Sinti en Roma: Nederlands meest aangepaste volk

Heimwee naar de horzizon

Het leed van de Sinti en de Roma, zwaar getroffen door de nazi’s, wordt eindelijk erkend. Het wantrouwen van Nederlands ‘meest aangepaste volk’ jegens de ‘burgermaatschappij’ blijft echter.

IK BEN ER trots op dat ik zigeuner ben. Ik ben anders dan anderen, ik wijk van iedereen af. Als zigeuner mág je daar trots op zijn. Ik kom met mijn muziek en de opvoeding die mijn vader me heeft gegeven in het koninklijk paleis, om voor de koningin te spelen. Telkens als ik daar loop met mijn viooltje, en ze doen de deuren voor me open, voel ik het: ik ben trots.’


In het keurige Arnhemse rijtjeshuis van Kokalo Weiss, alias Tata Mirando — leider van het Koninklijk Zigeunerorkest Tata Mirando — prijkt op het witte wandmeubel in een zilveren lijstje een glamourfoto. Van de koningin. ‘Dat is Beatrix toen ze achttien was. Die foto heb ik persoonlijk van haar gekregen en ze heeft me ook brieven geschreven.’ Tata Mirando praat graag over vroeger. ‘Wat een prachttijd was dat’, zegt hij, terwijl hij bladert in Mensen van de reis — een rijk geïllustreerd boek over woonwagenbewoners en zigeuners in Nederland. Een voor een bewondert hij de foto’s. ‘Wij hadden vroeger twee paarden voor de wagen. Kacheltje erin, instrumenten mee. We konden in de wagen koken en slapen. Als je geen paard had moest je de wagen zelf trekken. We waren niet ziek en we waren niet verzekerd. We wisten niet wat een groenteboer was, we haalden alles uit de natuur. We waren gelukkig. Nu koop ik mijn voedsel in de winkel en ik word er nog ziek van ook.’


‘Kijk’, zegt hij, ‘dat is een dochter van de Steinbachs.’ Met angstige, donkere ogen kijkt ‘het meisje met de hoofddoek’ vanuit een goederenwagon recht in de lens. Jarenlang was de foto, genomen in Westerbork, het symbool van de deportatie en vernietiging van Nederlandse joden. Enkele jaren geleden werd echter ontdekt dat het een zigeunermeisje betrof. Tata Mirando bijt op zijn lip. Hij is aangeland bij de Tweede Wereldoorlog.


Mirando is een belangrijk man in de Nederlandse Sinti-gemeenschap. Zijn telefoon staat roodgloeiend. Geen hofmaarschalken, dit keer, die hem vragen met zijn orkest ten paleize aan te treden, maar advocaten en opgewonden vrienden. De Sinti en Roma, ‘zigeuners’ in de volksmond, zijn eindelijk in het offensief getreden. Jarenlang werd weliswaar zo nu en dan in de media en in wetenschappelijke publicaties gerefereerd aan het feit dat ook zij doelwit waren van nazi-terreur, maar in de zigeunergemeenschap bleef het lang stil. Met het verschijnen van het rapport-Van Kemenade over roof en rechtsherstel was de maat echter vol. Door de nazi’s werden 245 Sinti en Roma naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Slechts 31 keerden terug. Kokalo Mirando’s vader verloor zijn ouders en al zijn broers, zussen, ooms en tantes. Zijn eigen gezin sleepte hij onder zware ontberingen de oorlog door. Bij Tata Mirando zijn dezer dagen de beelden weer terug in zijn dromen. Van de onderduik in de bossen, van de schurft die zijn huid wegvrat, van nazi’s en WA-mannen.



HOOG TIJD dat Nederland nu werkelijk eens iets voor zijn Sinti en Roma doet, meent Lalla Weiss van de Landelijke Sinti Organisatie (LSO), die zich de emancipatie van Nederlandse Sinti en Roma ten doel heeft gesteld. Tenslotte gaat het om mensen die vrijwel allemaal in het bezit zijn van een Nederlands paspoort en al generaties lang in Nederland wonen. Initiatieven vanuit de gemeenschap ketsen opvallend vaak af op muren van bureaucratie. Weiss kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de overheid uit alle macht probeert de Sinti en Roma eronder te houden. ‘En dat terwijl we het meest aangepaste volk zijn dat in Nederland leeft. We spreken jullie taal, we dragen jullie kleren, we volgen jullie onderwijs, eten jullie voedsel en houden ons aan jullie regels en wetten. Wat willen jullie nog meer?’


