Hoofdcommentaar: Marktwerking

Heilige markt, schijnheilige discipelen

«Tegenstanders van marktwerking die de voorstanders verwijten geen oog te hebben voor de belangen van de consument, maken zich schuldig aan een ideologische vervuiling van de discussie», brieste J. Schraven, voorzitter van ondernemersvereniging vno-ncw, eind maart. Afgelopen week werd hij flink om de oren geslagen met zijn eigen heilige markt. Een onderzoek van het tijdschrift Management Team onder vierhonderd zakenlui leverde een toptien op van «slechtste bedrijven», aangevoerd door de NS, KPN en kabelgigant UPC. Niet geheel toevallig alledrie telgen van de liberalisering en privatisering van het Nederlandse marktlandschap.

Sinds begin jaren tachtig wordt Nederland geteisterd door een ongekende privatiseringsgolf. Het begon met het verzelfstandigen van het loodswezen en de kadasters. Inmiddels zijn de sociale zekerheid, het openbaar vervoer, de telefonie, de posterijen, de energiesector en de kabel ten prooi gevallen aan de markt. In het publieke belang zijn de voorvechters van «meer markt, minder overheid» niet geïnteres seerd, al roepen ze dat marktwerking goed is voor de consument.

De heilige markt blijkt echter niet te werken volgens de dogma’s van haar discipelen. Het uitgangspunt lijkt simpel: de overheid is een log, bureaucratisch geheel dat niet in staat is goede service te verlenen. Zoals iedereen weet valt daar geen speld tussen te krijgen. Maar dan het volgende axioma, dat volgens de believers rechtstreeks zou moeten volgen uit het eerste: als de overheid haar diensten afstoot, wordt de klant daar altijd beter van. Want dan zijn energiebedrijven, kabelboeren en telefoonbaronnen hun beschermheer kwijt en móet er wel geluisterd worden naar de eisen van de klant. De heilige markt slaat toe. Ergo: product en service verbeteren, de prijs daalt.

De heilige markt zou inderdaad een zegen zijn als ze zou bestaan uit een oneindige reeks aanbieders van precies hetzelfde product dat, los van tijd en plaats, door oneindig veel consumenten wordt begeerd. Dat is natuurlijk niet het geval. In het verleden zijn overheidsbedrijven op de markt gekwakt zonder dat er ook maar een zweem van concurrentie bestond. Het loodswezen is een schrikwekkend voorbeeld van wat er dan gebeurt: de bedrijven worden monopolist, schroeven hun prijzen op en lachen de klant uit. Dus wordt privatisering tegenwoordig voorafgegaan door liberalisering: het opengooien van de markt voor meer aanbieders zodat concurrentie kan ontstaan. Pas daarna volgt de verkoop van het overheidsbedrijf.

Ook daar zijn echter blunders begaan. Op bijna alle marktgebieden waar nutsbedrijven werkzaam waren, bestaan «natuurlijke monopolies». Wie de spoorlijnen in handen heeft, kan de concurrentie het leven flink zuur maken. Hetzelfde geldt voor de vaste telefonie, de kabel en de energiesector (stroomnetten, gas- en waterleidingen). Gas- en elektriciteitsbedrijven zijn verkocht met het lokale net erbij, de KPN is nog steeds monopolist op het gebied van de telefoonkabels en UPC en France Telecom bezitten de kabelnetwerken waarover zij hun diensten aanbieden. Het is alsof je taxichauffeurs eigenaar maakt van de snelweg. Er is niet eens overwogen om netwerken in concessie te geven zodat bij wangedrag de vergunning voor het gebruik ervan kan worden ingetrokken.

Streng overheidstoezicht dan maar. Opta-achtige instanties moeten controleren of de marktpartijen zich aan de overheidsregels houden. Wat dat betreft doen de treinongelukken in Groot-Brit tannië het ergste vrezen. Evenals het recent hier te lande ontdekte kartel van grote olie maat schappijen: met prijsafspraken is de wet overtreden, maar om een of andere reden blijkt het onmogelijk om vervolging in te stellen.

Al vanaf 1994 verschijnen kritische rapporten. Laatst maakte zelfs de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid op nieuw gehakt van het privatiseringsbeleid. Nu pas zijn politici wakker geworden. De NS zijn onlangs weer onder curatele van de overheid gesteld, Pronk heeft geweigerd de verkoop van waterbedrijven toe te staan en Jorrit s ma heeft het centrale stroomnet behoed voor de markt door het op staatskosten te kopen. Maar het publieke belang wordt allang niet meer gediend. Energiebesparing is niet te rijmen met het commerciële belang van een energiebedrijf. Vrije informatievoorziening niet met een kabelmonopolist die naar believen zenders verwijdert. En trouwens: hoe kan de markt het publieke belang dienen als geprivatiseerde bedrijven het leeuw endeel van hun winst uitkeren in de vorm van optieregelingen voor het management en dividend aan de aandeelhouders?