Heimwee naar Berlijn

Ten onrechte heeft leven en werk van Alfred Döblin veel minder belangstelling gehad dan dat van zijn tijdgenoot Thomas Mann. Eindelijk is er nu een biografie van de schrijver van Berlin Alexanderplatz.

Het beste wat Rainer Werner Fassbinder heeft nagelaten is ongetwijfeld de televisieserie Berlin Alexanderplatz (1980). Dat ligt niet zozeer aan de cinematografische kwaliteiten van Fassbinder als wel aan het ijzersterke draaiboek met zijn drie onvergetelijke hoofdfiguren: Franz Biberkopf (Günther Lamprecht), Reinhold, (Gottfried John) en niet te vergeten Mieze (Barbara Sukowa). Dit draaiboek volgt nauwgezet de befaamde, gelijknamige grotestadsroman van Alfred Döblin. Vraag een willekeurige Nederlandse literatuurliefhebber naar titels van Döblin en hij komt niet verder dan die ene roman - zijn Duitse evenknie trouwens ook niet. Hoe komt dat?
Alfred Döblin (1878-1957) stond zijn leven lang in de schaduw van zijn grote rivaal Thomas Mann (1875-1955), en in zekere zin staat hij dat nog steeds. Terwijl bijvoorbeeld de Mann-biografieën al bijna niet meer te tellen zijn, ontbrak het tot voor kort aan een gedegen biografie over Döblin. Aan dat gemis is onlangs door Thomas F. Schoeller met zijn Alfred Döblin: Eine Biographie een einde gemaakt. Het is een uitstekend gedocumenteerde, zeer gedetailleerde en goed geschreven biografie geworden, die aanspraak kan maken op de kwalificatie ‘definitief’.
Schoeller is zeer begaan met zijn protagonist; hij schrijft met veel empathie over hem. Ook over het werk van Döblin zul je van hem nauwelijks een kwaad woord horen, sterker, in de biografie krijgen de critici van de geliefde schrijver er flink van langs. De biograaf gaat hier behoorlijk ver in, hij maakt de tegenstanders van Döblin niet zelden zwart. Dat alles heeft iets vertederends en tegelijk iets bedenkelijks. Op gepaste momenten afstand nemen van het onderwerp van je biografie, hoe moeilijk dat misschien ook valt, is een les die elke biograaf ter harte moet nemen.
Dat Schoeller dit niet kan, of niet wil, blijkt vooral uit zijn opstelling tegenover Erna Döblin-Reiss, met wie Alfred 45 jaar (van 1912 tot aan zijn dood) getrouwd was. Deze Erna kan in de ogen van Schoeller geen goed doen. Hij beschrijft haar bij voorkeur als drammerig, rancuneus en onverdraagzaam, eigenschappen die overigens wel vaker door biografen aan de echtgenotes van hun helden worden toegedicht.
Schoeller neemt haar vooral drie dingen kwalijk: ten eerste dat ze haar leven lang niets te maken wilde hebben met de zoon die Döblin vier jaar voor zijn huwelijk bij een verpleegster had verwekt; ten tweede dat ze Döblins liaison met de 22 jaar jongere fotografe Yolla Niclas, na haar aanvankelijk getolereerd te hebben, ten strengste verbood (overigens zonder veel succes); en ten derde dat ze pertinent weigerde zich na de Tweede Wereldoorlog opnieuw in Duitsland te vestigen. Je kunt je als onbevooroordeelde lezer wel iets voorstellen bij Erna Döblins houding in deze drie kwesties, vooral bij de laatste twee. Erna Döblin was joods en had tijdens het nazi-bewind nogal wat familieleden verloren. Ze had, begrijpelijk, niet veel zin om zich na de oorlog in Duitsland te vestigen. Ook Alfred Döblin zelf, eveneens joods, had verliezen te betreuren. Onder anderen zijn broer en diens vrouw werden in Auschwitz vergast, maar zijn gehechtheid aan Duitsland, en met name aan Berlijn, was sterker dan zijn haat tegen de nazi’s en ex-nazi’s. En wat het tweede punt betreft: welke vrouw duldt het dat haar echtgenoot er een tweede relatie op nahoudt, ook al is hij dan een schrijver?
