Heimwee naar pc

OORLOG IS DE BESTE TIJD om ruzie te maken met je vrienden. Dat was het zeker voor de generatie van wijlen mijn vader, die zelf net op tijd uit de depressie van de jaren dertig te voorschijn was gekomen om zijn eerste betaalde arbeid in vaste dienst te verrichten aan de oevers van de Maas, op 10 mei 1940.

Veertig jaar later brak hij met zijn enige huisvriend, een gewezen bouwvakker die zijn gezinsleven aanvulde met retourtjes naar het winkelcentrum en, om het wijk- en wereldnieuws door te nemen, het huis van mijn vader. Tot mijn vader erachter kwam dat, terwijl hijzelf in 1940 na gedane zaken aan de Maas zijn eerste buitenlandse reis maakte naar Polen, de huisvriend al vrolijk voor de bezetter aan het metselen was geslagen. De ‘bunkerbouwer’ kwam er niet meer in. Als er geen oorlog is om goed van kwaad te onderscheiden kun je er altijd een verzinnen. Dat deed Jules Croiset, die zich in 1987 opsloot in een Belgische rioolbuis om, zoals dat tegenwoordig heet, 'een signaal af te geven’. Dat deed de Amsterdamse tekstwetenschapper en 'strijder tegen racisme’ Teun A. van Dijk, die begin jaren negentig op het spoor kwam van 'Rasoel’, auteur van het racistische pamflet De ondergang van Nederland. Niet gewapend met een AK-47 maar met een tekstverwerker trok compañero Van Dijk ten strijde tegen de columnist Gerrit Komrij, volgens hem zoniet de 'feitelijke’ dan toch op zijn minst de geestelijke auteur van het opruiende pamflet. Hij schreef er een stuk over dat door een liberaal dagblad werd geweigerd en klaagde prompt in het progressieve blad Forum: 'Zo wordt racisme door de elite getolereerd en antiracisme effectief door censuur de mond gesnoerd.’ Een oorlog verzinnen. Dat deed ook de jonge Groningse filosoof Bart Croughs, die in 1995 zijn hartekreet In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon publiceerde. Ook Croughs was een strijder, zij het van het tegenovergestelde kamp. Met vliegende vaandels en rinkelende bierflessen zette hij de aanval in op de intellectuele lobotomie van een krankjorum land waar 'de meest absurde feministische leerstellingen tot regeringsbeleid zijn verheven’ en 'de Vader, de Zoon en de Heilige Geest allang zijn vervangen door de Vrouw, de Homo en de Allochtoon’. Zijn tirade was bedoeld als breekijzer in een dichtgeslibde politieke cultuur, maar het leverde hem weinig meer op dan een paar interviews en de hartelijke groeten van Theo van Gogh. NU HEBBEN WE een echte oorlog en is het weer menens. Tegelijk slaan in eigen land allerlei lang smeulende veenbrandjes plotseling uit. In Amsterdam, waar de gemeente het moet opnemen tegen de vliegende brigades van de gsm-jeugd. In Rotterdam, waar voetballiefhebbers de ramen van het Hilton eruit schieten en de gasten zich op de grond werpen in klein-Sarajevo aan de Westblaak. En in Den Haag, waar het ooit montere kabinet-Kok kreunt onder zijn eigen chagrijn en onder de klachten van onbehandelde Bijlmerbewoners die huns ondanks tegen de grenzen van het poldermodel zijn opgelopen. Het eerste slachtoffer van de oorlog is zoals altijd de waarheid. Maar het eerste slachtoffer van de veenbrand in de polder is het begrip 'politiek correct’. Teun van Dijk was een van de laatste representanten van een softe generatie die aan zijn kortstondige monopolie in de jaren zeventig een moreel gelijk meende te ontlenen en het recht op gewapende patrouille langs de intellectuele rijkswegen. Nu hebben we Freek de Jonge, in dolle paniek op zoek naar een decoder om de stem van zijn eigen geweten te ontcijferen. Bart Croughs was een van de eerste representanten van een harde generatie die aan het linkse monopolie in de jaren zeventig een permanente morele verongelijktheid meende te mogen ontlenen en het recht om als een spookrijder