Boek van de maand: Kundera’s ‘Onwetendheid’

Heimwee, illusies en verwachtingen

De juryleden selecteren uit het boekenaanbod ieder een titel. Deze maand koos Solange Leibovici Van de liefde bezeten en Het bal van graaf d’Orgel van Raymond Radiguet, Jacq Vogelaar Dromen van stof van Oscar Timmers en Kees ’t Hart Candy van Mian Mian. Pieter van Os koos voor Onwetendheid van Milan Kundera. Nadat de juryleden elkaars genomineerden hadden gelezen, werd Onwetendheid verkozen tot Boek van de maand.

Milan Kundera

Onwetendheid

Vertaald uit het Frans door Martin de Haan

Uitg. Ambo, 132 blz., € 17,90

door Pieter van Os

Milada is zestig jaar. Ze mist een oor. Toen ze nog een tiener was, eiste haar vriend Josef dat ze niet met haar klas meeging naar de wintersport. Deed ze het wel, dan zou hij de relatie verbreken. Hij wist dat zij niet kon voldoen aan zijn eis: het schooluitje was immers verplicht. In de bergen besluit ze haar liefde te tonen in de dood. Met een flinke dosis slaappillen legt ze haar prachtige, jonge lichaam hoog in de bergen in de sneeuw, vlak voor het vallen van de avond. De slaap komt, maar o gruwelijk lot, ze wordt toch midden in de nacht wakker, met enkele bevroren ledematen, maar niet dood. Ze verdwijnt naar een andere school nadat een zwartgeblakerd bevroren oor is afgezet. De rest van haar leven zal ze de liefde niet meer toelaten, het litteken houdt ze voor altijd verborgen onder een strook haar.

Dit door Kundera prachtig vertelde verhaal is verweven in de complexe compositie van Onwetendheid, de jongste roman van de naar Frankrijk geëmigreerde Tsjech. Het onderbreekt een stroom essayistische intermezzi, waarin Kundera, net als in vorige romans, menig schaars onderbouwde mening of lucht- en hooghartig verkondigd theorietje, met enig aplomb door een commentaarstem te berde brengt. Dit keer concentreert hij zich bij het theoretiseren op de werking van het geheugen, op de aard van heimwee en de illusies en verwachtingen van ballingen en achtergeblevenen.

De hoofdpersonages van de roman zijn Tsjechië ontvlucht nadat Russische tanks een einde hebben gemaakt aan de Praagse lente. De een, Irena, is haar man gevolgd naar Frankrijk, waar zij uiteindelijk een nieuw bestaan opbouwt met een kosmopolitische Deen. De ander, de dierenarts Josef, is naar Denemarken geëmigreerd, trouwt een Deense vrouw en keert net als Irena, in Onwetendheid terug naar zijn vaderland, voor een kort bezoek. Daar ondervinden beiden dat niemand is geïnteresseerd in de twintig jaar dat zij in het buitenland doorbrachten. Achterblijvers zullen nooit tegen een teruggekeerde balling zeggen: «Vertel!» Verloren zonen en dochters worden slechts op de hoogte gebracht van de verwikkelingen thuis. De alwetende commentaarstem maakt een vergelijking met Odysseus, die gedurende zijn reis overal werd gevraagd te vertellen over wederwaardigheden tijdens zijn omzwervingen. Behalve in Ithaca, thuis bij zijn Penelope, daar werd hij ternauwernood herkend; niet omdat er thuis zoveel was veranderd, maar omdat hijzelf een ander was geworden tijdens zijn afwezigheid. Kundera’s verteller roept met gevoel voor pathetiek uit: «Calypso, ach, Calypso! Ik denk vaak aan haar.» Deze vrouw en Odysseus hielden van elkaar, maar de Griekse strijder werd verondersteld, door de lezer, de schrijver en door hemzelf, haar te verlaten en terug te keren naar het thuisfront, naar zijn «eigen» Penelope. Calypso kon niet anders dan een tussendoortje zijn, een vakantieliefde. In een rotsvaste, eeuwenlange verbeelding huilt de balling als Ovidius aan de Zwarte Zee, met maar één wens: de terugkeer.

Maar daar voelen Josef en Irena niet veel voor, al is de druk van hun nieuwe landgenoten groot, aangezien ballingen bestaan bij de gratie van hun leed. Niemand is geïnteresseerd in wat ze bezielt; men projecteert op hen slechts de eigen politiek correcte overtuigingen. Die schrijven voor dat de Oost-Europese emigranten na de val van het communisme jubelend de terugtocht blazen.

Met hun weigering terug te keren, verraden Irena en Josef hun nieuwe landgenoten. Zelf voelen ze zich op hun beurt ook verraden, omdat ze vóór 1990 in de waan leefden te worden gewaardeerd om hun persoon, niet om hun leed.