Nu kun je je natuurlijk afvragen waarom Döblin 45 jaar getrouwd bleef met een vrouw van wie hij niet hield. Schoeller is erachter gekomen dat Döblin een tijdje gescheiden van zijn vrouw leefde, maar uiteindelijk weer bij haar introk. De biograaf heeft daar een duidelijke verklaring voor. Hij interpreteert Döblins gedrag in deze vanuit een traumatische ervaring uit diens jeugd: toen Alfred tien was ging zijn vader er met een heel wat jongere vrouw vandoor en liet zijn gezin niet alleen in de steek maar zadelde het ook nog op met schande en schulden. Deze ervaring zou Döblin ervan weerhouden hebben hetzelfde te doen, dus zijn gezin, vrouw en vier zoons, aan hun lot over te laten.
Schoeller doet hier iets wat veel van zijn collega’s doen: ze interpreteren het leven van hun protagonisten in het licht van één of twee traumatische ervaringen die deze (liefst) in hun jeugd hebben opgedaan. Döblins trauma wordt gehanteerd als verklaring voor allerlei op het oog onverklaarbare gedragingen en beslissingen in zijn leven, onder meer dus het koste wat het kost in stand houden van een gezinsleven met een vrouw die hem emotioneel koud liet.
Onverklaarbaarheid is er overigens volop in Döblins leven. Döblin was een vat vol innerlijke tegenstellingen (Günter Grass, die in Döblin zijn grote leermeester zag, stelde dat diens grootste prestatie was dat hij met die tegenstellingen kon leven); ze zorgden voor heel wat cesuren in zijn levensloop, met name op politiek en religieus gebied.
Vooral in de jaren tien en twintig van de vorige eeuw was Döblin politiek bevlogen. Van 1919 tot 1927 was hij lid van de SPD en onder het pseudoniem Linke Poot schreef hij jarenlang een wekelijkse column voor een gerenommeerde Berlijnse krant, waarin hij de ontwikkelingen in de republiek van Weimar scherp in de gaten hield en van bijtend commentaar voorzag. Een echte partijman is hij echter nooit geweest, daarvoor was hij te veel individualist en had hij een te grote afkeer van het Bonzentum, dat ook in de SPD hoogtij vierde. Zijn politieke opstelling vloeide niet zozeer voort uit theoretische belangstelling, laat staan uit carrièrezucht, als wel uit mededogen met het lot van de kleine man, met wiens problemen hij in zijn hoedanigheid van praktiserend ziekenfondsarts dagelijks te maken had. Döblins hart zat wat dat betreft op de goede plaats: zijn leven lang heeft hij zich het lot van die kleine man aangetrokken.
Niet alleen trok Döblin zich het lot van de kleine man aan, hij had er ook een scherp oog voor. Zijn bekendste en best verkochte boek Berlin Alexanderplatz, het enige ook dat hem internationale bekendheid verschafte, is hier het bewijs van. Er is geen tweede roman in de Duitse literatuur waarin het leven van de arme sloebers tijdens de republiek van Weimar zo secuur, met al zijn humor en tragiek, beschreven wordt - er is trouwens ook geen tweede roman die het Berlijn van de jaren twintig zo beeldend beschrijft.
Döblins religieuze zoektocht volgt een weg met veel bochten en zijpaden. Hij werd geboren in Stettin (Pommern) in een geassimileerd joods gezin, waarin niet veel gedaan werd aan godsdienst. In zijn vroege volwassenheid is hij, vooral onder invloed van Nietzsche, een fervent atheïst. Zijn fulminante tirades tegen met name het katholicisme zijn berucht. Na zijn dertigste komt hij allengs tot inkeer: alweer is het een filosoof, Arthur Schopenhauer deze keer, die hem op andere gedachten brengt. Hij gaat de waarheid in het Oosten zoeken: de leer van de berusting, van het pantheïsme geniet nu zijn voorkeur. Zijn grote roman Die drei Sprünge des Wang-lun kan gelezen worden als de artistieke verwerking van deze levensfase. In deze tijd schrijft hij ook een aantal verhandelingen over de natuur, als één groot bezield geheel, waarin de mens niet de kroon der schepping is maar slechts een 'klein radertje’.
Vanaf 1933, het jaar waarin Döblin Duitsland ontvlucht en zich, na een kort verblijf in Zürich, vestigt in Frankrijk, voltrekt zich allengs zijn overgang van het atheïsme, via het pantheïsme naar het monotheïsme. Hij zoekt de ene God, die hij overigens niet vindt in de God van zijn vaderen, maar in diens veel minder strenge katholieke collega, meer specifiek in de Christus van het Nieuwe Testament. In 1941 bekeert hij zich in Hollywood samen met zijn vrouw en hun jongste zoon tot de ene ware religie.
