Kunst: Jean-François Millet

Heilig land

Het werk van Jean-François Millet spookte constant door het hoofd van Van Gogh, die hem verafgoodde en imiteerde. Het Van Gogh Museum laat zien dat Millet meer navolging kende.

Jean-François Millet, Rustende oogsters (Ruth en Boaz), 1850-1853. Olieverf op doek, 67,3 x 119,7 cm. Legaat van mevrouw Martin Brimmer © Museum of Fine Art, Boston

820 brieven bewaard en in 179 daarvan komt Jean-François Millet (1814-1875) ter sprake. Dat begint al vroeg, lang voordat Van Gogh het idee krijgt zelf kunstenaar te worden. Tijdens zijn werk in de kunsthandel van Goupil zijn Millets werken in prentvorm door zijn handen gegaan, en vervolgens uit hij zijn bewondering waar hij maar kan. Vanuit Londen schrijft hij bijvoorbeeld al in 1874 naar Theo: ‘Uit je brief zag ik dat je hart hebt voor kunst, & dat is een goed ding, kerel. Ik ben blij je van Millet, Jacque, Schreijer, Lambinet, Frans Hals &c. houdt, want, zoo als Mauve zegt “dat is het”. Ja, dat (schilderij) van Millet, L’angelus du soir, “dat is het” – dat is rijk, dat is poesie.’

Van Gogh had Het angelus nooit zelf gezien, maar er waren reproducties in omloop, en het had in die tijd de kranten gehaald omdat het in 1872 voor 38.000 franc aan de Brusselse verzamelaar John Wilson was verkocht – een bijzonder hoog bedrag voor een levende kunstenaar. Als Van Gogh in 1882 de biografie van Millet door Sensier in handen krijgt, schrijft hij aan Theo: ‘Zeg Theo wat was die Millet een kerel! (…) Het interesseert mij zoo dat ik ’s nachts er van wakker wordt en de lamp aansteek en blijf lezen. Want overdag moet ik werken.’

In de ontwikkeling van Van Gogh tot kunstenaar is Millet een permanente stem, bijna een obsessie, en de verbinding is in een tentoonstelling dus gauw gelegd, en toch is dat in dit geval eigenlijk niet meer dan aan de aanleiding. Van Goghs werk is hier zelfs een beetje bijzaak, een voetnoot, bijna, omdat hij zich als kunstenaar immers pas manifesteerde toen Millets invloed zich al decennialang over de kunstwereld had verbreid. Van Gogh was een nakomertje, maar wel een fanatiek nakomertje; boven alles bewonderde hij in Millet diens radicale en diepgevoelde engagement met de verworpenen der aarde.

Was Millet ook een radicaal? Jazeker. De catalogus van de tentoonstelling toont een mooie foto uit 1862, waar de schilder zich baardig en borstelig toont, de buik vooruit, strijdbaar en eigengereid, met klompen aan de voeten, ‘als de leider van een boerenopstand die op het punt staat te worden gefusilleerd’ (aldus kunsthistoricus Alfred Sensier). Millet kwam uit een grote boerenfamilie uit Normandië. Geen armoedig bedrijf, maar als jongen moest Jean-François meewerken op het land en schapen hoeden; zijn oom, een predikant, gaf hem de Bijbel en de grote klassieken te lezen. Op zijn twintigste ging hij naar Cherbourg om schilder te worden, en daarna verhuisde hij naar Parijs, waar hij terechtkwam in de sfeer van de ‘realisten’, een beweging die in de jaren veertig opkwam en tot bloei kwam na de revolutie van 1848. De tijdgeest zocht naar democratische hervormingen, en de ‘realisten’ – Courbet, Daumier – democratiseerden de kunst door onderwerpen te kiezen uit het dagelijks bestaan van de arbeiders- en boerenstand. Vanaf 1842 nam Millet deel aan de Salons. In 1849 vestigde hij zich metterwoon in Barbizon, en legde zich volledig toe op het leven op het land. Daar ontstonden De arenlezers, Het angelus, ‘de schapenscheerster’ en Man met hak, allemaal superieure werken, die allemaal in deze tentoonstelling te zien zijn.

