Essay: Religie en conflict

Heilige oorlog

De wereldgodsdiensten preken verdraagzaamheid, maar toch ligt het op veler lippen: religie leidt tot oorlog en ellende. Vooral bij moderne conflicten blijft de rol van God schimmig. Is Hij oorzaak of excuus?

Het in koelen bloede afmaken van burgers en krijgsgevangenen «met het scherp des zwaards» — in oudtestamentische tijden draaide men er de hand niet voor om. Zeker Jozua niet, de opvolger van Mozes. Had hij in later eeuwen geleefd, dan zou deze leider der Israëlieten zonder enige twijfel voor het gerecht zijn gesleept wegens misdaden tegen de menselijkheid. Ook al handelde hij in opdracht van de Allerhoogste.

Als kersverse leider van het uitverkoren volk trok Jozua de Jordaan over, het land van melk en honing binnen. Hij trof er louter doodsbange mensen, die gehoord hadden hoe de Israëlieten dwars door de uiteenwijkende Rode Zee trokken, en dat angstaanjagende wonder herhaald zagen toen Jozua en de zijnen de Jordaan overstaken. Bovendien bereikten hen onheilspellende berichten over een bloedbad dat de Israëlieten hadden aangericht onder de Amorieten. Dat volk werd verdelgd omdat zijn koningen de Israëlieten geen vrije doortocht hadden verleend.

Het boek Jozua leest als het verslag van een moorddadige militaire campagne. Jozua trekt als een dolle stier door het beloofde land om het te ontdoen, zo lijkt het, van de oorspronkelijke bewoners zodat het volk van Israël er onbekommerd kan leven. Met de verovering van Jericho begint wat misschien de eerste etnische schoonmaak in de wereldgeschiedenis is. Alle inwoners worden gedood, en de stad wordt in de as gelegd. Vervolgens verovert Jozua de stad Ai, die hij onderwerpt aan hetzelfde ritueel, zij het dat hij het nog iets verfijnt. Ditmaal wordt de overwonnen koning levend gespiest. Tegen zonsondergang wordt zijn lijk van de paal genomen en neergekwakt bij de smeulende stadspoort. En zo gaat het door totdat Jozua het land Kanaäns stevig in zijn greep heeft.

De verhalen uit het oude testament vormen de basis van het geloof van joden, christenen en moslims. «Hoevele geslachten hebben Wij niet verdelgd na Noach!» staat in het zeventiende hoofdstuk van de koran. Tweederde van de wereldbevolking groeit aldus op met oudtestamentische bloedbaden. «Het was niet mijn idee», zou Jozua waarschijnlijk zeggen wanneer hij voor een oorlogstribunaal was gedaagd. «Het was de Heere!» Volgens de heilige schrift verscheen bij Jericho God zelf op het slagveld, in de gedaante van een man met getrokken zwaard in de hand, om uit te leggen hoe de stad te veroveren.

Jahweh-God-Allah als krijger, en zijn sterfelijke dienaar als verdelger. Het is de nachtmerrie van elke godvrezende pacifist die meent dat zijn geloof juist liefde en tolerantie predikt. Die duivelse dubbelzinnigheid, de spanning tussen oorlog en vrede, tussen bloedvergieten en onbedaarlijk altruïsme, is eigen aan alle grote religies. Niet alleen aan het veel verguisde christendom, en de heden ten dage zwaar onder vuur liggende islam. Oók aan onverdachte religies als het hindoeïsme en het boeddhisme.

Er zijn grofweg drie manieren waarop religie zich verhoudt tot krijgsgeweld. Er is de totale afwijzing (pacifisme), er is de notie van de «rechtvaardige oorlog» en die van de «heilige oorlog». Bij de rechtvaardige oorlog wordt het toegepaste geweld in theorie afgestemd op het uiteindelijke doel. Doorgaans wordt gevochten voor gerechtigheid, om de wereld «een beetje beter» te maken. Althans, in de ogen van de agressor. De doctrine van de «humanistische interventie», zoals door de Navo toegepast in Kosovo en door de VN in Timor, is in feite een rechtvaardige oorlog. «Heilige oorlogen» daarentegen worden opgelegd door God. Ze eindigen doorgaans in enorme, onheilige bloedbaden.