Zijn geloof, of beter: zijn queeste naar God, is een constant begeleidingsverschijnsel van de ballingschap. Döblin is een van de Duitse nazi-ballingen die verknocht bleven aan Duitsland, aan de Duitse taal, en in het geval van Döblin: aan Berlijn. Hij kon nergens anders aarden dan in de stad waar hij 45 jaren van zijn leven had doorgebracht en die hij in Berlin Alexanderplatz bezongen had. De tweede helft van de biografie, die over de laatste 25 jaar van zijn leven gaat, laat zich lezen als een lijdensverhaal. Hij leeft zowel in Frankrijk als in de VS onder zeer behoeftige omstandigheden. Zijn publicatiemogelijkheden zijn beperkt en zijn inkomsten vrijwel nihil nu hij niet meer als arts kan werken. Hij is een van de eerste exil-schrijvers die naar Duitsland terugkeren. Daar wacht hem de ene na de andere teleurstelling. Niet alleen is er van zijn geliefde stad vrijwel niets meer over, zijn landgenoten ontvangen hem ook nog eens uiterst koel - een lot dat overigens al zijn collega-ballingen te wachten stond. De Duitsers beschouwden de gevluchte intellectuelen zo al niet als verraders, dan toch als 'Fahnenflüchtige’ vaderlanders, burgers die hun natie in de steek hadden gelaten (zelfs Willy Brandt werd in de jaren dat hij bondskanselier was, 1969-1974, door een groot deel van het Duitse volk om precies dezelfde reden belasterd en gehaat). En tot overmaat van ramp werd Döblin in het naoorlogse Duitsland nauwelijks meer gelezen en leidde hij een kwijnend bestaan, de laatste zeven jaar van zijn leven voornamelijk in Duitse sanatoria (hij leed aan de ziekte van Parkinson).
'Waar zal de moede wandelaar zijn laatste rustplaats vinden?’ De versregel van Heinrich Heine die Döblin in zijn laatste jaren begeleidde en die hij bij herhaling in zijn brieven citeert, behelst een vraag die misschien het best beantwoord kan worden met: in zijn romans.
Wat Döblins romans betreft: al in 1930, een jaar na de eerste Duitse druk, verscheen de vertaling van Berlin Alexanderplatz. In 1978 werd die inmiddels bijna vijftig jaar oude vertaling ongewijzigd heruitgegeven bij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Uitgever Johan Polak schrijft in de verantwoording bij deze editie: 'Nico Rost (de vertaler - hd) heeft zich vrijheden veroorloofd en ging zelfs een enkele maal zo ver dat hij een zinsnede of alinea liet vervallen omdat deze naar zijn mening aan de gang van het verhaal niets wezenlijks toevoegde of wellicht niet op de Nederlandse lezer zou overkomen.’ Niettemin heeft Polak voor deze vertaling gekozen omdat 'de sfeer van de cultuurmetropool Berlijn (…) prachtig is weergegeven’. Het is ondenkbaar dat een uitgever van serieuze literatuur zich nu nog aldus zou durven verantwoorden voor een door hem uitgegeven, corrupte vertaling. Pas in 1982 verscheen een tweede Döblin-roman in Nederlandse vertaling, Pardon wird nicht gegeben (Geen pardon, vertaling Pieter Cramer).
Ook hier dus weer het eerder genoemde contrast met Thomas Mann, van wie bijna alle romans in de loop der jaren een of meer vertalingen beleefden. Is Döblin een slechter schrijver dan zijn gelukkiger collega en Nobelprijswinnaar? Nee dus. Zijn de onderwerpen van zijn romans minder toegankelijk dan die van de schrijver van De toverberg en de Buddenbrooks? Ook niet. Als het niet met die Nobelprijs te maken heeft, is het puur toeval, en, kinderlijk gezegd, niet eerlijk. Döblin verdient beter.
Hier ligt een uitdaging. Welke Nederlandse uitgever durft het onder de huidige moeilijke omstandigheden aan de al uit 1930 daterende vertaling van Berlin Alexanderplatz te laten overdoen en een nieuwe, volledige, getrouwe en eigentijdse vertaling op de markt te brengen? Als hij vervolgens de moed heeft Döblins magnum opus November 1918 (vier delen, ruim tweeduizend bladzijden) in vertaling uit te brengen, zal hij zich onsterfelijk verdienstelijk maken. Misschien dat hij dat wel met een faillissement zal moeten bekopen. Maar er zijn genoeg uitgeverijen onder minder eervolle omstandigheden te gronde gegaan.

WILFRIED F. SCHOELLER
ALFRED DÖBLIN: EINE BIOGRAPHIE
Carl Hanser Verlag, 912 blz., € 34,90