Net als in vorig werk, legt Kundera in deze roman opnieuw de nadruk op het onherroepelijke van beslissingen en fouten, genomen en begaan «op de leeftijd van onwetendheid». «Dat is de leeftijd», zegt de zelfs fysiek beschadigde Milada, «waarop mensen trouwen, hun eerste kind krijgen, hun beroep kiezen. Ooit zul je veel dingen weten en begrijpen, maar dan is het al te laat, want heel je leven blijkt te zijn beslist in een tijd dat je nog niets wist.» Terug naar de tijd daarvoor is onmogelijk, en ook terugkeren naar je moederland in een toekomstige tijd heeft een hoge prijs. «Ik zou weer met hen samen kunnen leven», zegt Irena in een gesprek over haar oude vriendinnen, «maar alleen op voorwaarde dat ik alles wat ik met jou, met jullie, met de Fransen heb meegemaakt, plechtig op het altaar van het vaderland leg en in brand steek. […rand steek. […] Dat is de prijs die ik moet betalen om te worden vergeven. Om te worden geaccepteerd. Om weer een van hen te worden.»

Niet alleen Josef en Irena, ook Kundera wil die prijs niet betalen. Ook hij verwachtte niet dat de Russische legers binnen een mensenleven met stille trom het land zouden verlaten en Onwetendheid is alweer zijn derde boek dat hij in zijn nieuwe taal schreef. Natuurlijk leden ze allen aan heimwee, maar zelfs die is volgens de verteller niets anders dan onwetendheid. In de openingspagina’s verkent hij de betekenissen van het woord in verschillende Europese talen. Het Spaanse woord voor heimwee, añoranza, blijkt van het Catalaanse enyorar te stammen, wat letterlijk «niet weten» betekent. Heimwee is niets anders dan gemis, gebrek en hunkering naar wat niet meer is. Anders dan vaak gedacht, impliceert het geen herinnering. «Hoe meer Odysseus smachtte, hoe meer hij vergat. Want heimwee versterkt de werking van het geheugen niet, het roept geen herinneringen op maar heeft genoeg aan zichzelf, aan zijn eigen emotie: het wordt volledig in beslag genomen door zijn eigen lijden.»

Aanvankelijk lijkt in deze roman het alwetende vertellerscommentaar, een soort voice-over, sprekend in rotsvaste, en daar door vaak hinderlijk pedante waarheden, alles te ondermijnen wat komen gaat. Maar zo is het niet. Kundera trekt je in verschillende effectief vertelde verhaallijnen, die hij verweeft in een vernuftige compositie van een roman die meer is dan een college heden daags ballingenleed. De meesterlijke psychologische schetsen van zijn personages versterken ambivalenties en relativeren de soms potsierlijke beweringen. Enkele van de verhaallijnen kruisen elkaar, maar zonder dat alles als in een essay bij elkaar komt en in een passende puzzel valt. Zo blijkt Josef zich niet te herinneren wie Irena eigenlijk is, terwijl Josef voor haar altijd «de gemiste kans» is geweest, een man die ze ooit op een vliegveld tegenkwam, die haar versierde en haar zelfs voorstelde een hotelkamer te delen. Ze weigerde toen, maar nu ze het jaren later alsnog in een hotel met elkaar doen, herkent hij haar naam niet meer. Net zo min als hij ooit zal weten dat een goede vriendin van Irena een oorschelp mist, en voor altijd onwetend zal blijven van beantwoorde liefde. De kringen die een in de vijver gegooide steen maakt, reiken verder dan het oog kan zien.

Raymond Radiguet

Van de liefde bezeten en Het bal van graaf d’Orgel

Uit het Frans vertaald door Jacoba van Velde en F.C. Kuipers. Uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep, 208 blz., € 12,00

Toen Le diable au corps in 1923 verscheen, was Raymond Radiguet twintig. Hij had sinds zijn veertiende gedichten geschreven en bijdragen geleverd aan avant-gardistische literaire tijdschriften als Sic en Littérature. Hij correspondeerde met invloedrijke surrealisten als Tristan Tzara en André Breton en hij werd de minnaar van de beroemde schrijver en kunstenaar Jean Cocteau. Radiguet werkte aan zijn tweede roman, Le bal du comte d’Orgel, toen hij in hetzelfde jaar aan tyfus stierf.

Beide romans zijn opnieuw in Nederland uitgegeven en passen mooi bij het boekenweekthema. Jammer alleen dat dit in de oude vertalingen uit 1954 en 1956 gebeurt. Grote romans verliezen hun kleur en zeggingskracht niet, vertalingen wel. In deze vertalingen zitten nogal wat slordigheden, slecht geconstrueerde zinnen, verouderde uitdrukkingen en echte fouten.

