Zomercolumn

Heimwee

Als ik uien fruit denk ik aan Original Sins van Lisa Alther, dat wil zeggen ik denk aan een van de personages dat er een gewoonte van maakt om vlak voordat haar man thuiskomt van zijn werk uien op het vuur te zetten.

Het is een verwelkomende lucht, iets van vroeger van thuis. En het geeft hem het idee dat zijn vrouw al de hele dag voor hem in de keuken staat.

Het is gek hoe juist tamelijk obscure boeken je vanwege een detail kunnen bijblijven. In de lange pauze nu ontstaan tussen de vorige en deze zin ben ik in gedachten naar mijn boekenkast aan het kijken. Ik moet het doen met die gedachten, want mijn boeken staan boven en ik zit beneden. Ik zit nooit meer tussen mijn boeken, ze ontnemen me iedere lust nog een regel aan dit overbevolkte universum toe te voegen.

Die man, die zich gerust liet stellen door een odeur van uien, heette Joe Bob.

Ik weet niet of ik het boek nog eens zou durven lezen, maar toentertijd heb ik erom gelachen en gehuild. Ik herinner me de vakantie in Avignon met mijn eerste vriendje, en dat ik steeds zei: laten we naar het zwembad gaan. Dan kon ik ongelimiteerd liggen lezen. Voor het eerst las ik een boek waarin de meest verschrikkelijke dingen zo waren opgeschreven dat je erom kon lachen.

Mijn eerste kat noemde ik Joe Bob.

Ik kan me niet voorstellen op reis – reis! Verder dan vakantie kom ik niet – te gaan zonder boeken. Als kind wilde ik niet eens de auto uit komen als we onderweg naar een vreemde bestemming een tussenstop hielden. En nog steeds vind ik het moeilijk om uit mezelf in beweging te komen.

‘Rijs ’s op Pruis!’ riep laatst een vriendin vanuit de keuken, uren bezig om iets lekkers te koken, terwijl ik rustig op de bank bleef zitten, pinda’s eten, krant lezen, me nergens van bewust.

Het is gek hoe zo’n opmerking in je hoofd kan blijven zitten.

Rijs ’s op. Ik zou wat vaker moeten oprijzen.

Van veel vakanties herinner ik me vooral wat ik las. Heel lang hield ik een dagboek bij. Op een dag kreeg ik daar genoeg van. Ik had het idee dat ik aan een imaginair iemand mijn leven aan het uitleggen was, en dat ik daar steeds meer woorden voor nodig had.

Op een gegeven moment zag ik op tegen gebeurtenissen omdat ik die dan ook weer zou moeten beschrijven en uitleggen, aan dat marsbewonertje. Voor vakanties maakte ik een uitzondering. De wezenloosheid van de onderneming moest ik compenseren door ’m te beschrijven, in ieder detail. Het weer, het eten. Ik dacht steeds: als ik dat allemaal precies opschrijf, weet ik ook voorgoed wat ik zag en wat ik dacht.

Verderop in het dorpje was een huisje met een gat in de muur, en daar werden ’s ochtends broden doorheen geschoven

Quod non.

Van echt alles opschrijven komt niks goeds.

Zo gauw het besef er was dat ik wel eens van huis weg zou moeten, had ik buikpijn. Feestjes, logeerpartijen, en ja, vakanties, ik vond het allemaal een bezoeking.

Maar als ik dat opschrijf doe ik iedereen te kort, mezelf incluis.

Ik heb nooit meer goed over haar nagedacht, maar nu ik dat doe kan ik wel heimwee hebben naar dat meisje dat zo geabsorbeerd lag te lezen aan de rand van het zwembad, in Original Sins. Alles kon nog gebeuren, hoe veilig lag ze daar, met naast haar het toegewijde vriendje. Dat zelf helemaal niet las. Het maakte niet uit. Het jaar erop was ze met hem op een Grieks eiland.

Wat ik me van die vakantie herinner heb ik nooit opgeschreven, en toch weet ik het nog precies. Allereerst: de blik in zijn ogen als hij wakker werd en zag dat zij al lag te lezen.

Ongeloof, liefde, vertrouwen.

En: de gedienstigheid waarmee zij aanbood brood te gaan halen.

Ergens verderop in het dorpje, hangend boven de zee, was een huisje met een gat in de muur, en daar werden ’s ochtends broden doorheen geschoven. Ik kan me zelfs haar slippers nog voor de geest halen, misschien moet je ze sandalen noemen, zwart leer met van die veters tot net over haar kuiten. Veel te gladde leren zolen, daar gaat ze nog eens flink mee op haar bek, maar dat zal pas het jaar erna gebeuren, op weer een ander eiland, met weer een ander boek, maar wel hetzelfde vriendje. Nu loopt ze daar luchtig, paars shirtje, zwart fladderrokje, niks aan de hand, geld in het knuistje voor brood. Maar hé, ze loopt nog even stevig door, daar gaat ze, in een rechte lijn naar de haven waar een winkeltje alles verkoopt wat je wilt. In haar geval is dat een kaart, een envelop, postzegel. Gezeten op een bankje aan de haven schrijft ze razendsnel haar boodschap. De zon brandt op haar rug, nu al, de visjes schieten onder haar voeten weg.

Help, schrijft ze. Mijn cipier is meedogenloos.

Tot haar opluchting had ze al op de eerste dag gezien dat er op het eiland een brievenbus was.