Hindoeïsme en boeddhisme staan bekend om hun geweldloosheid, of ahimsa. Er is binnen het hindoeïsme echter ook een andere traditie. De heilige schrift, de baghavad gita, bevat het verhaal van Arjuna die leert dat hij moet vechten als lid van de krijgerskaste. Arjuna twijfelt echter. In de slag die op het punt staat los te barsten, vechten enkele familieleden mee met de tegenpartij. Als hij zich in het gevecht mengt, zal hij hen wellicht moeten doden. De goddelijke Vishnu, die zich voor de gelegenheid heeft vermomd als mens, haalt hem over mee te vechten. «Ook zonder jou zullen de soldaten die gereedstaan voor de slag niet in leven blijven. Hun dood is voorbestemd.»

Ondanks de ahimsa blijken hindoes uitstekende krijgers. In Kashmir komt het nog regelmatig tot botsingen tussen (overwegend) hindoeïstische veiligheidstroepen en islamitische rebellen. En op Sri Lanka is het verhaal van Arjuna waarschijnlijk populair bij de hindoeïstische Tamil Tijgers die al dertig jaar vechten voor zelfbeschikking. Zij hebben het hoogste aantal zelfmoordaanslagen ter wereld op hun naam staan. Tussen juli 1987 en februari 2000 pleegden ze er 168. Duizenden onschuldige burgers werden het slachtoffer. Ter vergelijking: Israël kende vanaf 1993 iets meer dan 40 aanslagen, met ongeveer 250 doden ten gevolg.

Hun pacifistische geloof weerhoudt Tamils er niet van om het extreemste geweld te gebruiken dat denkbaar is. Het tragische is dat dat geweld grotendeels is gericht tegen de Singalezen, aanhangers van dat andere pacifistische geloof, het boeddhisme. Het boeddhisme kent eveneens ahimsa als hoogste gebod. Van alle grote geloven heeft het het minst gewelddadige imago. «Het is beter zelf gedood te worden dan te doden», zeggen boeddhis ten. Boeddhistische monniken protesteerden tegen de oorlog in Vietnam door zich in brand te steken — een daad die op velen echter als uiterst gewelddadig overkomt. Bovendien wordt het losbarsten van de Sri Lankaanse burgeroorlog over het algemeen de boeddhisten verweten, die het hindoeïsme van de Tamils en hun ontluikende politieke besef met geweld in de kiem trachtten te smoren.

Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog toonden sommige boeddhisten niet bepaald de eerbied voor al het leven dat de Boeddha preekt. In Japan collaboreerden de leiders van de zenboeddhisten openlijk met de fascisten, die uit waren op een Aziatische veroveringsoorlog. Zenmeester Harada Sogaku onderwees zijn leerlingen in 1939 als volgt: «Als je het commando krijgt om te marcheren: stamp, stamp. Krijg je de order om te schieten: pang, pang. Zo openbaart zich de hoogste wijsheid van de Verlichting. De eenheid van zen en oorlog waarover ik spreek, reikt tot de verste verten van de heilige oorlog die nu aan de gang is.» Nadat Japan was verslagen, begonnen de onverstoorbare zenmeesters weer geweldloosheid en innerlijk evenwicht te prediken. Pas in 1997 werd hun collaboratie in brede kring bekend, door de publicatie van Zen at War van de Nieuw-Zeelandse zenpriester en taalwetenschapper Brian Victoria.