Vanuit een pand verscholen tussen de loodsen op het industrieterrein van het Brabantse Best is ze de stuwende kracht achter de LSO, een strijdbare bruggenbouwster. Ze is verwikkeld in gesprekken op hoog niveau, over grote sommen geld. Premier Kok en minister Borst zijn haar gesprekspartners. Weiss: ‘Na de oorlog zijn we aan ons lot overgelaten. Er was geen enkele opvang. Ook óns vermogen is geroofd. We hebben recht op schadevergoeding.’ De LSO heeft met succes gestreden. Premier Kok en minister Borst zegden een bedrag toe van tussen de 12,5 en 25 miljoen gulden. Veelzeggend was de opmerking van Lalla Weiss op de trappen van het Binnenhof: ‘Het is heel bijzonder dat wij als volwaardige gesprekspartners met de overheid hebben kunnen praten.’ Daar hebben de zigeuners heel lang op moeten wachten.


De woonwagencentra waar de meeste Sinti en Roma wonen, heten in de volksmond ‘kampen’. Een schoonzus van Lalla Weiss overleefde Ravensbrück, Buchenwald en Auschwitz. Na de oorlog kreeg ze een brief uit Duitsland. Wohnwagenlager stond erop. Toen werd ze met de neus op de feiten gedrukt. Weiss: ‘Dat heeft haar heel diep geraakt.’ De Roma en Sinti waren altijd al sterk naar binnen gerichte groepen, maar na de oorlog is dat verergerd. Niemand werd vertrouwd, men trok zich noodgedwongen op zichzelf terug. ‘In de jaren zestig werden we gedwongen om te gaan wonen in woonwagencentra. Rondtrekken mocht niet meer. Dat betekende het einde van de ambulante beroepen die we altijd hadden beoefend. Zo werden de mensen brodeloos gemaakt. Geeft niks, zei de regering. We geven jullie gewoon een uitkering. En zo maakten ze ons afhankelijk.’


In Nederland verblijven ongeveer dertigduizend Sinti en Roma, waarbij de eersten de laatsten ruim in aantal overtreffen. Vaak worden ze op een lijn gesteld met woonwagenbewoners, maar zelf maken ze een scherp onderscheid. Nederlandse woonwagenbewoners, ook wel ‘reizigers’ genoemd, worden door de Sinti en Roma gerespecteerd en gewaardeerd, maar ze delen niet in hun cultuur. Reizigers zijn simpelweg geen zigeuners. Niet-woonwagenbewoners worden in het jargon van de ‘mensen van de reis’ aangeduid met ‘burgers’.


Veel Sinti en Roma beschouwen de term ‘zigeuner’ als een scheldwoord. Het woord zou afstammen van de Duitse samentrekking van ziehen (rondtrekken) en jauner (dief), zo is onder meer te lezen in Samen, het magazine voor woonwagenbewoners, Sinti en Roma. De term is hard op weg om de nigger-status te bemachtigen: een exclusief door de eigen groep te bezigen geuzennaam. De uit Hongaarse Roma bestaande rapgroep Fekete Vonat die vorig jaar Nederland aandeed, liet zich aankondigen onder de noemer ‘zigeunerrap’. En ook Kokalo Mirando noemt zijn orkest trots ‘zigeunerorkest’. Lalla Weiss: ‘Aan de benaming “zigeuner” kleven zoveel bloed en tranen dat je de term niet zomaar van tafel kunt vegen. Maar als ik mensen hoor praten over “een weekendje zigeuneren in Friesland”(rondtrekken met een huifkar — jb) gaan mijn haren recht overeind staan.’



SINTI EN ROMA dateren hun geschiedenis ver terug. In lang vervlogen tijden werden achttien nomadische stammen, bestaande uit Sinti en Roma, verdreven uit Azië. De Sinti zouden hun oorsprong hebben in het gebied van de Sinto-rivier, in het huidige Noord-India en Pakistan. Roma komen oorspronkelijk uit zuidelijker gebieden van het tegenwoordige India. Hun naam stamt van Rahm, de belangrijkste god uit het geloof dat zij beleden. Ze raakten verspreid over de globe. In 1420 werden de eerste Sinti gesignaleerd in de Lage Landen, in Deventer om precies te zijn. Roma kwamen vooral terecht in Oost-Europa.


