Heimwee

Soms heb ik het gevoel – en ik ben niet dol op gevoelens, maar ik heb ze nou eenmaal – dat mij wordt kwalijk genomen dat ik deze tijd niet wens. En zelfs veracht.

Ik zie de verworvenheden van het huidige tijdsgewricht wel, maar mijn eigen gewrichten kraken en ik zou graag door een necropool willen slenteren, hoe luguber dat ook moge lijken.

In mijn paradijs is het eeuwig 1971, ben ik verliefd op de mooiste benen in de stad en hebben mijn woorden nog toverkracht.

Soms denk ik, als ik mensen weer eens tegen bepaalde politici tekeer hoor gaan, is het de genuanceerdheid van het hedendaagse leven die ik niet aankan? Maar ik vind deze tijd eigenlijk niet zo genuanceerd. Is het mijn authentieke heimwee dat bruine rafelranden kent (was ik maar een koloniaal in Indië), waardoor men mijn manier van denken afwijst?

Ik schijn nog resten van een verwerpelijk vocabulaire te hebben. Ik zeg neger – het is ‘van kleur, pap’ – en ik zeg Eskimo – ‘het is Inuit, Opheffer’ – en ik spreek nog wel meer door ouderdom geteisterde woorden uit, die ontsnappen aan een oud brein waar de gulzige neuronen zich eindelijk een doorgang hebben gevreten naar mijn reptiele kern.

Zoals mijn vrienden sterven, sterven mijn woorden.

Sommige houden zich verborgen, omdat ze bang zijn veroordeeld te worden.

Mijn mijmeren is schuldig, want in mijn hoofd voer ik een strijd tegen de verbittering met scheldkanonnades waarbij ik het pak van de goed geklede politieke correctheid aan stukken scheur. Mijn tong is goed beschouwd een gifangel maar ik hou hem nog schuil achter de tanden.

Ik draag geen zwarte hemden, maar als jullie die zien, ga je gang maar, jongelui

Soms loop ik naar de Bank van het Gevoelsleven, en neem ik een kortlopende hypotheek op God. Om Hem te vervloeken – ik moet het toch ergens kwijt – en om Hem te bidden dat Hij mij helpt wraak te nemen, maar ik vraag ook wel eens om mij, met een eenvoudige ademstroom uit Zijn mond, te ontlasten van wat zuur. Tot nu toe is er nog niets gebeurd.

Mijn door het niets doen versleten kont graaft zich in mijn kapotte bank, mijn perkamenten bibberhand grijpt naar de afstandbediening van de tv en ik zoek zenders op met strijd. Liefst de echte. Niet die in films.

Kijk, daar is Nero. Ik vind hem eigenlijk wel bijzonder. Zijn toga met rood koord heeft iets tragisch evenals zijn zelf gevlochten lauwerkrans. En kijk, daar is Hatsjepsoet. Ze heeft het zwaar, zo te zien. En die jongen in de verte. Is dat Claudius of Julius Caesar? Hij zal straks door een vriend worden neergestoken…

Nu eens denk ik dat de wereld naar een Grote Dreun marcheert, dan weer dat we in luchtspiegelingen legers zien die wel uitkijken zich met ons te meten. Soms ook denk ik dat ik te weinig hypotheek op God heb genomen, want Hij neemt wel wraak en gaat wel tekeer, maar totaal ondoorgrondelijk, onrechtvaardig en willekeurig en niet zoals ik wil.

Ik draag geen zwarte hemden, maar als jullie die zien, ga je gang maar, jongelui.

Ik bouw een cocon met daarin een draagbare Dual-pick-up. Ik draai daar The Beatles en Zappa. Ik heb een klein boekenplankje met de complete werken van Nabokov en Shakespeare en de beide Reves.

Ik ga sonnetten schrijven en geef die in eigen beheer uit. Ik heb de hele dag pornozenders aan staan en probeer de opwinding terug te vinden van toen ik vijftien was en met een snorretje, aangezet met het wenkbrauwpotlood van mijn moeder (een tip die we elkaar doorgaven), de bioscoop Parisien op de Nieuwendijk binnensloop om naar een Zweedse natuurfilm te kijken waarin vrouwen zich uitkleedden en te water gingen om te badderen.

Wanneer is Heimweh als ziekte geschrapt, terwijl het de oorzaak is van rigoureuze politiek?