Essay De verlegen mens sterft uit

Heimwee naar een zachte oogopslag

In deze tijd van assertiviteit en schaamteloosheid wordt verlegenheid steeds meer gezien als een psychische afwijking, die bestreden en behandeld moet worden. Maar uit verlegenheid worden niet alleen grote schreeuwers maar ook mooie dingen geboren.

EIGENLIJK IS ANOUK vast heel verlegen, en let vooral op dat ‘eigenlijk’ in deze zin. Het is dat iedereen haar er zo expliciet naar vraagt, anders zou de rockzangeres echt niet in iedere krant, ieder blad en televisieprogramma haar nieuwe liefde van de daken schreeuwen, haar verse tattoo met zijn naam laten zien, twitteren dat ze het net nog met hem heeft gedaan of op het punt staat het met hem te gaan doen. Misschien is ze wel net zozeer eigenlijk verlegen als cabaretière Claudia de Breij dat is, of in ieder geval ooit was. ‘Verschrikkelijk verlegen was ik op de middelbare school’, vertelt die in een interview. Continu verliefd, op meisjes én jongens, maar zonder veel hoop: ‘Ik dacht altijd dat ik nooit verkering zou krijgen. Niemand was zo raar als ik.’ Haar leven veranderde toen ze als zestienjarige scholier het podium als vrijplaats ontdekte: ‘Toen de anderen hun tekst kwijtraakten, begon ik te improviseren. Er kwam een ovatie uit de zaal. Toen dacht ik: o, wacht even, dit kan ik.’
Ook fotograaf Anton Corbijn was naar eigen zeggen ooit ‘een verlegen plattelandsjongetje’. Die verlegenheid bestempelt hij zelf als een belangrijk element in zijn carrière: ‘Daardoor ben ik de dingen gaan doen die ik deed.’ Als zeventienjarige wilde hij naar het concert van Solution in Groningen. ‘Ik wilde zo graag bij het podium staan. Maar ik was bang dat de mensen zouden zeggen: wat raar, zo’n jongen op z’n eentje. Als ik de camera van mijn vader meeneem, dacht ik, zegt iedereen: tuurlijk staat die jongen daar.’ Een vergelijkbaar verhaal vertelt actrice Lies Visschedijk, die zegt op het toneel ‘schijt aan alles’ te hebben: ‘Maar als ik na afloop door de foyer moet lopen om bij de auto te komen, voel ik me verlegen. Dan voel ik me opeens zo bekeken.’
Wie trouwens eigenlijk ook heel verlegen is, nog steeds, al zou je het niet zeggen van iemand die van overal zijn mening over geven zijn beroep heeft gemaakt: Hugo Borst. De verlegenheid van hem van vroeger, als kind, is nooit helemaal overgegaan, aldus Borst over zichzelf in een weekbladinterview: ‘Alleen als ik ontspannen ben en de omgeving veilig vind, kom ik tot ontwikkeling.’ Even later geeft hij toe daar wel een hulpmiddeltje bij te gebruiken: ‘Ik slik al tien jaar lang elke dag een halfje seroxat. Helpt enorm goed.’
Mijn buurvrouw is ook heel verlegen, althans, dat bleek mij onlangs toen zij me vertelde zich aangesloten te hebben bij een verlegenheidscursus. Even begreep ik haar verkeerd: leer je daar verlegen te worden?
Zoveel verlegen mensen in het openbare leven, maar ze hebben zich goed weten te vermommen of te pantseren. Want in de werkelijkheid van alledag, zowel op straat en op school als op televisie en in de krant, lijkt de verlegen mens een langzaam maar zeker uitstervende diersoort. Mensen worden steeds ordinairder, vrijpostiger en breedvoeriger. Wanneer zie je iemand nog eens authentiek naar woorden zoeken, of gereserveerd de ogen neerslaan? Sinds wanneer mag een middelbareschoolleerling niet meer stotteren, blozen of dichtklappen voor de klas als hij een spreekbeurt moet houden, zonder dat er een faalangsttraining tegenaan gegooid wordt? Waarom wordt het normaler gevonden dat mensen zelfgenoegzaam achterover leunen en eindeloos het woord voeren dan dat ze zitten te schuiven op hun stoel en er geregeld het zwijgen toe doen? Sinds wanneer is brutaliteit synoniem voor assertiviteit en staat terughoudendheid gelijk aan sukkeligheid?