Lalla Weiss, behorend tot de Sinti en een nichtje van Tata Mirando: ‘We werden aanvankelijk beschouwd als edellieden, omdat we brieven konden tonen van vorsten en andere hoogwaardigheidsbekleders. Maar gaandeweg ging men ons beschouwen als indringers. Van edellieden werden we “heidenen”, en later noemde men ons “Egyptenaren” vanwege onze donkere huid. Door vervolgingen raakten we aan de bedelstaf en waren we genoodzaakt om al reizende ons brood te verdienen.’


Wim Willems, Neerlandicus van historische snit, hoort het verhaal aan met een twinkeling in de ogen. Het is bepaald niet de eerste keer dat het tot hem komt. ‘Was het maar zo simpel’, zegt hij. ‘In feite zit de geschiedenis van de zigeuners vol raadselen.’ Tezamen met Leo Lucassen en Annemarie Cottaar publiceerde hij in 1995 Mensen van de reis, dat al lang is uitverkocht. In zijn proefschrift Op zoek naar de ware zigeuner hield hij zich uitvoerig bezig met de geschiedenis van Sinti en Roma. ‘Ik ben tamelijk sceptisch over de historische continuïteit. Waarschijnlijk kun je zigeuners het best vergelijken met de indianen van Noord-Amerika. Voor niet-indianen horen ze allemaal onder dezelfde noemer omdat ze een heel andere levenswijze hebben. Maar in feite zijn de verschillende stammen niet aan elkaar verwant. De eerste meldingen van “heidenen” en “niet-christenen”, waarmee gedoeld werd op mensen die er allerlei ambulante beroepen op nahielden — paardenhandelaren, mattenvlechters, scharenslijpers — stammen inderdaad al uit de vijftiende eeuw. Die mensen werden ook wel Egyptenaren genoemd, omdat in de slipstream van de kruistochten Egypte stond voor alles wat niet-christelijk, mysterieus en donker van huid was.’


Dat Sinti en Roma etnisch bepaalde volkeren zijn, is volgens Willems een mythe die pas is ontstaan na de Tweede Wereldoorlog. Willems: ‘Het is een direct gevolg geweest van de holocaust. Het werd mensen onmogelijk gemaakt na de oorlog nog rond te trekken in groepen. Er werd nauwelijks geld gestopt in de kampen waar ze zich moesten vestigen. De mensen durfden niet voor de vervolging uit te komen. Die toonde immers hun kwetsbaarheid. Uiteindelijk probeerden ze dan toch in aanmerking te komen voor de Wiedergutmachungsgelden, maar dat leverde veel problemen op. Men werd vaak teruggewezen: “Jullie werden vervolgd omdat jullie asocialen zijn, niet omdat jullie tot een ander ras behoorden”, zeiden de ambtenaren.’ Volgens Willems hebben het niet naar buiten durven treden en het stelselmatig met de kop tegen de muur lopen wanneer toch een poging werd gedaan de eigen belangen te behartigen, ertoe geleid dat de groep zich steeds meer is gaan sluiten. ‘Dé manier om dat isolement te doorbreken is het steeds meer benadrukken van de gemeenschappelijke vervolgingsgeschiedenis. Die geeft Sinti en Roma de mogelijkheid rechten te claimen.’


Maar daar kleeft een enorm gevaar aan, zegt Willems. ‘Als je erkenning wilt als oorlogsslachtoffer en als marginale groep, en je probeert die te bereiken door een beroep te doen op de goodwill van een samenleving, blijf je dat slachtofferschap benadrukken. Daarmee blijf je bewijzen dat je niet in staat bent om zelf je eigen plek in de samenleving te bevechten. Grote groepen Sinti zijn juist heel goed geïntegreerd in de samenleving, anders hadden ze nooit overeind kunnen blijven met hun risicovolle ambulante beroepen. Men is veel weerbaarder en veel flexibeler geweest dan men zelf zegt. Ze zouden juist die sterke kant moeten benadrukken. Wat je nu ziet is dat er zeer negatieve denkbeelden over zigeuners blijven bestaan, en dat die door de zigeuners zelf gevoed worden. De samenleving zal net als vroeger zeggen: “Wat moeten wij met die mensen — ze zijn goed in toneel in muziek, maar verder moeten we niets van ze hebben.”’



