TONEEL

Heimkehrer

Hotel Savoy

Eindelijk Hotel Savoy gezien, de voorstelling (naar het gelijknamige boek van Joseph Roth) die Johan Simons afgelopen najaar maakte bij de Münchner Kammerspiele, waar hij nu artistiek directeur is (zie ook De Groene van vorige week). Hotel Savoy was even te gast in Amsterdam. Zoiets zou je een week in je stad willen hebben. Zodat je er vrienden en vriendinnen die van toneel houden naartoe kunt sturen. Maar ik zeur niet, het was een topavond. De productie stond prachtig in de nieuwe door een bank gesponsorde schouwburgzaal waar ze voor geen opstelling meer terugdeinzen: toneel op het toneel, twee tribunes met publiek tegenover elkaar, een smalle speelstrook in het midden, inclusief een keldergewelf. Dramaturg Koen Tachelet heeft Roth’s proza voorbeeldig mooi én sober naar het toneel getild: alle buitenscènes zijn dat vreemde hotel binnen gemasseerd, dat daardoor verdiepingsgewijs en per strekkende meter kamer transformeert tot de wereld van de Heimkehrer, de nomaden van de vorige oorlog die de volgende niet meer zullen beleven. Zoals de Ostjude Joseph Roth, die zichzelf net voor de Tweede Wereldoorlog in Parijs dood zou zuipen en dus juist óp tijd úit zijn tijd viel. Hij was in 1939 nog in Amsterdam en zei toen tegen een vriend: ‘In de avond word ik vaak onrustig. Dan ga ik zwerven door de jodenbuurt. En dan vraag ik mezelf af: wat gaat daar gebeuren?’
Ik citeer hier het voorwoord dat Simon Carmiggelt schreef bij de Nederlandse vertaling van De legende van de Heilige Drinker, Roth’s laatste novelle. Nu ook op het repertoire van de Münchner Kammerspiele, als vertelsolo van de acteur André Jung, die in Hotel Savoy de Amerikaans-joodse miljonair Henry Bloomfield speelt die in de naamloze stad waar het hotel staat op de joodse begraafplaats het graf bezoekt van zijn vader Jechiel Blumenfeld, om daar dankbaar te zijn, te huilen en de schooierende bedelaars geld te geven. Een van de talloze prachtscènes in het stuk. Ik schreef het vorige week al: Tachelet, Simons en hun toneelspelers houden van Roth. Ook van zijn onweerstaanbaar melancholieke gevoel voor humor. Een willekeurig voorbeeld. 'Abel Ganz was souffleur geweest in een kleine schouwburg in Roemenië, maar hij achtte zich voorbestemd tot het vak van regisseur en hield het in zijn hokje niet uit als hij moest verdragen dat acteurs fouten maakten. Op een goede dag mocht hij op proef een regie doen. Een week later werd hij ingedeeld als hospik omdat een sergeant-majoor dacht dat souffleur iets medisch was. Zo speelt het toeval met een mens.’
Op het terrein van een potje toneelspelen is Hotel Savoy een juweel. De boomhoge Steven Scharf, als de ik-figuur uit de vertelling Gabriel Dan, is een eindeloos genot om naar te kijken en te luisteren. Pierre Bokma, jawel, de toneelspeler die bij ons vandaan komt, maakt een juweel van de liftboy Ignatz, die in het eerste half uur als verteller optreedt en met venijn de woorden 'Hotèèll Savòòjj’ kan uitspreken, talloze momenten van ongekend geestig stil spel heeft, en met collega Scharf een broekensjornummer ten beste geeft uit de gouden tijden van de slapstick. Als er een stel sollicitanten verschijnt die allemaal gebruik willen maken van het fortuin dan wel de naam van de joodse miljonair Bloomfeld is dit aanleiding voor een potje 'jongejannen’ - heel veel rollen in heel korte tijd door één toneelspeler - van Brigitte Hobmeier dat zo tot in de finesses én secuur, én beheerst, én zonder Schmiere wordt uitgevoerd, en tegelijk zó enorm geestig is, dat ik er bijkans om van de tribune lazerde van het lachen. De melancholie die ooit perfect is samengevat met 'lacht aber weint’ ligt aan de basis van dit grootse komediantenparadijs. We gaan nog een hoop plezier beleven aan dat avontuur van Johan Simons in München.

In juni nog enkele malen in München te zien. En ik durf te wedden dat de voorstelling naar het Berliner Theatertreffen in mei wordt uitgenodigd