Van de liefde bezeten is een vervalste autobiografie over een adolescent die de minnaar wordt van een getrouwde vrouw. Het in die tijd schandalige gegeven speelt zich af tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog. Le diable au corps is een klein meesterwerk dat de tand des tijds heeft doorstaan. Dit komt vooral door het ontbreken van de dubbele blik, waarmee auteurs zichzelf als jonge man beschrijven maar in het verhaal het ironische commentaar van de volwassene verweven. Deze roman is eenstemmig: nergens wordt de oorspronkelijkheid van de stem van de verteller vertroebeld door de levenservaring van de oudere man.

Dat Van de liefde bezeten nog altijd indruk maakt, heeft ongetwijfeld te maken met de adolescentenproblematiek: de verhouding met schoolvrienden en met de ouders, de eerste stappen in de volwassenheid, de eerste liefdesrelatie met een iets oudere vrouw en de schuldgevoelens daarover, want Marthe is getrouwd met een soldaat. De roman is typisch een product van de eerste jaren na de Grande Guerre: de oorlog is alomtegenwoordig en tegelijk ver weg. De brandweer houdt oefeningen en soms hoor je in de verte de kanonnen bulderen, maar oorlog staat vooral gelijk met vrijheid, thuisblijven en lezen in plaats van naar school te gaan. Het einde van deze «grote vakantie» betekent voor de jongen geen vreugde, want de soldaat keert terug. Mooi is vooral de combinatie van bijna perverse onverschilligheid voor het leed dat zich iets verderop afspeelt en de totaal zelfgerichte intensiteit van de verliefdheid tussen twee mensen die hun gevoelens nooit mogen openbaren. Niet alleen verbiedt de kleinburgerlijke moraal in het kleine stadje de liefde van een getrouwde vrouw voor een vijftienjarige jongen, maar het feit dat haar man aan het front vecht om Frankrijks eer te verdedigen maakt deze liefde bovendien tot een vorm van landverraad.

Opvallend aan Radiguets romans is de oedipale problematiek van de driehoeksverhouding tussen twee mannen en een vrouw. De vrouw kan niet anders dan uiteindelijk voor haar echtgenoot kiezen, en in Van de liefde bezeten wordt zij voor haar overspel met de dood gestraft, zoals het romantische heldinnen betaamt. Het kind dat zij heeft gebaard, is het kind van haar minnaar, maar het zal door haar onwetende echtgenoot worden grootgebracht. Zoals na gewelddadige oorlogen de orde vanzelf op den duur wordt hersteld, zo ook zegeviert na de transgressie van waarden en normen de burgerlijke status quo. (Solange Leibovici)

Oscar Timmers

Dromen van stof

Uitg. De Bezige Bij, 101 blz., € 15,90

«Meer dan ik kon heb ik gekund», zo begint een pagina uit het eerste deel van Dromen van stof om vervolgens te memoreren: «Ik ben de maker van zes dingen, twee maal drie boeken.» Oscar Timmers (1931) doelt daarmee op de twee cycli van drie boeken die hij tussen 1977 en 1986 onder de naam J. Ritzerfeld publiceerde. De dood bepaalt ook in dit nieuwe boek, dat Timmers zo’n vijftien jaar onder zich heeft gehouden, de toon. De dood wordt in alle toonaarden vervloekt. Het derde deel begint met de opmerking: «De dood minacht mij. Ik durfde de strijd met hem niet aan», maar dat «niet» wordt door het boek zelf tegengesproken.

Dromen van stof — de titel alleen al maant de lezer tot voorzichtigheid: met de drie betekenissen van «stof», de twee kanten die «van» uitkan, en dromen nog eens als infinitief en meervoud. Hoe dun het boek ook is, het is geen dichtbundel; misschien zijn de prozafragmenten van nog geen halve, hooguit anderhalve pagina nog dichter dan poëzie, om de eenvoudige reden dat proza op dóórlezen is ingesteld en in deze aantekeningen elke zin apart aandacht vraagt. Het woord «dromen» in de titel heeft iets misleidends, al was het maar omdat de schrijver aan de droom trucs ontleent voor bewuste doeleinden. Zo houdt hij zich slapend om zijn twee doden, vroeger een kind en nu de moeder ervan, in zijn hoofd te sparen. Over dat uitstel — «als je de dood wilt eren, als je de dood van je twee doden wilt eren, moet je zelf ook dood gaan» — gaat het eerste deel. De mijmeringen krijgen de allure van bezweringen. Het tweede deel lijkt over de schijnbewegingen in een latere liefde te gaan, maar evengoed ziet hier een man zijn gesloten wereld verstoord door een vrouw die tot een andere orde behoort. In het derde deel keert hij in de tussentijd terug, het respijt, de sfeer van de onwerkelijkheid. Herhaaldelijk is hier sprake van droom, foto en film, maar die kunnen niet laten zien wat er niet is, en dat kan taal wel. «Ik droomde niet dat jij je vervolgens met zenuwen en tranen en liefde en al door mijn liefde liet overweldigen», zegt de man. Vervolgens praat het duo door over wat hij niet heeft gedroomd. «Niet» is de toonsoort van heel het boek, negatie is de drijvende kracht van deze reeksen incantaties: «Ik zie alles, ook als het zich verborgen houdt, ook als ik speel dat ik niet zie.» Het zijn oefeningen in niet-zien, in niet-zijn. Het minteken kan letterlijk voorkomen in ontkennende zinnen, het vraagteken is een subtielere variant.