MAAR ALS slachtoffer stelt Tata Mirando zich niet bepaald op. In zijn ogen kan de overheid nog steeds weinig goed doen. Sterker: ze helpt bij het in stand houden van allerhande vooroordelen. Tata Mirando: ‘De mensen zeggen: “De Sinti en Roma zijn rijk. Ze hebben grote auto’s en gouden ringen. En ze zijn gevaarlijk.” Daar klopt niets van. Als een Sinto vijfhonderd gulden schuld heeft bij de belastingdienst, wordt er meteen een kamp overvallen met vijftig man politie. Dat doet me denken aan het optreden van de politie in de Duitse tijd. Ik word daar vreselijk giftig van. Stel dat ik op een kamp woonde, ik zweer je, ik zou me verdedigen. Ik zou niet meer in een hoekje zitten en me laten slaan met de kolf van een geweer en me in mijn buik laten schoppen door soldatenlaarzen. Want dat is wat die NSB’ers en fascisten met ons deden. Nederlanders en Duitsers. Toen was ik nog een kind, maar nu zou ik me verdedigen. Laat ze maar blij zijn dat ik geen pistool heb’, dreunt Tata Mirando. Op het wandmeubel trilt de koningin in haar zilveren lijstje.


In veel opzichten is de zigeunergemeenschap nog zeer traditioneel. Dat heeft alles te maken met het isolement waarin de Sinti en Roma verkeren, stelt Lalla Weiss. Van haar grootmoeder erfde ze vijf kilo puur goud: de traditionele levensverzekering en spaarrekening. Weiss: ‘De gouden munten waarmee we konden betalen waar we ook maar kwamen, waren de voorloper van de euro. Wíj waren de eerste Europeanen.’ Nog steeds nemen eten en drinken een speciale plaats in de cultuur in, en binden de jongeren, hoe opgewonden ze ook zijn, in zodra een oudere opstaat. Weiss: Niet iedereen kan eraan wennen dat ik als vrouw een mondig mens ben. Vooral oudere Sinti vinden het vreemd als ik het woord neem, en helemaal dat ik zo nu en dan zeg dat ze ongelijk hebben. Zo’n traditie leg ik bij de deur als ik binnenkom, en die pak ik weer op als ik wegga.’


De Sinti-cultuur is nauwelijks gericht op verzet, maar veeleer op bescherming van de eigen groep. De cultuur is naar binnen gekeerd en staat niet open voor buitenstaanders. Officieel wordt het Romanes niet geschreven, om te voorkomen dat kennis over de taal uitlekt. En er zijn gebruiken waarover een Sinto niet mag praten. Lalla Weiss: ‘Dat onderscheidt mij van jou. Die zwijgzaamheid maakt mij een Sintetsa. Dat heeft niets te maken met mysterie, maar met behoud van onze eigenheid. Wij vragen respect voor het niet willen weggeven van een klein deel van onze cultuur. Ik denk dat we erg kwetsbaar worden als we ons helemaal bloot geven. Als wij onze taboes bekendmaken, kunnen kwaadwillenden die aangrijpen om ons weg te jagen en huizen te bouwen waar nu onze woonwagens staan. Er zijn dingen uit onze traditie die jullie helemaal niet kunnen begrijpen. Dat geldt andersom ook. Maak mij maar eens duidelijk hoe het mogelijk is om je ouders naar een bejaardenhuis te sturen.’


Tata Mirando: ‘Ik moet u teleurstellen. Ik wil daar liever niet over praten. Ik wil dat voor onszelf houden. Dat is ons eigendom, ons privé-leven. Ik hoop niet dat ik u beledig, maar u heeft daar niets mee te maken.’



‘VERDWAALD IN Nuenen’, mompelt de taxichauffeur geïrriteerd. ‘Hoe is het in godsnaam mogelijk.’ Pas na ettelijke rondjes door het dorp, inclusief een dolle rit door de bedrempelde straten van een nieuwbouwwijk, begint het hem te dagen. ‘Ze staan natuurlijk in het bos.’ Hij slaakt een zucht van verlichting als eindelijk de daken van een groep moderne woonwagens opdoemen. ‘Moet je zien hoe ze zich afzonderen’, zegt de chauffeur. Dat mensen negatief over zigeuners en andere woonwagenbewoners denken is hun eigen schuld, meent hij. Het zijn heus niet allemaal criminelen, maar ze zijn bijna allemaal werkloos. Logisch dat ze op creatieve wijze hun uitkering wat aanvullen. Zou hij zelf ook doen. Van hun cultuur weet hij niks. ‘Maar als je zo bij elkaar klit, gaan mensen de gekste dingen over je denken. Mijn broer gaat met een zigeunermeisje. Op zich een aardig kind, maar zo mysterieus, hè. He zal uiteindelijk wel stuklopen, want m’n broer gaat van zijn levensdagen niet in een wagen wonen. En al helemaal niet op zo’n kamp.’