IN SHYNESS: How Normal Behavior Became a Sickness beschrijft de Brits-Amerikaanse historicus Christopher Lane de verschuiving in kenschetsing van een bepaald soort gedrag die binnen twee opeenvolgende generaties heeft plaatsgegrepen. Grof gezegd: werd vroeger een verlegen persoon beschouwd als introvert en misschien een beetje vreemd of teruggetrokken, inmiddels wordt verlegenheid beschouwd als een psychische afwijking die bestreden moet worden met medicijnen. Lane is het in zijn studie vooral te doen om dat laatste: hij ziet een onmiddellijk verband tussen de diagnosticering van verlegenheid als een sociale fobie en de groeiende afzetmarkt van de farmaceutische industrie. Immers: ‘Before you sell a drug, you have to sell the disease.’ Hij citeert in dit verband een arts die zich opwindt over de opmars van een ander in no time opgekomen psychisch probleem: ‘We hadden ooit een woord voor degenen die lijden aan ADHD. We noemden ze jongens.’ Hoe aanstekelijk een diagnose kan zijn, blijkt overigens uit het feit dat de laatste twee jaar in Nederland nu ook bij meisjes elk jaar 25 procent meer ADHD-gevallen worden geconstateerd.
Hier te lande ook signaleerde klinisch psycholoog Wouter Gomperts ruim tien jaar geleden eveneens de opkomst van de sociale fobie, in zijn gelijknamige proefschrift. Hij dook in de archieven van psychologische testen uit de jaren veertig en vijftig en concludeerde dat de waardering van eigenschappen als zedigheid en bescheidenheid volkomen veranderd is. Een blozende vrouw beantwoordde destijds geheel aan de vigerende seksuele moraal, en een schroomvallige man in een lagere positie liet met zijn aarzelende gedrag zien de rangorde te onderschrijven. Sinds in de jaren zestig en zeventig de oude verhoudingen op de schop gingen, is er voor de verlegenen geen ontkomen meer aan. Ook zij zullen mee moeten in de vaart der volkeren. Daarbij: situaties waarin de verhoudingen niet meer vastliggen en gedragsregels minder zijn voorgeschreven, creëren een hoop onduidelijkheid en ongemak. Je zou er zomaar sociaal fobisch van kunnen worden.

WAAR VERLEGENHEID eindigt en sociale angst begint, is niet duidelijk. Iedereen heeft wel wat sociale angst. Het verschil met vroeger is, aldus Christopher Lane, dat toen gezegd zou zijn: iedereen is wel wat verlegen. Verlegenheid wordt geboren uit het verlangen naar contact en bij een groep te horen; verlegen mensen aarzelen in hun poging tot contact, omdat ze bang zijn er buiten te vallen. Lane haalt Darwin aan, die in The Descent of Man (1871) verlegenheid beschouwde als een blijk van aanpassing aan sociale conventies, een mentale toestand die alles te maken heeft met zelfbewustzijn. Als je verlegen bent, denk je dat iedereen naar je kijkt en iedereen een mening over je heeft. Wat Darwin overigens niet minder verbaasd deed zijn over het door hem als ‘curieus’ geziene feit dat de gedachte dat anderen een opinie over ons hebben zulke extreme emoties in ons wakker kan maken, en ook zo’n direct effect heeft op de bloedtoevoer naar onze wangen. Blozen doen we zelfs als we alleen zijn, of als het donker is, wat Darwin een vreemd licht vond werpen op de signaalfunctie die blozen zou kunnen hebben. Te meer vanwege het averechtse effect: wie beschaamd of verlegen is, wil niet worden gezien en blozen is een reactie die sterk de aandacht trekt. Hoe dan ook: blozen is lijden, daarvan was ook Darwin al overtuigd. In Nederland worstelen ruim 1,6 miljoen mensen met bloosangst. In extreme gevallen wordt de ‘sympathicus’, de zenuw in de borst die zweten en blozen veroorzaakt, verwijderd.
Seroxat en paxil helpen ook. Lane’s boek is doorspekt met de vrolijke voorbeelden van reclames: opwekkende teksten en foto’s van uitbundig lachende, of juist suïcidaal ogende types, die ons beloven dat dankzij een pilletje het leven er weer anders uitziet. ‘Moeiteloze uitbundigheid’ belooft de reclame voor seroxat. Er staat een telefonerende hysterica bij afgebeeld die in haar mobiel schreeuwt: ‘Ik ben het!’ Het is de telefonerende medemens ten voeten uit die iedere treinreis tot een bezoeking maakt.
