Richard Wolin, The Seduction of Unreason

Heil en onheil van de Verlichting

Richard Wolin

The Seduction of Unreason:

The Intellectual Romance with Fascism from Nietzsche to Postmodernism

Princeton University Press, 375 blz.,

€ 32,40

Deze zomer raakte ik op een vol en zonovergoten terras verzeild in een «discussie» met iemand volgens wie de Verlichting de grootste ramp is geweest die de mensheid is overkomen, Kant de smerigste zwendelaar was die ooit op deze aardkloot heeft rondgewandeld, en er geen regime denkbaar is dat zo totalitair en onderdrukkend is als de in het Westen dominante liberale democratie. Vol vuur zette hij uiteen dat er geen nobeler mensen zijn geweest dan de Franse Jacobijnen, dat niet alleen Robespierre maar ook Lenin en Stalin bewonderenswaardige figuren waren omdat ze zich tenminste niet neerlegden bij zoiets banaals als «de werkelijkheid» en bereid waren de geschiedenis in een bepaalde richting te duwen, en dat de ordening van de staat zou dienen te berusten op de beginselen van Carl Schmitt, wiens onderscheid tussen vriend en vijand het alfa en omega van de politiek vormen.

Terwijl tijdens mijn pogingen zijn betoog enigszins te volgen het zweet van mijn hoofd gutste, zag ik in mijn ooghoek hoe mensen met gefronste wenkbrauwen een blik wiepen op de luidruchtig orerende jongeman. Toch kunnen zijn opvattingen niet zonder meer worden afgedaan als excentrieke hersenspinsels, aangezien ze in een traditie staan die je respectabel zou kunnen noemen, als je respectabiliteit althans zou willen afleiden aan het aantal professoraten, wijsgerige dan wel literaire prijzen, en de citatie-index.

Het is deze intellectuele traditie die Richard Wolin onder handen neemt in zijn nieuwste boek, The Seduction of Unreason. In zijn vorige boek, Heideg ger’s Children, behandelde hij de funeste invloed die «Der Meister aus Deutschland» heeft gehad op het denken van vier joodse studenten (Hannah Arendt, Herbert Marcuse, Karl Löwith en Hans Jonas). In dit nieuwe boek volgt hij het spoor dat Nietzsches aanval op de Verlichting heeft achtergelaten in de twintigste-eeuwse filosofie. Zo besteedt hij aandacht aan de duistere kanten van Duitse denkers als Jung en Gadamer, en de invloed die het anti democratische denken uit het inter bellum heeft in het hedendaagse Duitsland, maar hij richt zijn pijlen toch voornamelijk op de manier waarop Franse structuralisten, deconstructivisten en postmodernisten met de explosieve erfenis van Nietzsche zijn omgesprongen.

Wolin verbaast zich erover dat Fran se filosofen als Blanchot, Bataille, Lévi-Strauss, Foucault, Derrida en Baudrillard een uitgesproken links imago hadden, althans vooral in de mode waren bij mensen die zich als links beschouwden, terwijl hun politieke denkbeelden grote overeenkomsten vertonen met die van representanten van de zogenaamde Contra-Verlichting uit de jaren rond de Franse Revolutie. In hun aanval op de Verlichting, de rede, de burgerlijke maatschappij, de massa, tolerantie, enzovoort, lijken die Franse radicale intellectuelen volgens Wolin heel sterk op iemand als Joseph de Maistre. «Raison, c’est la torture» – deze kreet komt niet uit de geschriften waarin Maistre de hoogmoed van de Verlichting en de terreur van de Franse Revolutie aanklaagt, maar is afkomstig van Foucault.

Het was dan ook niet verwonderlijk dat intellectuelen uit deze traditie in de jaren dertig met het fascisme flirtten, terwijl ze na de Tweede Wereldoorlog de aanval openden op alles wat er in het Westen niet deugde. Zo liepen deze denkers, evenals de meerderheid van «links», kritiekloos achter allerlei dubi euze regimes en bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld aan, verheerlijkte Foucault de islamitische revolutie in Iran, en werden de VS ongeveer beschouwd als the Empire of Evil.

In het laatste hoofdstuk gaat Wolin uitgebreid in op het uiterst negatieve Amerika-beeld van de postmodernistische filosofen, en citeert hij de van leedvermaak getuigende reacties op «11 september» van mensen als Baudrillard en Zizek. Hoewel hun werk kan bijdragen aan een kritische analyse van de gebreken van de westerse samenleving, geven deze denkers blijk van een grenzeloze minachting van of zelfs haat tegen die samenleving. De inderdaad allesbehalve volmaakte liberale democratieën voldoen uiteraard niet aan de strenge eisen die een filosoof in een collegezaal of de veilige beslotenheid van zijn studeerkamer kan formuleren, maar ze bieden de burger wel veel meer vrijheid, veiligheid en bestaanszekerheid dan enig ander politiek stelsel.

Hoewel er nooit genoeg kritiek kan worden geuit op modieuze denkers die op abstracte wijze aantonen wat er allemaal niet deugt, maar die politiek volkomen wereldvreemd zijn en dan ook dikwijls volstrekt verkeerde politieke keuzes maken, stelt het boek van Wolin toch enigszins teleur. Interessant is dat hij veel aandacht besteedt aan de misstappen en dubieuze standpunten van de door hem behandelde denkers. Zo is het verhelderend te lezen wat Gadamer tijdens het Derde Rijk te berde heeft gebracht en welke abjecte denkbeelden Blanchot in de jaren dertig ventileerde in allerlei fascistische krantjes. Maar over het algemeen slaagt Wolin er niet echt in om aan te geven wat nu exact de relatie is tussen hun filosofie en die abjecte politieke standpunten.

Het zwakke punt van het boek is dat de indruk wordt gewekt dat alle kritiek op de Verlichting verdacht is, en dat zij met een soort ijzeren logica moet leiden tot fascistoïde denkbeelden. Het door Wolin gebruikte begrip Contra-Verlichting is vooral bekend geworden door het werk van Isaiah Berlin. Wolin noemt hem op bladzijde 2 van zijn boek eenmaal, maar het zou goed zijn geweest als hij Berlins werk wat beter had bestudeerd. Berlin liet immers zien dat kritiek van Contra-Verlichters als Maistre, Herder en Hamann juist de zwakke plekken van de Verlichting kon blootleggen. Hun kritiek op bijvoorbeeld het te ver doorgeschoten rationalisme, de universalistische pretenties en het ontbreken van historisch bewustzijn, was uiterst zinvol.

Het zal dan ook niet verbazen dat John Gray, die een prachtige monografie over Berlin heeft geschreven, in The New Statesman het boek van Wolin met de grond gelijk gemaakt heeft. Terecht wijst hij erop dat de Verlichting wel degelijk heeft bijgedragen aan de opkomst van het politiek messianisme en het totalitarisme. Auschwitz, de Goelag, maar ook 11 september waren bij uitstek moderne verschijnselen, en het verdient dus aanbeveling om goed te kijken naar die aspecten van de Verlichting die dergelijke daden mogelijk hebben gemaakt.

Toch is dit geen reden om alle idealen van de Verlichting maar meteen overboord te zetten en moeten we waakzaam blijven voor lieden die beweren dat we daar geen boodschap meer aan hebben, dat we leven in de slechtst denkbare van alle werelden, en dat onze veelgeroemde vrijheid niet meer wil zeggen dan dat we in het koelvak van de supermarkt kunnen kiezen uit vijftien soorten yoghurt. Dit soort lieden moet in de gaten worden gehouden, of het nu gaat om beroemde Franse denkers of om terrasfilosofen.