Heksenjacht

In 1487, precies vijf jaar voor de ontdekking van Amerika, publiceerde de louche inquisiteur Heinrich Kramer zijn Heksenhamer. In de daaropvolgende eeuwen zou Europa het toneel blijven van periodiek oplaaiende heksenjachten, waardoor de fantasie van latere tijden zich graag liet prikkelen. De Verlichting, die het begrip ‘duistere Middeleeuwen’ ijkte als tegenpool van haar eigen rationele brille, zag er het bewijs van geloofsfanatisme en redeloosheid in – en daarin lijkt nog altijd niet veel veranderd. Geen film of tv-serie kan er over de Middeleeuwen worden gemaakt of er wordt wel ergens een heks in verbrand.

Dat is een schromelijk anachronisme, maar heksenjachten lenen zich goed voor mythevorming. Als vrouwenvervolging zouden ze de misogyne grondtrek van de Europese beschaving hebben blootgelegd en als katholiek fanatisme de achterlijkheid van alles wat rooms was. In werkelijkheid ontkwamen ook mannen niet aan de heksenwaan en was deze in een oerkatholiek land als Spanje uiterst zeldzaam. Daar had men de handen vol aan de vervolging van ‘marranen’ en andere ketters, onder de slachtoffers waarvan de geslachtelijke verdeling precies omgekeerd was en waar het met die misogynie dus wel meeviel.

Zo dient de heksenjacht menig ideologisch doel – maar het blijft wonderlijk dat ze pas koortsachtig werd toen zich de rationele moderniteit begon aan te kondigen. Er schuilt dan ook iets wrangs in het feit dat juist die laatste zich er zo trots op beroept een einde te hebben gemaakt aan iets wat ze voornamelijk zelf had voortgebracht. In zijn onlangs vertaalde boek Bronnen van het zelf (uitg. Lemniscaat) prijst de Canadese filosoof Charles Taylor het heilzame scepticisme dat een middeleeuwer als Thomas van Aquino tegenover het bestaan van heksen aan de dag legde, tegenover de zoveel goedgeloviger visies van latere auteurs.

In zijn nieuwe boek A Secular Age geeft Taylor daarvoor een verklaring. De zich emanciperende moderne rede – zo schrijft hij – leerde Gods schepping te zien als iets dat begrepen kon worden, zonder dat dat vooralsnog iets afdeed aan haar ontzag voor de goddelijke Geest daarachter. Dat betekende ook dat al datgene wat in die schepping hardnekkig duister bleef wel goddeloos moest zijn. Terwijl magie voor de Middeleeuwen nog de bondgenoot kon zijn van een welwillende schepper werd voor het moderne denken iedere toverpraktijk ‘zwarte magie’ en dus duivelswerk.

In haar verkrampte bestrijding daarvan heeft de rede vervolgens haar eigen redeloosheid voortgebracht. Zichzelf bevrijdend uit de banden van onwetendheid moest ze wel concluderen oog in oog te staan met het Sinistere, zodra ze op iets stuitte dat zich hardnekkig aan haar begrip bleef onttrekken. In de bestrijding daarvan betoonde ze zich vervolgens obscurantistischer dan het afgezworen verleden ooit geweest was. Precies daarom is het niet verwonderlijk dat heksenjachten vooral een protestantse aangelegenheid konden worden. Daarin lijkt zich een tragische geschiedeniswet af te tekenen. Want tijdens de Franse Revolutie ging het er nauwelijks anders aan toe. Zodra de politieke rede zichzelf had geëmancipeerd tot een democratisch bestel stond de Terreur klaar om af te rekenen met al wat zich in een hardnekkig obscurantisme tegen die bevrijde orde verzette. Politieke heksenjachten zouden vanaf dan de noodzakelijke ingrediënten worden van elke poging de samenleving te organiseren onder een politieke rede die zich van alle inperkingen had bevrijd, grofweg gezegd: het totalitarisme.

Taylor trekt die parallel niet verder door naar recentere ontwikkelingen. Maar ook de bevrijding van de seksualiteit lijkt sinds enkele decennia een dergelijke wrange ironie te vertonen. Sinds het lichaam van zijn kluisters is ontdaan, zoals eerder de rede en de politiek, is het wantrouwen tegenover wat daarin ondanks alles niet voor bevrijding én beheersing vatbaar bleek alleen maar toegenomen. Op gezette tijden wordt de samenleving bevangen door paniek rond seksschandalen die achteraf steevast sterk overdreven of zelfs denkbeeldig blijken te zijn geweest.

Van Oude Pekela tot breezerseks betaalt de samenleving de tol voor haar eigen seksuele bevrijding. Niet – of niet alleen – in haar feitelijke ontwrichting, maar vooral in de imaginaire confrontatie met haar onbeheersbaar gebleken angsten en demonen. Werkelijk ‘verlicht’ zal de seksualiteit nooit worden en dus zal ze ook nooit restloos vatbaar blijken voor bevrijding. Ook hier brengt gebrek aan scepsis haar eigen fantomen voort, en vervolgens de paniek daarover en de jacht daarop. Er is een verzwakking van de zelfbewuste rede nodig om haar opnieuw in het reine te brengen met de werkelijkheid, misschien wel vooral de lichamelijke. Ook de laatste heks werd pas veroordeeld (in Zwitserland) toen de verlichte achttiende eeuw bijna ten einde was, op de drempel van de Romantiek.