Op internet wemelt het van de oproepen tot cursussen en trainingen om van je verlegenheid af te komen, en in Engeland zijn er zelfs speciale verlegenheidsklinieken. De Engelse onderzoekster Susie Scott, geciteerd in het boek van Christopher Lane, stelt dat verlegenheid inmiddels een ongezonde geestelijke staat is geworden voor het moderne westerse individu. De toenemende medicalisering suggereert dat bescheidenheid en gereserveerdheid niet langer acceptabel zijn. Om te kunnen slagen in het leven moet je jezelf kunnen laten horen, over assertiviteit beschikken en in staat zijn om gretig deel te nemen aan het sociale leven. De snelheid van het moderne leven zou verlegen mensen niet meer de tijd geven om warm te lopen. Er moet nú nú nú gepiekt worden, en in anderhalve minuut graag. Het aanleren van sociale vaardigheden zou minder automatisch gaan, nu mensen meer werken vanuit huis, en met computers, en op internet hun dingen doen. En ja hoor, ook de veranderde gezinsstructuur – kleinere gezinnen, niet meer met z’n allen aan tafel eten – zou een desastreuze uitwerking hebben op het oefenen van social skills. Als verlegenheid minder sociaal acceptabel wordt, zullen de meeste verlegen mensen zichzelf zien als ‘a suitable case for treatment’. Ze worden naar therapieën toe gepraat, waar ze wordt geleerd dat hun neiging naar stil zijn, passiviteit en terugtrekking geen pas geeft in sociale situaties en dat ze die neiging moeten afleren. Niet-verlegen zijn is het nieuwe adagium. En natuurlijk is er ook meteen een tegenbeweging: de verlegenen der aarde zijn zich aan het verenigen. Op allerlei internetsites bezingen ze elkaars lof: verlegenheid is wie je bent; verlegen mensen zijn de aardigste mensen die er zijn, wees dankbaar.

ONDERTUSSEN wordt het heimwee naar de verlegen mens er niet minder om. Want misschien is dat het wel. Het verlangen naar een zachte oogopslag, en iets meer prudentie in het verkeer van alledag waarin het voortdurend op je strepen staan in één lijn ligt met het ongevraagd en luidkeels uitventen van privé-besognes. Een studie als die van Christopher Lane geeft blijk van zorg om het steeds meer medicaliseren van ‘normaal’ gedrag, wat onverlet laat dat het dagelijkse normale gedrag inmiddels een behoorlijk a-sociaal gezicht heeft gekregen. Het ís natuurlijk ook echt lang geleden, maar die bange hertenblik van Lady Di toen ze trouwde met prins Charles, of de bedremmelde lach van Bono tijdens het eerste Pinkpop-concert dat U2 gaf: het zijn momenten uit vervlogen tijden. Niemand kijkt meer zo, en niemand laat zich publiekelijk nog eens ouderwets uit het veld slaan. Misschien zijn er meer mensen aan de pillen dan je denkt, maar sinds wanneer heeft iedereen toch altijd maar een snelle Witz klaar, of zit pontificaal vooraan met alle gemak van de wereld? Waarom moeten we van iedereen weten dat ze net gescheiden zijn of een woonwagenverleden hebben?
Wat een verademing het is ‘gewoon’ een verlegen mens te zien, hoe exceptioneel de persoon in kwestie dan ook is, bleek toen enige tijd geleden de schrijfster J.K. Rowling te gast was in de BBC-late night-show van Jonathan Ross. En dan niet een verademing omdat zij ook maar een mens blijkt zoals u en ik en iedereen, maar omdat ze zich niet laat verleiden tot al te grote mededeelzaamheid. Op de een of andere manier, zonder irritant mistig te doen, weet ze het raadsel van haar werk en haar persoon intact te houden.
Voor de laatsten der verlegenen moeten we het sowieso bij de schrijvers zoeken. Wie het leven in de werkelijkheid vreest, kan zich altijd nog ophouden in de wereld van het boek. Van alle kunstvormen biedt de romankunst de beste mogelijkheid in het hoofd te kijken van personages in gevecht met hun hebbelijkheden en die van anderen. Zo schetst Thomas Rosenboom in zijn onlangs verschenen roman Zoete mond een indringend portret van een verlegen mens, en het zal niet toevallig zijn dat hij die verlegen mens plaatst in het Nederland van de jaren zestig. Zijn Rebert van Buyten is een sociaal fobicus avant la lettre, en je zou er toch niet aan moeten denken dat deze schroomvallige dierenarts in therapie zou gaan om van zijn zweetaanvallen en bloosangst verlost te raken. Laat hem maar schuiven met de narcosevloeistof uit eigen apotheek waarmee hij dagelijks zijn wijn versterkt. Rosenbooms Rebert van Buyten past in een rij van klassieke, verlegen, romanpersonages, in de moderne Nederlandse literatuur aangevoerd door Anton Wachter, het alter ego van Simon Vestdijk, en in de moderne buitenlandse literatuur door de Triëster zakenman Zeno van Italo Svevo en de Berlijnse kunstcriticus Albinus van Vladimir Nabokov. Stuk voor stuk complexe, verlegen figuren die veel duidelijk maken wat in wetenschappelijke benaderingen nooit aan de oppervlakte zal komen. Want hoe verlegen zijn verlegen mensen ‘eigenlijk’?