de intellectuele snelweg op te draaien. Nu hebben we Gerry van der List, die zich even minzaam als zijn getekende portretje vrolijk maakt om 'danslustige nichten’, maar natuurlijk zonder ze te willen beledigen. Kortom, het begrip 'politiek correct’ kan worden bijgezet bij de relikwieën van de na- danwel vóóroorlogse geschiedenis. Met de oorlog is immers ook de verwarring terug. Wie straks de bunkerbouwers zullen zijn, is niet helder. Zelfs de meest geharnaste voorstanders van bombarderen - en wie is er anno 1999 'politiek correcter’ dan Tony Blair? - verdedigen geen vanzelfsprekend gelijk. 'Het gaat weer over ethiek’, zei nota bene een Navo-diplomaat deze week. Bij ethiek horen argumenten, en twijfel. Noodgedwongen moeten we het weer hebben over de inhoud. Daar zijn we slecht op voorbereid, want het gebakkelei over politieke correctheid van de afgelopen decennia was, aan beide kanten van de streep, vooral een kwestie van vorm. DAT HET BEGRIP 'PC’ nu aan het verdampen is, hoeft niemand te verbazen. Het begrip heeft een ongelukkige jeugd gehad in Nederland, raakte snel ondervoed en is te jong gestorven. Eigenlijk heeft het vooral een speelgoedfunctie gehad, en wie de uitdrukking te vaak bezigde, hoorde in zijn eigen hersenen al het onheilspellende suizen van een loos draaiend wieltje in het raderwerk. 'Politiek correct’ kón hier ook nooit dezelfde lading hebben als in het land van herkomst, de Verenigde Staten. Een natie als de Amerikaanse, die zich definieert aan de hand van een nationaal idee, of 'droom’, heeft nu eenmaal andere parameters voor het maatschappelijk debat dan een polder waar de collectieve overleving afhangt van consensus, het matigen van tegenstellingen en het dempen van onrust. Amerika is een natie van geboren individualisten die tegelijk prat gaan op hun gemeenschapszin en vermogen tot sociale controle, en waar omgangsvormen en taalgebruik altijd belangrijker zijn geweest dan hier. Met reden. In een land waar een zwarte tot in de jaren zestig kon worden gelyncht, is het taboe op het woord nigger allesbehalve futiel. Het oproer van de jaren zestig, bakermat van de term 'pc’, heeft in Amerika bovendien veel diepere wonden geslagen dan in Nederland, waar de polarisatie tussen de generaties en de politieke partijen behendig werd gedempt door het stootkussen van een tactisch terugtredende regentenklasse en een 'middenveld’ van verzuilde stichtingen en verenigingen. 'Politieke correctheid’, begrepen als het actief opnemen van vrouwen, homo’s en andere minderheden in de Amerikaanse Droom, is in die constellatie allereerst een emancipatie- en inburgeringsstrategie. Dat is de variant die wordt verdedigd door liberals als Martha Nussbaum. Tegelijk heeft het Amerikaanse gebruik van 'politiek correct’, als toets voor de zuiverheid van eigen en andermans opvattingen, iets latent hysterisch. Het is de uiting van een zeer Amerikaanse preoccupatie met sociale controle, gemeenschapszin en heimwee naar 'Small Town USA’. Vergelijkingen met de heksenprocessen in de achttiende eeuw, of het McCarthyisme van de jaren vijftig liggen voor de hand. 'Amerika is haar provinciale, nativistische, anti-intellectuele wortels aan het herontdekken’, schreef Mark Lila in 1993 in Partisan Review over politieke correctheid. 'Het is een hartstochtelijk weerzien, en een hartstochtelijk land is, net als hartstochtelijke mensen, doof voor de stem van de rede.’ NEDERLAND IS NIET gebouwd op een idee. Voor Nederlandse schoolgebouwen wappert geen nationale driekleur. Er wordt niet elke maandag met de hand op het hart het volkslied gezongen. Er staan niet achter elk billboard rijksagenten klaar om je op de bon te slingeren wegens speeding. Nationale trots beperkt zich in Nederland tot het wereldkampioenschap voetbal. De jaren zestig hebben hier dan ook geen 'culturele oorlog’ opgeleverd of een ander generationeel trauma. Integendeel, ze vormden het tamme begin van een aanzwellende welvaartsgolf die in de jaren negentig zijn voorlopige hoogtepunt heeft bereikt. Nederland Burgermansland is in dat decennium van housefeesten, parenclubs en tweede hypotheken, herschapen tot Nederland Partyland. Een land met de warme geur van stationscroissants en de metalige klank van vertrapte bierblikjes, waar iedereen lopend heeft leren eten en iedereen, conform het neoliberale adagium dat ooit bekend stond als 'vertrossing’, zichzelf kan zijn 'als individu’: succesvol, doortastend, winstgevend, beursgenoteerd en vier keer per jaar met vakantie. De culturele fall out van die zelfontplooiing maken we nu mee, met de opvlammende morele paniek over kinderporno, immigranten en zinloos geweld. In dat dynamische tijdsgewricht heeft 'politieke correctheid’ hier niet gediend als pressiemiddel voor emancipatie, zoals in Amerika. Veel meer was het een alibi voor de portiers, uitsmijters en andere spierballenrollers van Nederland Partyland om de laatste brildragers buiten te zetten. Simpelweg door 'incorrect’ te zijn konden zij zich oer-Hollands profileren als de Nieuwe Geuzen. Zorro’s van de Vrije Geest waren ze, die het oude Nederland afschilderden als een verstikkend Metropolis, waar duizenden kaalgeschoren columnisten zuchtten onder regels, voorschriften en taboes, hun tomeloze denkkracht en verbeelding gefnuikt door de linkse 'gedachtenpolitie’. Dat Bart Croughs zich zodoende niet heeft kunnen ontwikkelen tot de Nederlandse Dostojevski die hij diep in zijn binnenste ongetwijfeld is, is ons aller verlies en bij te schrijven op de lange rekening die we de vrouw, de allochtoon en de homo ooit nog eens zullen presenteren. Maar waar moeten we die rekening indienen? Het Metropolis dat de 'incorrecten’ zeggen te bestormen, was een plaggenhut. Het hoofdkwartier van de linkse gedachtenpolitie is al jaren geleden gebulldozerd door de welvaartsmachine die over Nederland is heengedaverd. De Vinex-locaties, de technolease-constructie, de permanente kermis op de Dam, zero tolerance: Teun A. van Dijk moet er zijn licht nog over laten schijnen. Van de taboes waar de Nieuwe Geuzen zo graag tegen fulmineren - allochtonen graag met naam, toenaam, afkomst, pasfoto en telefoonnumer in de krant - zijn alleen een paar zielige plankjes over, af en toe bij elkaar geraapt in de kolommen van dit weekblad. De triomf van het neoliberalisme heeft Van Dijk en de zijnen tot ridders van de droevige figuur gemaakt, nog droeviger dan ze al waren toen ze hun zelfgefabriceerde vijanden voor het volkstribunaal probeerden te brengen. DAT MAAKT DE 'incorrecten’ nog niet tot helden, tenzij het een heldendaad is om een tuinkabouter uit te dagen tot een duel op leven en dood. Hun knokploeg van vrijdenkers deed dan wel alsof ze slechts met gevaar voor eigen leven de waarde van het Sinterklaasfeest kon verdedigen tegen de politiek correcte horden, maar in feite waren zij al twee decennia aan de winnende hand. Ze konden meesurfen op de conjunctuur sinds de jaren zestig, waarvan de betekenis in Nederland veel meer wordt bepaald door Rob Out en het Rem-eiland dan door Dennendal en Joop den Uyl. Nederland werd volwassen. De 'politiek correcte’ jaren zeventig gaven ons Joop van Tijn die de juiste uitspraak van het werkwoord 'neuken’ kwam voordoen op televisie. De incorrecte jaren negentig bieden ons Menno Buch, die de rest voordeed. Tot een echte 'culturele oorlog’ zoals in Amerika wilde het al die tijd maar niet komen. Geen wonder. De meest welsprekende verwoording van 'incorrect’ denken, Herman Vuijsjes knarsetandende brochure Correct: Weldenkend Nederland sinds