt. Om het in de prachtige taal van Johan Huizinga weer te geven: «Al wat men beleefde had nog de graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed nu nog hebben in de kindergeest. De grote dingen: de geboorte, het huwelijk, het sterven, stonden door het sacrament in de glans van het goddelijke mysterie… En al de dingen des levens hadden een pronkende en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratels en hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden al hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar aan zijn kleed. De grote heren bewogen zich nooit zonder pralend vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging, venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles luide aan met ommegang, kreet, klaag roep en muziek.»

Achteraf worden er gebeurtenissen en verschijnselen gediagnosticeerd die de doorslaggevende oorzaken van ingrijpende veranderingen zouden zijn geweest. Bijvoorbeeld de vermaatschappelijking van het kerkelijk bezit, het uiteenvallen van het centrale, wereldlijke gezag in kleinere eenheden, het opkomen van de steden en daarmee van de kapitalistische economie, de uitvinding van de boekdrukkunst, de verbreiding van universiteiten, het ontstaan van de homo faber en de veel grotere waardering die het handelen ten deel viel tegenover de vroegere contemplatie. Onder dit gesternte stevende de Europese mensheid de Verlichting tegemoet.

Het begrip Verlichting vormt nog altijd een centraal onderwerp van de moderne cultuurgeschiedenis, en het heeft daarom zin het verschijnsel enigszins te karakteriseren. Om te beginnen gaat het om de literatuur van de achttiende eeuw, die geïnspireerd werd door het idee van het licht der Rede. Het afwijkende met de traditie lag daarin dat een primaire verwijzing naar de goddelijke openbaring ontbrak. Door een verdringen van de autoriteit van de theologie en het ten troon verheffen van de Rede verwierf de mens een persoonlijke autonomie en werd hem een zekere mondigheid toegedicht. Het individu werd in staat gesteld op eigen kracht de wereld te leren begrijpen en zich er tot op zekere hoogte ook meester van te maken. De Verlichting betekende een vaarwel aan de kerkelijke wereldbeschouwing en het instellen van de autoriteit van de Rede als de bron van alle inzicht. Het eerste en laatste woord in de wiskunde en de natuurwetenschappen, in de ethiek en religie, in kwesties van maatschappij en politiek was aan de ratio.

De Verlichting was overigens geen eenvormige monoliet. Ondanks tal van innerlijke tegenstrijdigheden heeft ze echter een elementaire eenheid en samenhang gekweekt. Juist haar losse structuur behoedde haar voor aantasting door fundamentalistische tendenties. Zo tot een eenheid in verscheidenheid groeiend, doorstond ze alle smaad die haar ten deel viel. Ze wierp essentiële, universele vragen op die tot de dag van vandaag gesteld worden.

De Franse Revolutie was een voortvloeisel van de werfkracht van deze nieuwe ideologie, die het volk toestond zich te ontdoen van zijn heersers wanneer die niet de beginselen van het «natuurrecht» respecteerden. Ze was voorafgegaan door de revolutie in Amerika, die ook zeer nadrukkelijk op de ideeën van de Verlichting berustte, of misschien nauwkeuriger gezegd: op de «religie der vrijheid» die door de elementen rationalisme, deïsme en optimisme werd gedragen. De Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 ging ervan uit dat de mens per definitie gerechtigd is aan een samenleving te bouwen die beantwoordt aan de waarden vrijheid en geluk. Essentieel waren de zinnen: «Déze waarden beschouwen wij als vanzelfsprekend: dat alle mensen gelijk zijn geboren; dat zij van hun schepper onvervreemdbare rechten hebben gekregen; dat daartoe behoren het leven, de vrijheid en het streven naar geluk; dat de regeringen er zijn om deze rechten te waarborgen, en hun rechtmatige macht ontlenen aan de instemming der geregeerden; dat het volk het recht heeft iedere regeringsvorm die deze rechten zou aantasten, te veranderen of terzijde te stellen en te vervangen door een andere…»

De opsteller van de verklaring, Thomas Jefferson, heeft aan het eind van zijn leven, toen hij al kennis droeg van de gruwelen waartoe de Franse Revolutie had geleid en van het brede bloedspoor dat de napoleontische autocratie had achtergelaten, nog zeer optimistisch betoogd: «Nu de bevindingen van de wetenschap tot gemeengoed beginnen te worden, gaan iedereen de ogen open voor de tastbare waarheid, dat de massa’s der mensheid niet ter wereld zijn gekomen met zadels op hun ruggen, noch een kleine minderheid van bevoorrechten met laarzen en sporen om op hen te rijden.» Een zeer humane veronderstelling, die nu, twee eeuwen later, op wereldschaal nog nauwelijks in realiteit is omgezet, zelfs niet in het land van Thomas Jefferson.

