Marie Kessels, Het lichtatelier

 Heilige dienst

Misschien moet de nieuwe roman van Marie Kessels, Het lichtatelier, niet als proza worden benaderd maar als poëzie. Tegelijkertijd vraag ik me af wat ik daarmee eigenlijk zeg. Ik ben bang dat ik bedoel dat ik ofwel niet goed raad weet met dit schrijven, me van sommige hoofdstukken bijvoorbeeld afvraag of ze in een staat van onnavolgbare verlichting geschreven zijn, of mezelf wil ontslaan van de verplichting iets samenhangends op te merken. Sommige boeken, sommige schrijvers in het algemeen, roepen boven alles een ontstellende vermoeidheid op. Het grootste deel van Het lichtatelier heb ik met weerzin gelezen.

Marie Kessels, Het lichtatelier, € 18,90

Medium vdi9789023469988

Ik vind alleen principieel dat een criticus zich niet door zoiets banaals als vermoeidheid en weerzin moet laten afschrikken. Ik ken eerder werk van Kessels, en een van de dingen die ik waardeer in haar proza is haar durf niet onmiddellijk verstaanbaar te willen zijn. Ooit zag ik voor mijn ogen Herman Franke als een blok vallen voor de idiosyncratische gedichten van Astrid Lampe, door haar zelf ten gehore gebracht. Terwijl zij nog bezig was met haar voordracht fluisterde hij tegen mij: ‘Je hoort dat zij niets laat binnen komen buiten zichzelf. Dit is helemaal eigen.’

Iets dergelijk absoluuts geldt ook voor het schrijverschap van Marie Kessels. Geen praatjes voor de vaak, geen interviews, een schrijver die zich alleen laat kennen via het werk, dat zich dan ook nog eens niet onmiddellijk laat duiden. Maar met Het lichtatelier speelt ze wel héél erg hard to get. En dat van dat spelen is natuurlijk al niet een goeie associatie: zolang moeilijkheid lijkt voort te komen uit een oprecht zoeken en een authentiek gemoed is er niks aan de hand. Kom maar op. Maar als een schrijver een spel lijkt te spelen, het zichzelf in feite te makkelijk maakt door de associaties en kronkels maar zo’n beetje de vrije loop te laten, begint het erop te lijken dat hij aan het schmieren is, achterover leunend tegen zijn literaire prijzenkast.

Het lichtatelier is een boek van rouw, een logboek van een onbarmhartige tijd. Ilse schept in haar landelijke huisje papier uit bladeren, vodden en oud papier; een precies en langzaam werkje dat haar overleden geliefde Edgar naderbij moet brengen. Het is alsof ze met deze hekserige handelingen een dienst aan hem opdraagt. Tot ongeveer de helft van de roman lijkt het alsof Kessels in alternerende hoofdstukken die scheppende slash rouwende arbeid tot in alle tedious details beschrijft, versus de levende herinneringen oproept aan Edgar. Mocht het je ontgaan dat dat scheppen van papier een symbolische handeling is, met die vezels en die kleuren en die plooien, en heel die omzichtigheid waarmee zo’n vel oprijst uit een bak drek, dan is Kessels niet de beroerdste om je dat duidelijk te maken. Het schepraam onderdompelende in de plastic bak met papierpulp geeft ze in feite een ruk aan ‘het wiel van leven en dood’; even maakt ze de boel minder vergankelijk. ‘Op de plaats waar we elkaar jarenlang gelukkig en soms ook ongelukkig hebben gemaakt, tussen zuchtende beukenbomen en autosnelwegen, onder een klein oud eikje naast een vossenhol, ben ik daarom massa’s brandnetels gaan verzamelen om er papier van te maken, als eerbetoon aan hem, als gedenk­teken, als relikwie, als graf.’

In het begin laat dit proces zich nog wel gefascineerd volgen, maar na een bladzijde of vijftig is de symboliek uitgewerkt en worden de vezeltjes, de brandnetelblaadjes en de meer en minder vlezige grasstengels voornamelijk een aanslag op het geduld. Wat ook niet meehelpt is dat de contouren van de overleden geliefde zeer langzaam zichtbaar worden en dan nog blijven de lijnen vaag, en maken ze een gewild mallotige indruk. Edgar had epilepsie, woonde samen met een kenau van een zus, en werkte in het Paleis van Justitie. Tot zo ver de feiten. Waarschijnlijk was er sprake van een verboden relatie, in ieder geval was hij zo geheim dat het bericht van Edgars dood pas tot Ilse kwam toen ze haar schoenen aan het poetsen was op een krant en daarin plotseling de rouwadvertentie zag staan. Niet alles hoeft volgens de lijnen der voorstelbaarheid te verlopen, maar dit maakt het meegaan in de rouwarbeid van Ilse bij voorbaat een moeilijke opgave.

Rest de vluchtheuvel van de poëzie. Er staan passages in het boek waarover je lang kunt nadenken, als over een gedicht. Over angst die ’s nachts met ‘zijn schudbewegingen’ komt, en onze energiereserves aan het trillen brengt. Over hoe vluchtig en zinloos de tijd kan worden, ‘alsof we door een monsterachtige fantasie van anderen of van onszelf’ zijn opgeslokt. Over dat je het beste iets nieuws kunt leren door gedachteloos en ordeloos in boekjes te neuzen. Dat je alleen in dat aftastende stadium – een beetje knoeien, een beetje hannesen – nog kunt rekenen op magie, en de droom van het moeiteloos gelukte kunt koesteren. De magie heeft Kessels voor het een-na-laatste hoofdstuk bewaard. Vanaf het moment dat ze zelf het tekortkomende van haar papier­scheppende arbeid gaat zien, gebeurt er iets in haar schrijven. Alsof dan pas echt de rouw zijn intrede doet, en de vezeltjes en brandnetel­blaadjes gelaten worden voor wat ze zijn. Op enkele bladzijden, om precies te zijn bladzijde 155-158, beschrijft Kessels de horror vacui van de mens die verlies dacht te kunnen bezweren, maar op een dag die pose van hoogmoed los zal moeten laten. Sterke, indringende stukjes tekst, die zich waarschijnlijk alleen maar op waarde laten schatten als je de rest van de dienst ook uitzit.

Marie Kessels

Het lichtatelier

De Bezige Bij,

176 blz., € 18,90

Tessa Posthuma de Boer