‘Hier wonen alleen Sinti’, zegt Bianca Wagner. ‘Alleen naast mijn broer woont een woonwagenbewoner, maar die is ingetrouwd. Zijn vrouw is Sintetsa.’ Het kamp wordt gevormd door vijftien gezinnen, allen met flink wat kinderen. Bianca Wagner (27) is hoofdredacteur van Samen, dat wordt gelezen op alle woonwagencentra, het blad is in eerste instantie bedoeld voor de eigen gemeenschap — alle woonwagenbewoners, dus naast de Sinti en Roma ook de reizigers. Daarnaast is het ook nadrukkelijk de bedoeling dat buitenstaanders via Samen kennis kunnen nemen van wat er speelt op de woonwagencentra.


‘We moeten af van die negatieve ideeën. Dat kan alleen maar door de muur te slechten die tussen ons en de burgermensen in staat.’ Maar er is geen enkele kans dat ooit de verborgen delen van de traditie in Samen worden gepubliceerd. ‘Dat is iets van ons. Dat delen we niet.’ Het sleutelwoord is respect. Wagner: ‘Jullie groeien op in huizen, wij in woonwagens. Allebei weten we niet beter. Dat moeten we van elkaar respecteren. Aan ons ligt het niet. Wie bij ons introuwt en besluit op het kamp te komen wonen, is een van ons.’


Volgens Wagner is de acceptatie andersom vaak ver te zoeken. ‘Een vriendin van me, ook een Sintetsa, is in een huis gaan wonen. Toen ik voor het eerst bij haar langsging, belde ik per ongeluk aan bij haar buurman. Toen ik hem vroeg of hij wist waar mijn vriendin woonde, wees hij naar het huis naast hem. “Je bedoelt zeker die buitenlanders”, zei hij. Ik zou het vreselijk vinden om naast zo iemand te wonen. Je hoort er niet bij in zo’n straat. Als hier op het kamp iets aan de hand is, dan springt iedereen naar buiten om te helpen. Iedereen leeft altijd met elkaar mee. Je kunt altijd bij iedereen binnenlopen, de deuren staan altijd open. Je hebt je vrienden en familie om je heen. Dat is voor ons heel belangrijk. Dat is de reden dat we in woonwagenkampen wonen. Om het reizen hoeven we het niet meer te doen. Dat mag niet meer. Ons heimwee naar de horizon is verdampt. Het is nu meer een verlangen naar de geborgenheid van onze eigen gemeenschap.’



‘ELK LAND heeft zijn eigen zigeuners’, zegt Tata Mirando. ‘Allemaal spreken we dezelfde taal, al hebben we verschillende dialecten. We zijn één. Maar wat is een zigeuner zonder zijn wagen?’ Hij slaat het fotoboek dicht. ‘Ik leef nu 47 jaar in een huis. Ik had met mijn vrouw een wagen willen kopen, maar ze wilde niet. Ze is wel Sintetsa, maar ze groeide op in een huis. Ze zei: “Ik geef zielsveel om je, maar als je in een wagen wilt wonen, moet ik je verlaten.” We hebben daar vaak en lang over gesproken. Ik heb besloten me erbij neer te leggen. In het begin had ik het heel erg moeilijk. Ik kwam vaak dronken thuis. Dat was een soort protest, denk ik nu.’


Lalla Weiss: ‘Heimwee naar de horizon, die is er nog wel, wat mij betreft. Maar met reizen heeft dat niet meer te maken. Je kunt je afvragen hoe vrij we waren toen we dat deden. In zekere zin waren we altijd op de vlucht. Voor mij betekent heimwee naar de horizon dat ik onze ouderen een waardig leven wil bieden. Dat begint bij genoegdoening door de overheid voor het leed dat ze hebben geleden tijdens en na de oorlog. De generatie na ons kan niet leven zoals de generatie voor ons heeft gedaan. Er is geen plek meer om naartoe te vluchten. We moeten er hier iets van maken.’