Het was een leuk boek, die eerste roman van Adriaan Jaeggi. De tol van de roem (1995) beschreef in de ik-vorm het leven van een trombonist op weg naar erkenning, faam en mooie vrouwen. Jaeggi, zelf muzikant, wist zijn liefde voor de muziek en voor zijn instrument prachtig over te brengen. Bezield, heette dat. Gedreven. Met hartstocht.

Jaeggi’s tweede roman is iets anders. Held van beroep is een roman over ‘het fenomeen familie’. Verteller Samson Fittipaldi is in een puberachtige leeftijd, en zo praat hij ook: 'Het beste vond ik Sherlock Holmes en Don Quichotte, omdat die allebei helpers hebben die altijd alles doen wat ze zeggen, ook al hebben ze er zo hun heel eigen gedachten over. Dat is eigenlijk nog het allerhandigst om te hebben, een helper die je niet de hele tijd aan je kop loopt te zeiken.’
Een echt jongenstaaltje. Een jongenstoontje. Een tijdje is dat leuk.
Samson Fittipaldi ziet zijn familie om zich heen afbrokkelen. Er gaan veel Fittipaldi’s dood, zodat begrafenissen routine worden ('Het voordeel is wel, je hebt bij ons niet dat slappe gedoe met koffie en cake, er is altijd zalm en witte wijn en zo’). Samson zelf is niet vreselijk enthousiast over zijn familieleden, van wie hij zijn drie oudere zussen zelfs als een bedreiging ervaart.
Om het hoofd boven water te houden speelt Samson Monopoly, met zus Teddy. 'Zij weet hoe het moet, op leven en dood. Niks is erger dan mensen die Monopoly voor de gezelligheid spelen. Die drie stappen met hun pionnetje doen en dan uren zitten dubben, tut-tut, nou-nou, of ze die straat wel of niet zullen kopen.’ Teddy heeft echter nog meer te bieden: 'Als ik Teddy zo zie, verdomme. Soms doet het me niks, maar er zijn momenten dat ik het niet kan laten om te gluren, dat ik mezelf voel gluren en hoewel ze weet dat ik kijk kan ik toch mijn ogen niet losmaken van haar tieten of het haar onder haar oksels of de schaduw in haar kruis als ze weer eens met haar benen op tafel zit. Het zijn van die dingen waar je geen macht over hebt.’
Dingen waar je geen macht over hebt - daar zit het leven van Samson Fittipaldi vol mee. De (suggestie van) incest, verliezen met Monopoly, het sterven van familieleden: Samson kan er niets aan doen. Als je desondanks een held wilt zijn, of worden, dan moet dat in je verbeelding plaatsvinden. Samson, de naam van een ware held. Emerson Fittipaldi, een ware held. Samson Fittipaldi, zelfverklaard mislukkeling. In zijn jongensonschuld zoekt hij houvast bij het meisje Do. Als zij aan Samson vraagt wat hij wil worden als hij groot is, of hij geen voorbeeld heeft, bekent de jongen: 'Ik heb eigenlijk niks meer willen worden sinds Jacques Cousteau dood is.’
Toch schiet hem nog iemand te binnen: na de olieramp bij Alaska moest het hele gebied worden schoongemaakt. 'De rotsen waren zwart, het zand was zwart, zelfs de golven waren glimmend zwart.’ En midden in al die rotzooi 'stond een man, één man, met een oliebroek en een gele zuidwester en een emmertje en een zwabber’. Samson stelt zich voor dat de man van de oliefirma 'nou eenmaal de man was die altijd de onmogelijke klussen kreeg, de wanhopige dingen die toch gedaan moesten worden. Niet uit nobelheid of goedhartigheid, maar omdat dat zijn baan was. Held van beroep.’
Leuk jochie, die Samson. Vertederend, soms. Maar in zijn eentje kan hij niet de hele roman dragen. Zijn anekdoten zijn grappig, maar Held van beroep blijft te veel een aaneenrijging van kleine verhaaltjes. En dat de toon voortdurend die van een kleine jongen is, met het bijpassende vocabulaire, maakt het lezen minder plezierig dan bij Jaeggi’s eerste roman.