Minder verborgen dan het hindoeïsme en het boeddhisme paren jodendom, christendom en islam geweldloosheid aan gewelddadige trekjes. Joden en christenen kennen de milchemet mitzvah, de «opgedragen oorlog»; een heilige oorlog in regelrechte opdracht van God, uit de torah en het oude testament, een vernietigingsoorlog pur sang. Alle levende wezens toebehorend aan de vijand — mannen, vrouwen, kinderen, vee — dienen te worden gedood; alle materiële bezittingen verbrand. Behalve voorwerpen vervaardigd uit goud, zilver, koper of ijzer. Die worden gevoegd bij de schat van de Heer.

Sinds juni wordt in naam van de radicale rabbijn Meir Kahane op internet opgeroepen tot een nieuwe heilige oorlog, waarbij de huidige schermutselingen tussen Israëlische en Palestijnse veiligheidstroepen verbleken. Kahane en zijn Kach-partij menen dat de joden als het uitverkoren volk in hun eentje behoren te leven in Eretz Yisrael, het beloofde land. De Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook dienen gedeporteerd te worden naar «hun eigen gebieden», ergens over de Jordaanse en Egyptische grenzen. «Jozua’s veroveringsoorlog was een verplichting. Een oorlog ten einde de verplichting na te komen om te leven in Eretz Yisrael en het gebied te veroveren, is een milchemet mitzvah die door geen enkel levensgevaar opzij geschoven kan worden», staat in de online-verklaring. Wat de Kach-partij betreft, is er maar één oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict: de etnische zuivering afmaken die Jozua zo voortvarend in gang had gezet.

Het is slechts een minderheid van de joden die oproept tot een heilige oorlog in het beloofde land. Het plaatst menige Israëli voor het dilemma van de grote godsdiensten: in wie geloof ik, in de rechtvaardige God die mij beschermt en geweld met geweld vergeldt? Of in de barmhartige God die liefde is, geweld verafschuwt en mij zal belonen in het hiernamaals, nadat ik me heb laten afslachten?

Als er één godsdienst is die dat dilemma oproept, is het wel het christendom. Voor wie wil leven naar het devies van Jezus zoals opgetekend door Mattheüs, «allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen», kunnen de oudtestamentische Mozes, Jozua en David geen voorbeelden zijn. Eigenlijk volstaat daartoe slechts Jesaja, die de Israëlieten maande hun «zwaarden om te smeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen». De eerste christenen in het Romeinse Rijk, voornamelijk slaven en andere paupers, zwoeren bij geweldloosheid, en keerden steevast hun andere wang toe als ze weer eens werden vervolgd. Die lijdzaamheid bleek een krachtig wapen. Het duurde even, maar uiteindelijk (in het jaar 313) verklaarde keizer Constantijn het christendom tot staatsgodsdienst.

Vanaf die tijd ging het snel bergafwaarts met het christelijke pacifisme. Er werden «rechtvaardige oorlogen» gevoerd tegen de barbaren, om de grenzen van het afbrokkelende Romeinse rijk te beschermen en hen aan te zetten tot bekering. De uiterst wrede heilige oorlogen, tegen ketters en moslims, ingegeven door des Heeren wraakzucht, kwamen vooral in zwang toen er geen rijk meer te verdedigen was. Toen de kruisridders in 1099 Jeruzalem op de moslims veroverden, herleefden de dagen van Jericho’s verwoesting. De complete bevolking werd uitgemoord en het bloed stond de paarden tot de enkels. Tijdens de twee kruistochten die de paus tegen de Albigenzen in Zuid-Frankrijk uitriep, werden vele duizenden verbrand. Kruisridders namen willens en wetens het risico onschuldigen te vermoorden. «Hoe kunnen wij onderscheiden wie de ketters zijn?» vroeg een van hen aan de pauselijke gezant. Het antwoord is legendarisch: «Maak ze allemaal af, God zal de zijnen wel kennen.»