Waarmee maar even is aangegeven dat dit een werkelijk uitzonderlijke expositie is. Het is om te beginnen een genereus overzicht van zijn complete carrière, en daarin zijn zijn meest belangrijke werken allemaal aanwezig. Het is echter vooral een tentoonstelling waarin te zien is hoe dat oeuvre doorwerkte in het werk van anderen, een proces waarvoor soms wat makkelijk de woorden ‘beïnvloeding’ of ‘navolging’ worden gebruikt, wat een soort hiërarchie veronderstelt. De samenstellers zijn daar gelukkig zorgvuldig in; net als bij de grote Japan-tentoonstelling laten ze zien dat je in de interactie tussen kunstenaars eerder moet spreken van (en kijken naar) bewuste keuzes, interpretaties, ontleningen, bewerkingen; als onderdeel van de normale praktijk van het atelier, en niet een telepathische transmissie, of zoiets.

Dat proces voltrekt zich op verschillende manieren. Millets betekenis zit eerst en vooral in de definitie van heel krachtige, bijna gestileerde motieven, figuren uit het boerenbedrijf die in de kunst tot dan toe eigenlijk alleen in geïdealiseerde, romantische vorm voorkwamen maar nu op een sobere, intense en, vooruit, radicale manier worden neergezet. Het valt op dat Millet zijn figuren heel monumentaal construeert. Verschillende auteurs noemen dat ‘michelangelesk’, en dat is het ook: ‘de schapenscheerster’ heeft dezelfde ronde kracht als Michelangelo’s profetessen in de Sixtijnse Kapel. Die relatie heeft Millet nadrukkelijk gezocht: dit zijn mensen van een bovenaardse, absolute waarde.

Zou Van Gogh zonder Millets inspiratie ook kunstenaar zijn geworden?

De tentoonstelling biedt een scala aan na-volgers en navoelers. Er zijn trouwe kopiisten als Van Gogh, die tijdens zijn ziekte in Saint-Rémy Millets prenten naschildert, er zijn nieuwsgierige collega’s als Singer, Sargent en Degas, die kenmerkende figuren van Millet natekenen en hergebruiken, en in een ruimer panorama zijn er tientallen schilders van her en der die zich ook met dat beeldmateriaal en die intensiteit zijn gaan bezighouden, de een wat minder radicaal dan de ander. Die invloed is niet tot Europa beperkt, en evenmin tot de negentiende eeuw: hier hangt ook werk van Winslow Homer, Paula Modersohn-Becker, Edvard Munch, Jan Toorop, Ferdinand Hodler, Salvador Dalí (die geobsedeerd was door de figuren uit Het angelus) en zelfs een ijverig oogstende boer van Kazimir Malevitsj – en die relatie is helemaal zo gek nog niet.