Hoe het zij, het tijdperk van de gelukzoekers en gelukbrengers was begonnen. Weliswaar had de Verlichting zich afgewend van de religieuze traditie, maar daarmee was nog geen einde gekomen aan theologische controversen tussen de vrij uiteenlopende denkers en schrijvers van de achttiende eeuw. De discussie over de erfzonde en over kwaad en geluk bleef de gemoederen bezighouden.

Niet allen waren zulke overtuigde optimisten, en het gedachtegoed van de belangrijke Franse zeventiende-eeuwer Blaise Pascal behield nog lange tijd zijn invloed. Bij het noemen van zijn naam zij vermeld dat nog in de twintigste eeuw vooraanstaande denkers bij hem aanknoopten: Dostojevski, Sjestov, Berdjajew en anderen.

Evenals Plato beschouwde Pascal de mens als van goddelijke oorsprong en ten prooi aan de erfzonde die zich uit in de dualiteit van zijn natuur. Het begrip erfzonde kan in dit geval als een synoniem van vervreemding worden opgevat. Volgens Pascal «misleiden de rede en de zintuigen elkaar wederkerig». Hartstochten en sentimenten vertroebelen de zintuigen en maken dat ze onjuiste indrukken ontvangen. De mens is voor zichzelf onbe grijpelijk. De mens is niet in staat zijn innerlijke krachten in evenwicht te brengen, beweegt zich in tegenstrijdig heden en raakt verstrikt in de machteloosheid van de rede. Zijn pogingen orde te scheppen, leiden tot chaotisch handelen.

Die opvatting stond in volledige oppositie tot het vita activa van het nieuwe denken. Voltaire, die het nodig achtte Pascals stellingen te ontkrachten, beriep zich erop «de partij van het mensdom te kiezen, tegen een verheven misantroop». Hoewel Voltaire de macht van het kwaad in de wereld niet ontkende, achtte hij het bestaan ervan nog geen reden voor de mens er niets tegen te doen.

Intussen valt moeilijk vol te houden dat de mensheid in de afgelopen 250 jaar zo imposant en bemoedigend is opgetreden dat het gerechtvaardigd zou zijn schouder ophalend aan Pascals bedenkingen voorbij te gaan. Ze heeft indrukwekkende prestaties geleverd, maar zich ook aan afschuwelijke brutaliteit en banaliteit bezondigd. Wat haar technisch kunnen betreft heeft ze een adembenemende hoogte bereikt. Adembenemend soms in vrij letterlijke zin, want wie zich zorgen maakt over de levensvatbaarheid van de mensen binnen een geteisterd milieu is beslist niet maanziek.

Een belangrijke waarneming kan zijn dat de groei van de sociologische en psychologische kennis bedroevend weinig heeft bijgedragen tot het menselijk vermogen op humane, respectueuze en verantwoordelijke wijze met elkaar samen te leven en dat zich vooral op politiek terrein een beangstigend tekortschieten openbaart. Als er iets is wat als een grote bedreiging van het maatschappelijk leven kan worden aangemerkt, dan is het de menselijke onbescheidenheid. Ze laat zich materieel en driftmatig, individueel en collectief gelden, en ze opereert als dé desastreuze kracht die allen tegen allen in het geweer brengt.

De mensheid is niet blind voor de gevolgen, maar is te chaotisch om enigszins eendrachtig alternatieve opstellingen na te streven. Hoewel er steeds meer aan getwijfeld wordt of er nog iets in de samenleving gebeurt dat grondig is doordacht — diepgaand aan de rede getoetst — koestert men nog altijd de verwachting dat een nieuwe aanbieder van «de goede aanpak» het heil zal kunnen brengen. Het onbehagen in de stroom van veranderingen wordt dan weer omgezet in een ongearticuleerde schreeuw om nog meer verandering en dat maakt de politieke ontwikkeling hoogst kwetsbaar.

Het was niet zozeer de rationalistische geest van de Verlichting die de wereld de laatste twee eeuwen zoveel onrust en tragiek heeft bezorgd. Veel meer waren het de wanen van voor- en tegenstanders die die geest contamineerden: de waan van kennis omtrent de wetten van de geschiedenis en de wetten van de maatschappelijke ontwikkeling, de waan van een volksziel, van superieure en inferieure rassen, van Über- en Untermenschen, de waan van totale individuele vrijheid, van de dominantie van maatschappelijke en economische stelsels boven de moraal van de mensen.