Heksenvervolging, reformatie en contrareformatie gaven de heilige oorlog een enorme opsteker. Brandstapels rookten non-stop, en roomse en protestantse legers moordden elkaar en bijna de gehele bevolking van de Duitse gebieden uit. Ook de strijd tegen de indianen van Noord- en Zuid-Amerika en tegen de bewoners van Afrika en Azië werd gevochten in naam van de Heer. Vooral de godvrezende Spanjaarden en Portugezen hielden huis. Hele stammen werden uitgeroeid als ze niet begrepen wat «bekering» was, of als ze weigerden. Ook de ijverig koloniserende Nederlanders lieten zich niet onbetuigd. Jan Pieterszoon Coen, de bedwinger van de Archipel, liet duizenden Molukkers in koelen bloede vermoorden. «Ontziet uw vijanden niet, want God is met ons», luidde zijn devies. Door de Nederlandse bevolking werd hij tot lang na zijn dood op handen gedragen.

Ook tegenwoordig wordt de christelijke God aangeroepen door belligerenten. Orthodox-christelijke Serven dreigden van Sarajevo een nieuw Jericho te maken. Slechts een «rechtvaardige oorlog» door de Navo kon dat voorkomen. Op de Molukken is de strijd tussen christenen en de moslims van de Laskar Jihad weer opgelaaid, in Noord-Ierland kan het geweld tussen katholieken en protestanten elk moment weer losbarsten, en in Soedan woedt al sinds 1983 een heilige oorlog tussen moslims en christenen. Meer dan twee miljoen Soedanezen kwamen reeds om.

Volgens moslims wordt het islamitische begrip «jihad» vaak verkeerd begrepen. Menigeen denkt daarbij aan bebaarde woestelingen die grijnslachend hun kalasjnikovs leegschieten op piepjonge Russische soldaten in Afghanistan en Tsjetsjenië. Of aan passagiersvliegtuigen die ontploffen in skylines.

Jihad, volgens sommige theoretici wel de zesde zuil van de islam genoemd, hoeft echter niet gewelddadig te zijn. De meeste moslims vatten jihad op als «je best doen voor God». Het betreft een persoonlijke, innerlijke strijd om een beter moslim te worden. Naast deze «grote jihad» is er een «kleine jihad». Dat is de daadwerkelijke heilige oorlog die menigeen zo’n schrik bezorgt. Op gezag van Allah moet het geweld echter beperkt blijven. Een jihad mag alleen worden gevoerd uit defensieve overwegingen. «Plunder niet, breek je belofte niet, vermink niet en doodt geen kinderen», leert de koran. Niet-uitgelokte aanvallen op christenen en joden — in de koran «de mensen van het Boek» genoemd — zijn verboden. Volgens de overlevering was Mohammeds militaire code zeer verfijnd vergeleken bij die van de Arabische en joodse stammen. Vrouwen, kinderen en werklieden liet hij tijdens zijn veldtochten ongemoeid.

Volgens Samuel Huntington, auteur van de veel aangehaalde studie The Clash of Civilizations and the Remaking of W orld Order verkeert de wereld in het tijdperk der moslimoorlogen. «Moslims bevechten elkaar en niet-moslims veel vaker dan mensen van andere beschavingen. Moslimoorlogen zijn in de plaats gekomen van de Koude Oorlog als belangrijkste vorm van internationaal conflict. Bij deze oorlogen horen terrorisme, guerrillaoorlogen, burgeroorlogen en interstatelijke conflicten», schrijft hij deze maand in Newsweek.