Krijgt hij een oude familiefoto onder ogen, dan heeft de verteller het over een kinderlijke, niet wetende blik: «Wat niet? Niet deelnemend, alleen maar kijkend, niet ziend.» Vol verbazing kijkt hij op het laatst naar het niet eerder vertoonde woord «doodloos»: «Heb ik doodloos ergens gelezen. Nee, nooit, nergens.» Dit is proza waarin elke zin, zoniet elk woord telt.

Subtiel toont Timmers hoe taal zich laat motiveren door oog én oor. (Jacq Vogelaar)

Mian Mian

Candy

Uitg. Arena, 286 blz., € 17,95

Spannend klonk het zeker: «Een van de eerste moderne boeken over een nieuwe generatie Chinese jongeren.» Nog spannender was dat de Chinese autoriteiten dit boek verboden. Vervolgens schreef een journalist van The International Herald Tribune dat Mian Mian «misschien wel China’s meest veelbelovende jonge schrijfster is». Dat moest ik lezen.

Inmiddels rest slechts de vraag hoe politiek geïnspireerd een dergelijke positieve beoordeling uit de westerse wereld is. Want Candy is een vervelend boek. En vooral een gewoon boek. De hoofdpersoon worstelt met drank, drugs en seks in Sjanghai, een van de nieuwe vrijhavens van het moderne China. Het leven lijkt er pas de moeite waard — als we tenminste de ik-persoon van Candy volgen — wanneer het de trekken vertoont van de westerse voorhoede in de afgelopen decennia. De hoofdpersoon heeft begrijpende ouders, maar is desalniettemin weggelopen, belandt in «de rock-scene» en loopt vervolgens «mooncakeparty’s» af op zoek naar «echte mensen». Die mensen zijn op hun beurt ook per definitie verslaafd. Samen zijn ze vervuld van verlangen, maar proeven ze slechts de eenzaamheid. «Ronald Giphart in China», zei een van de lezers van deze rubriek. Maar Candy is ook Jan Cremer in China, of Jay McInnerney op reis. De gebeurtenissen, emoties en zelfs de geestverruimende middelen zijn inwisselbaar. Als je de Chinese persoons- en stedennamen verandert, had de roman door kunnen gaan voor een Europees of Amerikaans boek uit de jaren tachtig. Daarom is de waarde van dit boek er misschien wel in gelegen dat het de vraag opwerpt in hoeverre McWorld ook in de literatuur toeslaat. Verdwijnen alle particuliere, aan de context verbonden elementen uit succesvolle romans? Want een bestseller is Candy, ondanks, of juist dankzij het verbod. Ver woordt men binnenkort overal op de wereld de hang naar destructie in dezelfde, kennelijk universele beelden en beschrijvingen?

Met de vertaling van Martine Torfs is niets mis, het boek leest als een trein, zoals het deze holle literatuur betaamt. Maar het beperkte psychologische inzicht van hoofdpersoon en schrijver, samen met de stellige toon waarop zij haar meninkjes over situaties, ontwikkelingen en andere personages te berde brengt, maken dit boek op den duur onverdraaglijk. Een geluk voor de schrijfster is dat een oordeel over haar werk van minder belang is dan de therapeutische waarde van het schrijven — als we haar alter ego mogen geloven. Bij herhaling legt ze het nog eens uit, zoals in dit citaat dat tekenend is voor het 286 pagina’s tellende boek: «Ik was iemand die het voortdurend moeilijk had met zichzelf. Schrijven was voor mij de mogelijkheid om rottigheid om te toveren tot iets fantastisch. Ik verwachtte overal wonderen. Tegenwoordig heb ik een voorgevoel dat als er een wonder te gebeuren staat, dat ongetwijfeld met mijn schrijven te maken zal hebben.» (Kees ’t Hart)