de jaren zestig (1997), is ook helemaal geen aanklacht tegen 'politieke correctheid’ in Amerikaanse zin, maar tegen iets wat veel ouder, taaier en saaier is: de Nederlandse overlegcultuur. In eigen land veroorzaakte het boekje weinig rumoer - daarvoor had de door Vuijsje gewraakte consensuscultuur inmiddels, op de vleugels van de hoogconjunctuur, een veel te goede pers gekregen. De gesmade 'stroperige staat’ was herboren als het poldermodel. Alleen over de grens werd het vleugje Hollandse zelfhaat uit Vuijsjes filippica gretig opgesnoven. Onlangs kreeg hij er de Prix des Ambassadeurs voor, een jaarlijkse Franse schouderklop voor een Hollander die zich aan de eigen haren uit het moeras weet te trekken. Ambassadeur Bernard de Montferrand had veel plezier beleefd aan het boekje; het was waarschijnlijk een zoete wraak nadat zijn voorganger zo pijnlijk was teruggeroepen omdat hij in een vraaggesprek zijn beklag had gedaan over het barbaarse Hollandse gebruik om bij wijze van lunch koude broodjes kaas te serveren. De lauwe ontvangst van Vuijsjes boek bevestigt dat 'incorrect’ en 'dissident’ in Nederland geen synoniemen zijn. Integendeel, 'incorrect’ is allang de norm geworden. Het ondernemende duo Opgeheven Middelvinger en Grote Bek geven de toon aan op straat, de burger trekt zich, aan alle kanten elektronisch ingeplugged, terug in Suburbia, en de overheid doet vooral moeite om geen moeite te doen. 'Politiek correct’ is in die giftige atmosfeer verdampt als een snuif ether op het dashboard, om met Hunter Thompson te spreken. Hooguit is het nog een wegwerpscheldwoord, zoals 'brillejood’ dat was op het schoolplein. Politiek correcten: de nieuwe watjes, de losers in een tijd van winners, van Rolex, cabrio en put-opties. Watje ontmoet de Marlboro Man. ZO ZIJN AMERIKA en Nederland elkaars spiegelbeeld geworden. De herwaardering van provincialisme en anti-intellectualisme die in beide landen om zich heen grijpt, leidt in Nederland juist niet tot politiek correct denken maar tot het tegendeel. De weerzin tegen politieke correctheid die hier wordt geventileerd, van de Haagse Post tot het Algemeen Dagblad, is een volgende stap in de ontbinding van de burgerlijke cultuur in Nederland. Geef ons liever Paul de Leeuw, die wekelijks nieuwe doses lachgas de samenleving inpompt, maar wel de tranen in zijn ogen krijgt bij een zingend mongooltje. Lulligheid getemperd door sentiment, de toverformule van de nieuwe Nederlander. Intussen begint de neoliberale revolutie haar eigen kinderen op te eten. Bijna tien jaar geleden gaf Frits Bolkestein in de Haagse Post nog alle schuld voor de sociale en morele verloedering die hij om zich heen zag aan de ongewassen haren van de linksige love and peace-generatie. Maar tien jaar later worstelt hij vooral met de vraag of een maatschappij wel kan voortbestaan met zoveel vrijheid en zo weinig moraal. Met andere woorden: met zichzelf, en de vraag of hij niet eerder een conservatief is dan een liberaal. Een antwoord op die vraag is snel gegeven. Een conservatief is een liberaal die een keer op zaterdag in de PC Hooftstraat is weggetoeterd door een patser in een sportwagen. Het is voor een heer even slikken om een mede-liberaal te ontmoeten die zijn vorming heeft genoten in de 'Wil je een Ram voor je Kanis’-school voor modern burgerschap. Wie die guerrilla op straat wil uitvechten, wie de patser een antwoord wil geven namens de openbare 'Ik Pik het Niet Meer’-school van burgerschap, en wie daarbij nog eens ruzie wil krijgen met zijn vrienden over de grote oorlog, die heeft niets meer aan het begrip 'politiek correct’. Laten we het vergeten, in elk geval tot er een campy pc-feestje wordt gevierd in Nederland Partyland. 'Heimwee naar pc.’ Maar dan moet eerst de oorlog voorbij zijn.