Dat tijdperk begon volgens Huntington in 1980, toen het soennitische Irak het sjiitische Iran binnenviel. Tijdens de jaren tachtig nam de intensiteit van de Koude Oorlog af, waardoor meer ruimte ontstond voor kleinere conflicten. De inval in 1979 van de Russen in Afghanistan en het toesnellen van duizenden moedjahidien uit de hele islamitische wereld om de moslim broeders bij te staan in hun jihad, en het telkens weer escaleren van het Israëlisch-Palestijnse conflict, waren olie op het vuur van het islamitische fanatisme. Moslims waren verantwoordelijk voor elf, mogelijk twaalf van de zestien grote internationale terreurdaden tussen 1983 en 2000. Vijf van de zeven staten die volgens de VS terrorisme ondersteunen, zijn moslimstaten, evenals het merendeel van de organisaties die zich met terrorisme of ondersteuning daarvan zouden inlaten. In de jaren negentig vochten moslims in Algerije, Bosnië, Kosovo, Tadzjikistan, Azerbeidzjan, Tsjetsjenië, Dagestan, Kasjmir, India, Indonesië, de Filippijnen, Koeweit, Irak, Palestina, Soedan en Nigeria. In 2000 waren er wereldwijd 32 gewapende conflicten, waarvan meer dan tweederde betrekking had op moslims. En dat terwijl moslims slechts een vijfde van de wereldbevolking uitmaken.

«De nieuwe oorlog», schrijft Huntington over Amerika’s strijd tegen het terrorisme, «is dus niet zo nieuw. Het is een continuering en escalatie van voorgaande patronen van geweld waarbij moslims zijn betrokken.» Sociaal-economische, politieke en culturele oorzaken liggen volgens hem aan de moslimoorlogen ten grondslag. Huntington gelooft niet dat de aard van het islamitische geloof daarbij een rol speelt. «Net als bij het christendom kunnen aanhangers [het geloof] gebruiken om naar eigen believen vrede dan wel oorlog te rechtvaardigen.»

Dat gebeurt dan ook. Terroristische groeperingen als Hamas, Islamitische Jihad, Hezbollah en al-Qaeda plegen zelfmoord aanslagen, maar noemen dat «martelaarschap-operaties». Zelfmoord werd door Allah strikt verboden. Van hun aanslagen zijn doorgaans joden en christenen het slachtoffer; de «mensen van het Boek» die niet aangevallen mogen worden tenzij ze zelf in de aanval gaan. Moslimterrorisme is volgens vele moslims dan ook een contradictio in terminis: een moslim die non-combattanten doodt, zeker als daar vrouwen en kinderen bij zijn, pleegt een ongehoorde zonde.

Het is echter een koud kunstje om God voor het eigen karretje te spannen. Volgens Bin Laden voeren de VS een kruistocht tegen de moslimwereld en dus mag er een jihad worden gevoerd om de islam te beschermen. Zijn fanatisme blijkt wel uit het feit dat hij de burgerslachtoffers van 11 september «vijanden» noemt op de onlangs vrijgegeven video-opname die in Jalalabad werd gevonden.

Bin Laden heeft zijn best gedaan om Huntingtons theorie (gewelddadige conflicten doen zich voor aan de periferie van botsende beschavingen) in praktijk te brengen. Waarschijnlijk in een (mislukte) poging de steun te krijgen van «de islamitische straat» stelde hij dat niet al-Qaeda en zijn leider werden aangevallen, maar de islam zélf. In zijn videoboodschap van 7 oktober zei hij: «Deze gebeurtenissen hebben de wereld verdeeld in twee kampen: het kamp van de gelovigen en dat van de ongelovigen. Dus elke moslim moet zijn religie steunen.» En bijna een maand later: «Het is een kwestie van geloof, niet een oorlog tegen terrorisme, zoals Bush en Blair het trachten voor te stellen.»

Volgens Huntington zullen de moslimoorlogen eindigen als de «islamitische herrijzenis» die momenteel aan de gang is, overwaait. In Iran ontwaart hij al tekenen van een afnemend fanatisme. Met wat sociaal-economisch knutselwerk, het doen dalen van het geboortecijfer (van jonge mannen, de voornaamste geweldplegers, kun je er beter zo weinig mogelijk hebben), en het verwijderen van de dictatoriale regimes in de moslimwereld, zal het wel goed komen met het islamitisch geïnspireerde geweld, meent hij. De man is onverbeterlijk optimistisch.