Dat zo’n ingetogen schilderij als De arenlezers op de Salon van 1857 als schandalig en verontrustend werd onthaald is begrijpelijk. Dit is een afbeelding van onderhorig werk door boerenvrouwen aan de rand van het bestaan. Er is geen vals sentiment, geen schijn van ‘nobele armoede’. Millets vrouwen zijn toonbeelden van uitputting en honger, ze bevinden zich in een vernederende, hulpeloze positie, net als de uitgemergelde landarbeider in Man met hak, die in een staat van rauwe wanhoop verkeert. Daarin zijn ze verontrustend. Frankrijk was mid-negentiende eeuw nog voor het overgrote deel een agrarische samenleving, en de massa doodarme dagloners op het land was veel en veel groter dan het industrieel proletariaat in de steden. Die groep werd grondig uitgebuit – het arenlezen, wat sinds mensenheugenis een vorm van liefdadigheid was, werd in 1850 commercieel uitgebuit – en dus herkende de bourgeoisie in Millets werk niet meer de idylle ‘des gerusten landmans’, die ‘zijn zalig lot/ voor geen koningskroon zou geven’, maar de paukenroffel van een ontwakende reus. Zo is ook Millets meest toonaangevende werk, De zaaier: allesbehalve onschuldig. Het is een arme boer, zeker, maar in Millets versie is hij uit proportie, groter dan je in eerste instantie denkt; een pezige reus met enorme schouders, schrijdend over de akker met een formidabele pas. Ook dit is een titaan, een Saturnus, een figuur zoals Michelangelo hem had kunnen schilderen. Voor een bedeesde stadsjonker, die de revolutie van 1848 nog in het achterhoofd had, is dit geen nobele plattelander, maar het gezicht van ‘de moderne Demos’, de dreiging van het grauw.

De kritiek was over het algemeen gunstig. Men noteerde de ‘schoonheid, poëzie en gratie’ van de figuur, een ‘energieke studie, vol beweging’, maar de vreemde kracht van de zaaier bleek lastig te benoemen. Théophile Thoré-Bürger zei het goed (in 1861): ‘Millet heeft niet de brille van Courbet, als colorist, maar hij is in zijn soberheid even precies. Hij lijkt zich geen zorgen te maken over een correcte uitvoering, maar hij bereikt niettemin een solide vorm, die iets van een standbeeld heeft; zijn figuren zijn genereus en op een bepaalde manier “voluit” gemodelleerd. Wat Millet bezighoudt is het essentiële karakter van de figuur die hij probeert te scheppen. In het maken van deze zaaier, bijvoorbeeld, heeft hij de ambitie dat het “De Zaaier” in algemene zin zou moeten zijn, het essentiële type, zoals in de Bijbel of bij Homerus. Bij de gratie van die pure eenvoud krijgt die zaaier grandeur.’

Millets werk spookte door Van Goghs hoofd, altijd, eigenlijk – hij refereert aan hem als ‘Vader Millet’. In 1875, het jaar van Millets overlijden, zag hij in Parijs een veiling van Millets tekeningen: ‘Toen ik in de zaal van ’t hôtel Drouot kwam waar zij geëxposeerd waren voelde ik zoo iets van: Neem Uw schoenen van uwe voeten, want de plek waar gij staat is heilig land.’ Je denkt wel eens: zou Van Gogh zonder Millets inspiratie ook kunstenaar zijn geworden? Vast wel, doch het blijft ontroerend – soms zelfs beklemmend – hoezeer hij zich aan diens werk en diens ‘boodschap’ heeft vastgeklampt. In 1880 meldt hij aan Theo: ‘Wat De zaaier betreft, die heb ik nu al vijf keer getekend, twee keer in ’t klein, drie keer in het groot, en toch begin ik er elke keer opnieuw aan, zo zeer houdt die figuur me bezig.’

In die zaaier komt voor Van Gogh – de drammer, de dweper – immers het hele complex van religieuze passie en sociale bewogenheid bijeen. Het moet haast wel dat hij die arbeid in de omgeving van zijn jeugd, op het Brabantse platteland, ook gezien heeft, en misschien toen al door de spirituele kant ervan geraakt werd – want was zijn vader, de dominee, niet ook een ‘zaaier’?

Zaaien is bij uitstek een daad van geloof en vertrouwen: je gooit graan, dat je ook zou kunnen eten, uit de hand over een akker, ten prooi aan de wind en de ratten en de kraaien. Je begint aan iets zonder te weten of de beloning zal volgen. Op het Franse platteland maakte een zaaier daarom altijd, voor hij begon, met een handje graan een kruis, op de aarde.


Jean-François Millet: Zaaier van de moderne kunst is t/m 12 januari te zien in het Van Gogh Museum in Amsterdam, vangoghmuseum.nl