Denkend aan Burckhardts occupatie met wat hij «historische grootte» noemde en onze ervaringen daarmee is er werkelijk weinig reden om op de aanvoer van «grote» politici en staatslieden veel hoop te vestigen. De revolutionairen van links en rechts die in staat waren hun maatschappelijke concepties te realiseren, hebben zonder uitzondering veel ellende over de mensheid gebracht. Noch hun denkbeelden, noch hun handelingen beantwoordden zodanig aan het menselijk karakter dat ze de kwaliteit van het bestaan hebben kunnen bevorderen. Geen van die hemelbestormers heeft dan ook een onaangevochten positie van historisch formaat verworven. Overzien wij de twintigste eeuw, dan mag men concluderen dat het absoluut niet de hemelbestormers maar juist de defensieve figuren zijn geweest die een plaats onder de «historische groten» hebben verdiend. Een Churchill, een Roosevelt, een De Gaulle, een Adenauer, een Brandt, een Juan Carlos, een Gorbatsjov. Het ziet er helaas niet naar uit dat de komende tijd het slag defensieve politici en staatslieden het pleit zal winnen.

Er zijn overigens nog andere verontrustende verschijnselen die aandacht vragen. Het vrije spel van «bewogen beweging» waarvan we in toenemende mate het slachtoffer worden, genereert problemen van een voorheen ongekende aard. Om enkele te noemen: de dwangmatige economische groei en de elektronische afhankelijkheid.

Globalisering en «mammoet»-bedrijfsvoering, gebaseerd op geringe toekomstvisie en onvoldoende overzicht en controle, brengen onvermijdelijk fouten met zich mee die onder de gegeven omstandigheden kolossale schade aanrichten. Daarvan wordt slechts een deel gesignaleerd.

Computer en automatisering, die de productiviteit indrukwekkend omhoog hebben gestuwd, zijn tot zo ver zegenrijke verworvenheden. Ze sorteren echter ook andere, minder welkome effecten. Talloze functies binnen het bedrijfsleven, het staatsapparaat, het lokaal bestuur, de communicatie en het verkeer zijn zo van elektronica doorregen dat het in stand houden van bepaalde voorwaarden een conditio sine qua non is. Een wat langduriger onderbreking van de energietoevoer, of een onvoorzien «probleempje» ten gevolge van het binnentreden van een nieuw millennium kan tot ineenstorting van aanzienlijke delen van het maatschappelijk leven leiden en (alleen al in Nederland) tientallen miljarden euro’s aan schade veroorzaken.

Misschien dat de kwaliteit van de service op tal van punten zal worden verbeterd, en misschien valt er aan het onpersoonlijke contact wel te wennen, maar een hoogst zorgelijke vraag blijft of alle functies die zich binnen het gestadig uitbreidende, veeleisende en uiterst gevoelige apparaat voordoen adequaat vervuld kunnen worden — en dat geldt op globaal niveau. Er zijn aanwijzingen dat het apparaat ons snel boven het hoofd groeit, en voor toenemende chaos verantwoordelijkheid draagt. De beste en meest doelgerichte opleidingen zullen er geen soelaas voor kunnen bieden, eenvoudig omdat de intelligentie en fantasie bij de mensen onvoldoende aanwezig is om een verantwoord opereren van het apparaat te kunnen waarborgen. Het valt te voorzien dat we een tijdperk van storingen in het maatschappelijk verkeer, van onvervulbare simpele wensen, van eindeloze misverstanden en machteloos dwalen, van verlate excuses, van frustratie en woede tegemoet gaan.

Geluk in de wereldgeschiedenis is een hoogst wankelbare zaak. We laten dan nog buiten beschouwing het mogelijke verschijnen van «apocalyptische ruiters» waartegen de mensheid per definitie machteloos is. Men behoeft daarom nog geen volgeling van Pascal te zijn, of van een van zijn moderner adepten, om in grote onzekerheid te verkeren omtrent de kansen dat de handelende mens orde op zaken zal weten te stellen en de wereldgeschiedenis voor grote tragedies zal behoeden. Niemand minder dan de nuchtere Hannah Arendt schreef in haar boek The Human Condition: «Het is allerminst ondenkbaar dat de moderne tijd — die is begonnen met zo’n ongeëvenaarde en veelbelovende explosie van menselijke activiteit — nog eens zal eindigen in de meest doodse, meest steriele passiviteit die de geschiedenis ooit heeft gekend.» Ik heb de indruk dat de voorboden daarvan zich hier en daar al aandienen.