Anton Wachter, hoofdpersonage in de achtdelige autobiografische romancyclus van Vestdijk, is een bleke lummel die niet uit zijn woorden kan komen en overal bang voor is en zich van de weeromstuit ontpopt als een vechter. Zijn onhandigheid en onzekerheid sterken hem er des te meer in om zijn examens te halen, meisjes aan zich te onderwerpen, de mensen om hem heen genadeloos te ontleden en zijn doel te bereiken. Altijd ligt de angst te mislukken op de loer, en die angst maakt hem ‘op de een of andere manier’ gelukkig. In De bekentenissen van Zeno speelt Svevo een ironisch spel met zijn verteller Zeno, mislukt zakenman, ontrouwe echtgenoot en eeuwige roker. Hij laat niet na te benadrukken hoe verlegen hij is en geeft tegelijkertijd zonder enige terughoudendheid opening van zaken over zijn op alle vlakken schaamteloze gedrag. Had Darwin Een lach in het donker van Nabokov kunnen lezen, dan was hem misschien een nieuw licht opgegaan over de functies van blozen en stotteren. De bedaagde Albinus, kunstcriticus en schilderijenexpert, weet precies hoe hij de aandacht op zich moet vestigen: ‘Hij was een goed causeur, met juist die heel lichte aarzeling in zijn stem, de gunstige bijkomstigheid van een neiging tot stotteren, die zelfs de banaalste zin nieuwe charme verleent.’ Angstaanjagend voorstelbaar beschrijft Nabokov hoe uitgerekend een figuur als Albinus, getekend door ‘de heftigheid der verlegenen’, zijn gewisse ondergang tegemoet gaat. En om tot slot bij Rosenbooms verlegen dierenarts terug te komen: al dan niet onder invloed van zijn versterkte glaasjes wijn is deze Rebert ook best een pestkop en een behoorlijke intrigant die zijn omgeving danig weet te ontregelen.
Het mooie van de literaire verbeelding van verlegenheid is dat die de dubbelzinnige kant van het een en ander laat zien. Want heel die lieve, uitstervende bedremmeldheid ten spijt: verlegenheid heeft natuurlijk ook met hoogmoed te maken, met zelfvergroting en met geldingsdrang. Aan de angst dat iedereen naar je kijkt en dingen over je denkt, gaat immers nog een gedachte vooraf: ik ben het middelpunt van de wereld. Eigenlijk, ja eigenlijk, draait de hele wereld om mij. Waarom zouden de concertbezoekers destijds in Groningen bij het optreden van Solution oog hebben gehad voor een willekeurige zeventienjarige jongen die in z’n eentje vooraan bij het podium stond? Hij heeft er in ieder geval flink zijn best voor gedaan dat ze daarna wel oog voor hem móesten hebben, want hij stuurde de foto’s die hij maakte met zijn vaders camera meteen op naar de Muziekparade. De popfotograaf Anton Corbijn was een feit.
Wat was het eerste wat cabaretier Wim Helsen zei toen hij deze week een grote cabaretprijs won? ‘Diep in mij zegt een stem: gij verdient het eigenlijk niet, en iedereen weet dat ge het niet verdient.’ Als je het zo nagaat, is iedereen in feite bang en onzeker. Sommige mensen hoor je er verder niet over, anderen doen hun best er korte metten mee te maken en weer anderen maken er een kunst van hun verlegenheid in te zetten. ‘Voor iemand die zo verlegen is als ik’, zei dichteres en toneelschrijfster Judith Herzberg in gesprek met Ischa Meijer – vast eigenlijk ook heel verlegen – ‘is verlegenheid een uitkomst.’ Uit verlegenheid worden de grootste schreeuwers en de mooiste dingen geboren.