Neem de oorlog in Bosnië. Die vormt een klassiek voorbeeld van de complexe rol die religie speelt in oorlogvoering. Katholieke Kroaten, orthodox-christelijke Serven en islamitische Bosnjakken raakten met elkaar slaags. De inzet van de strijd was zeker niet de religie, en heilig was de extreem vuile etnische oorlog al helemaal niet. De Serven trokken ten strijde uit angst in een onafhankelijk Bosnië vogelvrij te worden; de Kroaten van Herzegovina wilden zich losscheuren om aansluiting te zoeken bij Kroatië; en de Bosnjakken probeerden gewapenderhand hun jonge, multi-etnische republiek te behouden.

Toch was God in zijn drie gedaanten alom aanwezig. Wie een dorp op de tegenstander veroverde, blies ogenblikkelijk de kerk of moskee op. Religie valt in Bosnië nu eenmaal grotendeels samen met etniciteit. Dat de strijd zo hevig wreed was, had veel te maken met de propaganda die vooral Serven en Kroaten al maanden eerder via hun tv-zenders begonnen te verspreiden. Daarin speelde religie een grote rol. Katholieke priesters gingen voor in een Kroatische Ustasja-revival en de orthodoxe patriarch zegende live de wapens van de Servische milities. God als lont in een etnisch kruitvat.

De Bosnische moslims kregen veel steun van Turkije en Iran, en er vocht een contingent moedjahidien mee, afkomstig uit een waaier aan islamitische landen. Via internet is een video verkrijgbaar, In the Heart of Green Birds, gewijd aan de moedjahidien-eenheid en haar martelaren. De eenheid had een eigen cameraman die om propagandistische reden alle acties vastlegde. Met de banden worden nieuwe shahids geworven, vrijwilligers die bereid zijn hun leven in een jihad te geven. Het grootste deel van de eenheid, inclusief de cameraman, kwam om. Meer dan tweehonderd burgers werden door de buitenlandse moedjahidien afgeslacht, en krijgsgevangenen werden ogenblikkelijk geëxecuteerd. Drie Bosnische generaals die voor de eenheid verantwoordelijk waren, moeten binnenkort terechtstaan voor het Joegoslavië Tribunaal van de VN in Den Haag.

Reeds in de vroegste tijden voerde de mens oorlog, schrijft de Britse krijgshistoricus Arther Ferril in The Origins of War. Hij baseert zich op prehistorische rotstekeningen waarop zoiets als een slagorde van schaars geklede mannetjes is te onderscheiden. Zou het zo zijn dat oorlogvoeren voor de mens net zo’n oerdrift is als het aanbidden van een Hogere Macht en de neiging «goed» te doen? Het zou de ambivalentie die in de grote godsdiensten wordt aangetroffen — de spanning tussen oorlog en vrede — verklaren.

De Britse historica Joanne Bourke beschrijft in An Intimate History of Killing hoe zelfs de terughoudendste artillerieofficier enorme euforie en gelukzaligheid voelde als bij een voltreffer vijandelijke ledematen door de lucht vlogen. En dan deed hij niet eens mee aan de bajonetaanval na het bombardement, een must voor elke infanterist. Volgens de gerenommeerde Israëlische militairhistoricus Martin van Creveld schiet elk rationeel verklaringsmechanisme te kort. «Terwijl het nut van oorlog als een middel om een praktisch doel te bereiken discutabel is», schrijft hij in The Transformation of War, «wordt nooit getwijfeld aan het vermogen van oorlog om te vermaken, te inspireren en te fascineren.» Religie is zowel katalysator als excuus bij het aanrichten van bloedbaden. «Een van de zeer belangrijke manieren waarop mannen vreugde, vrijheid, geluk, zelfs delirium en extase kunnen vergaren, is door niet thuis te blijven bij vrouw en gezin; vaak genoeg gaat dat zo ver dat ze maar al te graag opgeven wat hen het liefste is, ten gunste van — oorlog!»

En dus blijft de mensheid tot in lengte van dagen opgescheept met krijgsgeweld. God of geen God.